Verwerping cassatieberoep m.b.t. artikel 2 Diergeneesmiddelenwet (oud)

Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:521 Verdachte is bij arrest van 17 februari 2015 door het Gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot een geldboete van € 3.000 wegens het door een rechtspersoon opzettelijk begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet, meermalen gepleegd.

Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Het bestreden arrest is gewezen na verwijzing door de Hoge Raad (HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5971,).

Middel

Mr. R.E. Drenth, advocaat te Breda, heeft namens verdachte vier middelen van cassatie voorgesteld. Alle middelen betreffen de verwerping van verweren inzake magistrale bereiding, noodtoestand, materiële wederrechtelijkheid en vrijstelling voor dierenartsen.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

  1. De wetsgeschiedenis duidt er onmiskenbaar op dat magistrale bereiding mogelijk is, maar dat de ruimte ervoor zeer beperkt is: er is zelden aanleiding toe; medische noodzaak is vereist en bereiding op voorhand kan niet. De wetsgeschiedenis bevat met dat laatste anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld een duidelijke aanwijzing voor het uitsluiten van reeds bereide medicijnen van het magistraal-bereiden-begrip. Ik wijs ook op het tweede lid van art. 2 van het onder 10 genoemde besluit. Ook gelet op de wetsgeschiedenis en de tekst van het Besluit is het oordeel van het Hof niet onjuist of onbegrijpelijk. Mede in het licht van de laatste uit de MvT (p.37) geciteerde passage merk ik nog op de door de steller van het middel voorgestane uitleg het risico in zich draagt dat elke vorm van registratie wordt ontgaan. Immers bij productie voor het buitenland wordt verondersteld dat aldaar geregistreerd wordt en bij gebruik van die producten als magistraal bereid in het binnenland is registratie niet verplicht.
  2. De steller van het middel voert als derde en laatste grond (p. 11 van de schriftuur) voor een onjuist oordeel van het Hof inzake magistrale bereiding nog een passage op p. 60 van de eerder genoemde MvT bij de Diergeneesmiddelenwet aan:

“Voorts zal moeten worden geregeld in hoeverre bij magistrale bereiding mag worden uitgegaan van niet-, of voor een ander doel geregistreerde diergeneesmiddelen.”

  1. De toelichting op het middel geeft geen enkele aanwijzing voor een nadere afweging van deze specifieke problematiek door wetgever na de totstandkoming van deze wet. Zonder dat zie ik niet in dat aan de geciteerde zinsnede (doorslaggevende) betekenis moet worden toegekend. De passage is in de MvT opgenomen bij de artikelsgewijze toelichting op art. 42 van de Diergeneesmiddelenwet waarin een basis voor nadere regeling bij algemene maatregel van bestuur verankerd is. Het Besluit voorschriften van magistrale bereiding, ambulante handel en aflevering van diergeneesmiddelen van 24 oktober 1989, Stb. 1989/513 vormt zo’n nadere regeling. Artikel 2, tweede lid, van dat Besluit (zie hierboven onder 10) staat juist in de weg aan de handelwijze van verdachte. Het Besluit kent geen nadere regeling voor de in het citaat bedoelde specifieke problematiek.
  2. Het eerste middel faalt.
  3. Hettweede middelklaagt over de verwerping van het beroep op noodtoestand (arrest zoals weergeven bij 5 hierboven onder I) en het derde middel over de verwerping van het beroep op het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid (arrest, zoals weergeven bij 5 hierboven onder J).
  4. Alvorens de middelen afzonderlijk te bespreken enkele meer algemene opmerkingen over de context van het beroep op overmacht (art. 40 Sr) in de zin van noodtoestand en het (mogelijk) eenmaal in de rechtspraak van de Hoge Raad erkende ontbreken van materiële wederrechtelijkheid. Bij de totstandkoming van de Diergeneesmiddelenwet met als kern registratie van de middelen en kanalisatie van de verstrekking bleek dat de vele geconsulteerde instanties zich in grote lijnen konden verenigen met de voorliggende regeling, maar in de MvT werd het volgende opgemerkt: “Instemming met de grote lijnen van het wetsontwerp brengt echter niet automatisch instemming met de in het wetsontwerp neergelegde uitwerking van die grote lijnen met zich mee. In de meeste adviezen wordt uitgebreid ingegaan op verschillende detailpunten. Daarbij blijken de meningen over bepaalde aspecten sterk uiteen te lopen en soms zelfs lijnrecht tegenover elkaar te staan.” Kortom de opvattingen van de geconsulteerde instanties en de opstellers van het wetsontwerp liepen nogal uiteen. Reeds in dit licht verbaast het niet dat medeverdachte als dierenarts (en daarmee de verdachte rechtspersoon) zo zijn opvattingen heeft en dat die opvattingen anders zijn dat die van de wetgever.
  5. Niet uitgesloten is dat de eigen opvattingen en de daarbij behorende belangenafwegingen van medeverdachte evenals die van de bedoelde geconsulteerde instanties juist zijn, zelfs als deze anders zijn dan die van de wetgever. Wetgeving en in het bijzonder economisch ordenende strafwetgeving is immers in veel gevallen een kwestie van het sluiten van compromissen waarbij niet wordt gekozen voor de beste oplossing, maar voor de oplossing waarover men het eens kan worden. Dat is niet zelden ook onvermijdelijk gelet op het grote aantal uiteenlopende belangen dat in het geding is. Ook degene die het (op een of meer onderdelen) beter weet dan de wetgever zal zich in beginsel moeten houden aan de afspraak, zoals deze in de wet is vastgelegd. Dat geldt zelfs als juist is dat, zoals de in de schriftuur (p.15) geciteerde deskundige meent, medeverdachte in de onderhavige zaak op geen enkele wijze gehandeld heeft in strijd met het belang van de volksgezondheid en daarmee dierenleed heeft voorkomen. Het op grond van een eigen afweging van belangen structureel een andere oplossing kiezen dan de wetgever voor ogen staat, past niet in een democratie. Mevis zegt het wat anders (enigszins activistisch) in zijn noot: “(…) onmacht en onbegrip voor verkeerde wetgeving of de uitvoering ervan en onbegrip, hoe gefundeerd ook in juiste en uitgebreide kennis van het eigen vakterrein, voor een overheid die weigert de wetgeving aan te passen, kan en moet worden bestreden maar dan via de geëigende kanalen gericht op wijziging van de algemene regeling (…), niet via het negeren van de regel en het daarbij inroepen van de uitzondering van straffeloosheid van een strafuitsluitingsgrond lees niet: overmacht; PV, i.c. overmacht in de zin van noodtoestand.”
  6. Het gaat er anders dan de steller van het middel kennelijk meent dus niet uitsluitend om dat verdachte beoogt de gezondheid van dier en mens te behartigen, maar het gaat er ook om dat hij dat volgens de afgesproken regels doet. Dergelijke regels kunnen in de woorden van de steller van het middel onnodig beperkend zijn (vgl. p. 26 van de schriftuur) en kunnen -voeg ik eraan toe- ook allerlei vormen bevatten, zoals in het onderhavige geval registratievoorschriften, die mogelijk in concrete gevallen niet of moeilijk uitvoerbaar zijn, maar die regels kunnen desondanks niet structureel terzijde worden gesteld. Er is gelet hierop dan ook geen ruimte voor rechtvaardiging met een beroep op de stelling van de verdediging (p. 22 van de schriftuur) die inhoudt dat verdachte door de stand van zaken in de toenmalige Diergeneesmiddelenwet feitelijk werd gedwongen om te handelen zoals hij deed. Daarbij neem ik bovendien dan nog in aanmerking dat juist voor crepeergevallen er de mogelijkheid bestaat van magistrale bereiding en verdachte die weg naar mijn oordeel (zie de bespreking van het eerste middel) bij geen enkele van de afleveringen heeft gevolgd. Dat beperkt de kans van slagen van een beroep op een rechtvaardigingsgrond, omdat het tenminste eenmaal volgen van de ‘koninklijke’ weg, die weliswaar in de ogen van de deskundige Dorrestein geen alternatief vormde, ervan zou kunnen getuigen dat verdachte tot het uiterste is gegaan om de crepeersituatie te beëindigen.
  7. Het voorgaande sluit aan bij het verwijzingsarrest van de Hoge Raad (r.o. 3.6) in de onderhavige zaak. Voor een geslaagd beroep op noodtoestand (en het lijkt in zekere mate ook te gelden voor het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid) moet worden nagegaan of uitzonderlijke omstandigheden in een individueel geval meebrengen dat overtreding van een wettelijk verbod gerechtvaardigd is, onder meer indien moet worden aangenomen dat daarbij gehandeld is in noodtoestand, dat wil zeggen -in het algemeen gesproken- dat de pleger van het feit staande voor de noodzaak te kiezen uit onderling strijdige plichten en belangen de zwaarstwegende heeft laten prevaleren. In het bestreden arrest heeft het Hof dit criterium ook toegepast en in zoverre is geen sprake van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover wordt volhard in het standpunt dat een structurele acuutheid van de nood toereikend is, vindt dit geen steun in het recht. Het Hof heeft voor de afleveringen van de geneesmiddelen per afnemer onderzocht of verdachte de belangen zorgvuldig heeft afgewogen. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat daarvan nu juist niet is gebleken nu niet of onvoldoende naar voren komt of en op welke wijze verdachte de bijzonderheden van de noodsituatie per afnemer in kaart heeft gebracht. In het kader van de belangenafweging heeft verdachte anders gezegd een onderzoeksplicht en er moet blijken hoe hij daaraan in het concrete geval inhoud heeft gegeven. De crux is dat in een concrete crepeersituatie moet worden vastgesteld of de toediening van diergeneesmiddelen noodzakelijk was. Verdachte heeft voldoende blijk gegeven van een algemene beoordeling van de overkoepelende omstandigheden, maar dat is nu eenmaal niet toereikend.
  8. Dan nu de vier deelklachten van het tweede middel inzake de verwerping van het beroep op noodtoestand. Voor zover de eerste klacht inhoudt dat het Hof een te beperkte uitleg aan het begrip overmacht in de zin van noodtoestand heeft gegeven, meen ik dat ik daarop al voldoende ben ingegaan. Er wordt voorts geklaagd dat in het scenario “dat rekwirant of zijn deskundig medewerker persoonlijk in alle gevallen een diagnose dienen te stellen en dat het voor een honorering van het gevoerde verweer noodzakelijk is dat deze diagnose het gevolg was van een achteraf nog aantoonbaar concreet geval van ziekte of dreiging hiervan, laat zich niet verenigen met de aangehaalde feiten en omstandigheden die het Gerechtshof zelf als feitelijk kader stelt.” Met dit laatste wordt gedoeld op overweging I.3 van het Hof. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat uit de overwegingen onder I 4 t/m 7 blijkt dat het Hof niet van het bedoelde scenario is uitgegaan. Uitsluitend onder I.5 verwijst het Hof naar een oordeel van medeverdachte als dierenarts. Ook daar laat het Hof echter alle ruimte voor de omstandigheden op grond waarvan verdachte in het concrete geval tot zijn oordeel dat er behandelnoodzaak is, is gekomen. Dat verdachte zich in het concrete geval moet oriënteren op de omstandigheden staat vast en dat de wijze waarop hij dat in een concreet geval (I.8 diagnose in overleg met betrokkene 14 ) heeft gedaan volgens het Hof reeds toereikend is, is eveneens duidelijk, maar dat betekent nog geenszins dat voor een geslaagd beroep op noodtoestand telkens een diagnose door verdachte noodzakelijk is. De eerste deelklacht treft geen doel.
  9. De kern van de tweede deelklacht is dat het Hof niet is ingegaan op een verweerschrift als aanvulling bij het pleidooi. Gedoeld wordt kennelijk op een passage uit dat verweerschrift dat woordelijk is opgenomen in proces-verbaal van de zittingen van het Hof van 8 januari 2015 en 3 februari 2015 (p. 3 en 4) en dus als ter zitting voorgedragen dient te worden beschouwd. In bedoeld verweerschrift wordt volgens de steller van het middel “onmiskenbaar en ondubbelzinnig betoogd dat medeverdachte in alle gevallen van levering aan de hem bekende duivenhouders van noodzaak van de levering overtuigd was geraakt omdat er op directe (via hemzelf) of op indirecte wijze (met een van zijn assistenten) contact met hem was geweest, en hem uit dit contact in voldoende mate was gebleken dat er een noodzaak tot levering, in de zin van een gebleken geval van ziekte of dreiging voor het ontstaan hiervan, bestond.”
  10. Kennelijk is de opvatting van de steller van het middel, ook al gebruikt hij tevens de term ‘uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ dat het Hof tot een reactie op hetgeen in het verweerschrift naar voren is gebracht was gehouden bij de verwerping van het beroep op noodtoestand. Uit de samenvatting van het verweerschrift door de steller van het middel lijkt te volgen dat medeverdachte in alle opzichten een consistent standpunt heeft ingenomen. Er zijn echter ook onderdelen in het verweerschrift die in een andere richting gaan. Ik wijs slechts op enkele passages: “Wat ook duidelijk blijkt, is dat de vluchten zich met name afspelen tussen april en de eerste week van september. Men kent dan mijn producten en men weet wanneer wat nodig is.” (…) “Wat verder duidelijk wordt , is dat –als men er zelf niet uitkomt- men met mij contact opneemt.” In gevallen waarin het door een medeverdachte zelf ingenomen standpunt voor verschillende uitleg vatbaar is, is het aan de ter terechtzitting aanwezige raadsman om duidelijk te maken welk standpunt nu ten laatste is ingenomen. De eis dat een afzonderlijke reactie op alle uitlatingen van verdachte nodig is, gaat te ver.
  11. Ook als ik louter bovenstaande samenvatting van het verweerschrift volg, is mij niet duidelijk op grond waarvan het Hof gehouden was aan de inhoud van het verweerschrift afzonderlijk aandacht te besteden. In de overwegingen I.4 t/m I.7 baseert het Hof zich op getuigenverklaringen en geeft het Hof te kennen dat uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden dat medeverdachte wist aan wie de diergeneesmiddelen werden geleverd (I.4, I.6), dat de andersluidende verklaring van medeverdachte uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk is geworden (I.5), dat er sprake was van uitzonderlijke omstandigheden die meebrengen dat verdachte gerechtigd is tot overtreding van art. 2, eerste lid, van de Diergeneesmiddelenwet (I.7). Het Hof heeft op deze wijze dus uitdrukkelijk het standpunt van medeverdachte niet gevolgd. Binnen de grenzen van de begrijpelijkheid is het Hof niet gehouden te motiveren waarom de versie van medeverdachte niet wordt gevolgd en wel gewicht wordt toegekend aan verklaringen van getuigen. Dat is nu eenmaal een feitelijke kwestie die in cassatie niet anders dan via de weg van de begrijpelijkheid aan de orde kan komen. Waarom de keuze van het Hof onbegrijpelijk zou zijn wordt door de steller van het middel niet nader toegelicht. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is overigens hoe dan ook geen sprake. De tweede volzin van art. 359, tweede lid, Sv geldt niet voor verweren als bedoeld in art. 358, derde lid, Sv (het beroep op noodtoestand). Ook de tweede deelklacht faalt.
  12. De derde deelklacht betreft de levering van de diergeneesmiddelen aan een tussenpersoon (dierenarts) die vervolgens door levert aan een duivenhouder, zoals in de overwegingen I.4 en I.6 van het arrest van het Hof. “Strekking van deze klacht is dat een doorlevering door een afnemer van een ontvangen middel aan een derde, niet 1 op 1 maakt dat geen sprake kan zijn van noodtoestand”, aldus valt te lezen op p. 43 van de schriftuur. Dat is op zichzelf wel juist, maar dan moet wel vaststaan dat er uitzonderlijke omstandigheden waren bij de uiteindelijke afnemer. In het oordeel van het Hof ligt besloten dat verdachte niet op de hoogte was van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden, domweg omdat hij in het kader van de concrete aflevering van de diergeneesmiddelen aan die uiteindelijke afnemer geen contact met hem had. De klacht is tevergeefs voorgesteld.
  13. De vierde deelklacht beoogt het patroon van redeneren van het Hof bij de honorering van het beroep op noodtoestand in het geval van betrokkene 12 (zie r.o. I.8) tot uitgangspunt te nemen. In de kern gaat het de steller van het middel erom dat voor betrokkene 2 en betrokkene 6 hetzelfde geldt als voor betrokkene 12 en dat het daarmee onbegrijpelijk is dat verdachte in het geval van betrokkene 12 is ontslagen van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodtoestand en voor beide andere gevallen is veroordeeld. Bij betrokkene 2 is de stelling dat de dierenarts betrokkene 15 (aan wie de diergeneesmiddelen zijn geleverd) uitsluitend aan betrokkene 2 heeft door geleverd in geval van zieke duiven. Ik volsta met op te merken dat zulks er niet aan in de weg staat dat verdachte niet heeft onderzocht of een levering aan betrokkene 2 een voor een geslaagd beroep op noodtoestand noodzakelijk uitzonderlijk geval betrof. Bij betrokkene 6 heeft het Hof kennelijk als ‘pijnpunt’ gezien dat hij (en dus niet verdachte per concrete levering) goed weet voor welke kenmerken/ziekten bepaalde middelen goed werken. Aan de verklaring van medeverdachte dat het altijd in overleg met de kliniek gaat, heeft het Hof geen waarde gehecht en dat is niet onbegrijpelijk in het licht van de voor het bewijs gebezigde verklaring van betrokkene 6 dat hij zelf weet wanneer de duiven een B.S. kuur krijgen en hij overlegt als hij niets weet. Dat duidt dus bepaald niet op ‘altijd in overleg’. Ook de vierde deelklacht faalt.
  14. Het derde middel betreft als gezegd de verwerping van het beroep op materiële wederrechtelijkheid. Daarbij zou het Hof art. 2 van de Diergeneesmiddelenwet onjuist hebben uitgelegd, althans het verweer in ieder geval onvoldoende en/of onbegrijpelijk gemotiveerd hebben verworpen. Zie de overwegingen J 1 t/m 4 in het arrest van het Hof (hierboven onder 5).
  15. Ik laat bij de bespreking van het middel verder in het midden of in de rechtspraak van de Hoge Raad (in het bijzonder het Veeartsarrest) het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid nu wel of niet als ongeschreven rechtvaardigingsgrond is erkend. Dat noodtoestand en materiële wederrechtelijkheid dicht tegen elkaar aan liggen, kwam al aan het licht bij de aan de bespreking van de concrete klachten van de middelen 3 en 4 voorafgaande beschouwing (zie onder 16 t/ 19 hierboven). Vaststellingen die hierboven in het kader van de noodtoestand zijn gedaan, hebben betekenis of kunnen dat in ieder geval hebben in het kader van het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid. Dat betekent ook dat voor zover wordt geklaagd dat het Hof bij de verwerping van het verweer niet heeft kunnen volstaan met vaststellingen die (tevens) ten grondslag liggen aan het beroep op noodtoestand ik dat zonder nadere toelichting op dat punt niet kan volgen.
  16. De overwegingen J 1 t/m 4 zijn niet onjuist, ontoereikend of onbegrijpelijk. Het komt er ook hier op neer dat het belang dat verdachte in de concrete gevallen diende onvoldoende uit de verf is gekomen. Immers de noodzaak om de duiven in de concrete gevallen te behandelen met niet-geregistreerde diergeneesmiddelen kan niet worden vastgesteld. Het is niet onbegrijpelijk dat het Hof dit als een voorwaarde heeft gezien die moet zijn vervuld alvorens zinnig verder te beoordelen of de materiële wederrechtelijkheid al dan niet ontbreekt.
  17. Het tweede en derde middel treffen geen doel.
  18. Hetvierde middelklaagt over de verwerping van het verweer zoals dat hierboven onder F.1 is samengevat. Kort gezegd hield dat verweer in dat de levering van niet-geregistreerde diergeneesmiddelen aan een collega-dierenarts gelet op de zogenaamde Kanalisatieregeling niet strafbaar zou zijn.
  19. De steller van het middel bepleit een zeer ruime toepassing van de (door het Hof in de overwegingen betrokken) wettelijke bepalingen. Zijn uitgangspunt is dat het legaal is voor een dierenarts om niet geregistreerde geneesmiddelen die bestemd zijn voor export voor handen te hebben. Dat onderschrijf ik, maar de volgende stap is cruciaal. Nu dat voorhanden hebben legaal is, kan de dierenarts die niet geregistreerde geneesmiddelen volgens de steller van het middel ook leveren aan een collega en die collega heeft dan ter verstrekking aan duivenhouders in overeenstemming met de wettelijke regels niet geregistreerde geneesmiddelen voor handen. Hier haak ik af. Ook als met de steller van het middel wordt aangenomen dat de bewoordingen van de toepasselijke bepalingen zich niet tegen een dergelijke uitleg verzetten en de wetsgeschiedenis geen aanknopingspunt voor een te kiezen richting biedt, is de uitleg van het Hof juist. Bij de door de steller van het middel voorgestane uitleg wordt immers volledig geabstraheerd van de exportbestemming. Alleen niet geregistreerde geneesmiddelen met een exportbestemming mag de dierenarts legaal voor handen hebben. Zodra de exportbestemming vervalt, gelden de verboden van voor handen hebben en afleveren onverkort. Nu het Hof er in de onderhavige zaak niet onbegrijpelijk vanuit is gegaan dat de niet geregistreerde geneesmiddelen niet voor de export, maar voor verstrekking aan duivenhouders werden geleverd aan collega’s, ligt daarin besloten dat van een exportbestemming geen sprake meer is. Daarom heeft het Hof hier terecht aangenomen dat in deze gevallen het verbod van art. 2 van de Diergeneesmiddelenwet ook voor verdachte geldt. Daarbij neem ik overigens nog in aanmerking dat de geoorloofdheid van het voorhanden hebben van niet geregistreerde geneesmiddelen in verband met export in Nederland bezien moet worden in het kader van het uitgangspunt dat dergelijke geneesmiddelen alsnog in het buitenland worden geregistreerd. De uitleg van de steller van het middel brengt mee dat er alle ruimte ontstaat voor binnenlands gebruik van niet geregistreerde diergeneesmiddelen. Dat kan de bedoeling van de wetgever niet zijn geweest.
  20. Ook het vierde middel heeft geen kans van slagen.
  21. Alle vier middelen hebben geen kans van slagen. Over de vraag of de middelen met toepassing van de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende bewoordingen kunnen worden afgedaan aarzel ik enigszins. Voor de middelen 2 en 3 geldt in ieder geval dat het juridische kader in het eerdere verwijzingsarrest reeds tot uitdrukking is gebracht. Verkorte afdoening ligt daarmee wel voor de hand. Bij de beide andere middelen neem ik in aanmerking dat in deze zaak de uitleg van de inmiddels vervallen Diergeneesmiddelenwet (zie noot 1) aan de orde is. Mijn slotsom is dat voor alle middelen de verkorte afdoening (art. 81, eerste lid, RO) niet uitgesloten is. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
  22. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

HR over uitleg begrip “afvalstoffen”

Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:512 Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Den Haag de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €10.000, waarvan €5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ter zake van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 1) en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 2).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

7. De steller van het middel meent dat het bestreden arrest niet in overeenstemming is met de volgende overwegingen van het genoemde arrest van het Europees Hof van Justitie van 12 december 2013:

“52 Daarentegen is de omstandigheid dat Shell de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53 Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (zie naar analogie arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, punt 36, en arrest van 111september 2003, AvestaPolarit Chrome, C-114/01, Jurispr. blz. 1-8725, punt 36).

54 Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.”

8. In de onderhavige zaak gaat het om elektr(on)ische apparaten die om uiteenlopende redenen -het Hof noemt het oogmerk van retour ontvangen van de koopprijs of het inroepen van garantiebepalingen- door de koper/consument worden geretourneerd aan de verkoper/leverancier. Daarmee is de leverancier de houder van de apparaten geworden. Dit retourneren van de apparaten kan volgens het Hof niet worden aangemerkt als het zich ontdoen van een afvalstof. Dat lijkt mij juist en het middel richt zich ook niet tegen dit oordeel. Dit lijkt mij te betekenen dat het de verkoper/leverancier/houder (verder: houder) vrij staat de geretourneerde apparaten opnieuw aan consumenten ten verkoop aan te bieden. Het zou te ver gaan om het opnieuw ten verkoop aanbieden en verkopen aan consumenten reeds als het zich ontdoen van een afvalstof aan te merken en dat ligt ook in de lijn van het genoemde arrest van het Hof van Justitie.

9. Volgens het (Haagse)Hof waren de apparaten voor het doel waarvoor zij door de houder waren bestemd te weten de verkoop aan consumenten onbruikbaar of overtollig geworden. Dat is een niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof nu de houder er niet voor heeft gekozen om de apparaten opnieuw rechtstreeks aan consumenten aan te bieden. De houder heeft de apparaten namelijk overgedragen aan verdachte (groothandel en exporteur). Het oordeel dat de houder zich door aldus te handelen heeft ontdaan van een afvalstof staat anders dan de steller van het middel meent geenszins op gespannen voet met het arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2013. In dat geval was immers niet uitgesloten dat het product door de houder conform de oorspronkelijke bestemming opnieuw op de markt zou worden gebracht. In de onderhavige zaak staat juist niet vast dat de houder conform de oorspronkelijke bestemming van apparaten beoogde te handelen. Integendeel: de apparaten waren voor de houder onbruikbaar of overtollig.

10. Het Hof heeft daarmee dus op goede grond geoordeeld dat de aan verdachte overgedragen apparaten afvalstoffen waren. Iets anders is dat in voorkomend geval de apparaten in handen van verdachte de status van afvalstof alsnog kunnen verliezen, maar daarvoor heeft het arrest van het Europees Hof van Justitie uit 2013 geen directe betekenis. Als de steller van het middel echter onder punt 10 in de schriftuur meent dat geen van de in de bijlage van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen van toepassing is en dat dit een indicatie vormt voor de omstandigheid dat niet van een afvalstof sprake is, kan ik dat standpunt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet volgen. Zelfs als verdachte de apparaten zelf alsnog rechtstreeks ten verkoop zou aanbieden aan consumenten zou dat niet mogelijk zijn zonder nadere controle en in voorkomend geval reparatie.

11. Het eerste middel faalt.

Tweede middel

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

13. Het in de eerste cassatieronde bestreden arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 april 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, het volgende in:

“Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder, voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.”

14. Het arrest van het Hof Den Haag van 19 november 2014 bevat de overweging zoals opgenomen onder 6.

15. Het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013 bevat de beslissing tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De steller van het middel ziet kennelijk een beperking voor de berechting door het Hof na terugwijzing tot uitsluitend een nieuw oordeel over de (deel)beslissing(en) die tot cassatie hebben geleid. Aan de hierboven geciteerde passage uit het arrest van het Hof uit 2012 zou het Hof na de verwijzing (min of meer?) gebonden zijn. Ik meen te kunnen volstaan met de opmerking dat hetgeen aan het middel ten grondslag wordt gelegd geen steun vindt in het recht.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, van de Wet RO ontleende bewoordingen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op vrijdag 3 juni 2016 naar de Cursus Afvalstoffen.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly and PDF ^

Ongeval bij proef in laboratoriumruimte: vrijspraak van overtreding art. 5 Brzo

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21 maart 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:1612 Op 15 juli 2013 heeft in het bedrijf van verdachte een bedrijfsongeval plaatsgevonden. Bij een proef in de zogenoemde RePP (Research and Pilot Plant) afdeling werd in de installatie SA170 (een mengvat) een mengsel (smelt) van vloeibaar ammoniumnitraat van ongeveer 160 graden Celsius aangemaakt. Bij het toevoegen van dolomiet (een verbinding van de stoffen calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat) ontstond er in het mengvat een schuimvorming waarna (door overdruk) een deel van de inhoud van het mengvat met kracht door de vulopening en een opening boven op het vat naar buiten werd gespoten.

Een hoeveelheid van deze smelt kwam terecht op de kleding van een medewerker van de firma naam firma, de heer slachtoffer, die in de RePP ruimte binnen kwam om daar voorbereidende werkzaamheden voor het aanbrengen van een rookmelder te verrichten. Bij het uittrekken van zijn sweater kwam de heer slachtoffer in contact met de smelt en liep hij brandwonden, met name aan zijn handen, op. Hij is ter behandeling van zijn verwondingen naar het ziekenhuis overgebracht en is daar tot 22 juli 2013 ter observatie/in behandeling geweest. Zijn verwondingen zijn volledig hersteld.

Verdachte drijft een inrichting waarin als hoofdactiviteit stikstofhoudende kunstmeststoffen worden geproduceerd. Het is een inrichting waarin krachtens de vergunning ex artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer gevaarlijke stoffen aanwezig mogen zijn. Door de krachtens deze vergunning toegestane hoeveelheid gevaarlijke stoffen viel verdachte onder de werkingssfeer van het ten tijde van het ten het laste gelegde van kracht zijnde Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (Brzo).

Aan verdachte wordt primair verweten dat zij op datum en plaats van het ten laste gelegde niet alle maatregelen had getroffen die nodig waren om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken (zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 Brzo), subsidiair dat zij geen veiligheidsbeheerssysteem had ingevoerd ter identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP afdeling (zoals bedoeld in artikel 5 lid 3 Brzo).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit dat verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken, subsidiair dat verdachte ter zake van beide verwijten zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Ter zake van het primair ten laste gelegde is de vraag gesteld of er sprake was van een ‘zwaar ongeval’ als bedoeld in het Brzo.

- De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat dit het geval is en dat verdachte niet alles heeft gedaan om dit te voorkomen. In casu was er immers sprake van een onbeheersbare ontwikkeling, omdat onverwacht en vrijwel direct na het openen van de bodemafsluiter van smeltvat SA170 en het starten van de circulatiepomp, de smelt uit het smeltvat in de RePP ruimte is gespoten en daarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken waren, te weten ammoniumnitraat. Daarover had men geen controle (meer) en dit was een ongewilde gebeurtenis. Als gevolg van die onbeheersbare ontwikkeling is onmiddellijk gevaar voor de gezondheid van een mens binnen de inrichting ontstaan, te weten de in de RePP ruimte aanwezige mensen, waaronder de heer slachtoffer, die ernstige brandwonden heeft opgelopen.

- De verdediging is van mening dat er geen sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo omdat daarvan pas sprake kan zijn wanneer daarbij één of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De vrijgekomen smelt (bekend als KAS 27) was, gelet op de samenstelling van dat mengsel en het daarin aanwezige stikstofgehalte, geen gevaarlijke stof in de zin van het Brzo omdat het ammoniumnitraat niet tot één van de categorieën in de bijlage bij het Brzo behoort.

Voor de beoordeling van de vraag of sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo herhaalt de rechtbank het toetsingskader met betrekking tot artikel 5 Brzo, zoals weergegeven in het vonnis van deze rechtbank van 21 maart 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:1911), te weten:

“Zwaar ongeval Brzo

  • Het Brzo is de Nederlandse implementatie van de Europese Seveso II-richtlijn (Richtlijn 96/82/EG van de Raad van Europa van 9 december 1996). Het Brzo integreert wet- en regelgeving op het gebied van arbeidsveiligheid, externe veiligheid en rampbestrijding in één juridisch kader. Doelstelling is het voorkomen en beheersen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. Het Brzo stelt hiertoe eisen aan de meest risicovolle bedrijven in Nederland. Daarnaast wordt in het besluit de wijze waarop daarop moet worden toegezien geregeld.
  • In artikel 5, eerste lid, Brzo staat dat de drijver van een inrichting alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor mens en milieu te beperken. Dit is een vergaande verplichting omdat er geen beperking is opgenomen met betrekking tot de aard van en de mate waarin maatregelen moeten worden getroffen.
  • De drijver van een inrichting die valt onder de werking van het Brzo moet een gericht beleid voeren teneinde zware ongevallen te voorkomen. Het preventiebeleid moet zijn afgestemd op de risico’s van zware ongevallen die de inrichting veroorzaakt.

In artikel 1, aanhef en onder f, Brzo wordt een zwaar ongeval gedefinieerd als een:

gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de gezondheid van de mens binnen of buiten de inrichting of voor het milieu ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen zijn betrokken.

In de Seveso II-richtlijn wordt in artikel 3, aanhef en onder 5, een bijna gelijkluidende definitie gegeven met dien verstande dat daarin wordt gesproken over onbeheerste in plaats van onbeheersbare ontwikkelingen.

In de toelichting op het Brzo staat vermeld:

  • Het hoofddoel van de Seveso II-richtlijn en, in het verlengde daarvan, van het onderhavige besluit, is het voorkomen van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken en, indien zij onverhoopt toch gebeuren, het beperken van de gevolgen daarvan voor mens en milieu.
  • Bepalend voor het begrip zwaar ongeval is het ontstaan van ernstig gevaar voor de gezondheid van mensen binnen of buiten de inrichting en/of voor het milieu ten gevolge van calamiteiten met gevaarlijke stoffen als bedoeld in de bijlage bij dit besluit. De richtlijn noemt in dit verband bij wijze van voorbeeld: een zware emissie, brand of explosie.

Het begrip zwaar ongeval bestaat naar het oordeel van de rechtbank dus uit drie onderdelen:

  1. Een gebeurtenis als gevolg van onbeheersbare (lees: onbeheerste) ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitvoering in de inrichting. Een onbeheerste, ongecontroleerde ontwikkeling wil zeggen dat de aanvankelijke afwijking dermate escaleert dat ze aan de controlemogelijkheid van het operationele personeel (te weten: de medewerkers op de werkvloer) ontsnapt. Daarbij moet worden gerealiseerd dat het begrip ongeval duidt op een plotse, onverwachte en ongeplande gebeurtenis. In het kader van de Seveso-richtlijn gaat het om een brand, explosie of emissie.
  2. Er ontstaat gevaar voor de gezondheid van de mens (onmiddellijk of later). Chronische effecten van langdurige blootstellingen aan lage concentraties van giftige stoffen zijn niet te beschouwen als zwaar ongeval. De schade aan mens en milieu hoeft zich niet te hebben voorgedaan. Het zijn de potentiële gevolgen en niet de effectieve letsels of schade die bepalen zijn voor de ernst van het ongeval. Het gevaar hoeft zich ook niet uit te strekken tot buiten het terrein van de inrichting.
  3. Bij de gebeurtenis zijn één of meer -bepaalde- gevaarlijke stoffen betrokken. De hoeveelheid gevaarlijke stoffen is van geen enkel belang met dien verstande dat die stoffen gevaar voor mens en milieu moet opleveren.”

Op grond van artikel 1, aanhef, sub b, van het Brzo is sprake van gevaarlijke stoffen indien het gaat om:

“stoffen, mengsels of preparaten, genoemd in bijlage I, deel 1, of behorend tot een categorie, genoemd in bijlage I, deel 2, en aanwezig als grondstof, product, bijproduct, residu of tussenprodukt, met inbegrip van stoffen, mengsels of preparaten waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door het onbeheersbaar worden van een industrieel chemisch proces ontstaan”.

Ammoniumnitraat is een stof, genoemd in bijlage I, deel 1 van het Brzo, die voor de toepassing van het Brzo wordt aangemerkt als een gevaarlijke stof, indien sprake is van:

1. Gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen met fosfaat en/of kaliumcarbonaat;

2. Enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat:

a. hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%;

b. hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat, en

c. hoger is dan 28 gewichtsprocent (overeen komend met 80% ammoniumnitraat), voor mengsels van ammoniumnitraat en dolomiet, kalksteen of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90%;

3. Een technisch zuivere stof, van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatpreparaten waarin het stikstofgehalte, afkomstig van het ammoniumnitraat; a. gelegen is tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,4% aan brandbare stoffen bevatten;

b. hoger is dan 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,2% aan brandbare stoffen bevatten, en c. waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraatconcentratie van meer dan 80 gewichtsprocent.

4. « off-specs-materiaal» en meststoffen die niet voldoen aan de eisen van de detonatietest.

Op grond van deze categorie-indeling is de rechtbank met de verdediging en anders dan de officier van justitie van oordeel dat ammoniumnitraat “an sich” voor de toepassing van het Brzo niet wordt aangemerkt als een gevaarlijke stof.

Ter zitting zijn test- en analyseresultaten van de samenstelling van bedoelde smelt overgelegd. Hieruit blijkt dat:

  • er geen fosfaat en/of kaliumcarbonaat aan de smelt was toegevoegd;
  • de smelt was samengesteld uit 75,65% ammoniumnitraat (hetgeen overeenkomt met een stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat van 26,3 gewichtsprocent) en dolomiet als vulstof, met een zuiverheidsgraad van rond 99%;
  • er geen sprake was van off-specs materiaal, en
  • deze smelt is onderworpen aan een detonatietest met als resultaat dat dit mengsel niet kan detoneren (exploderen).

De officier van justitie heeft deze bevindingen niet weersproken. De rechtbank heeft uit het dossier geen feiten of omstandigheden geconstateerd die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Een en ander betekent dat het vrijgekomen mengsel van vloeibaar ammoniumnitraat met dolomiet (calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat) niet onder één van de hierboven genoemde categorieën ammoniumnitraat kan worden ingedeeld als voorwaarde voor bewijs dat sprake was van een zwaar ongeval in de zin van het Brzo.

Nu niet bewezen kan worden dat dat bij de gebeurtenis één of meer -bepaalde- gevaarlijke stoffen in de zin van het Brzo betrokken waren, kan naar het oordeel van de rechtbank reeds om die reden niet bewezen worden dat op 15 juli 2013 in de inrichting van verdachte, bij het aanmaken van bedoelde smelt in de installatie SA170 in de RePP afdeling, sprake was van een risico dat zich tijdens die bedrijfsuitoefening een zwaar ongeval in de zin van het Brzo zou kunnen voordoen. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het subsidiaire verwijt spitst zich toe op de omstandigheid dat verdachte op 15 juli 2013 geen veiligheidsbeheerssysteem had ingevoerd waarin de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen in de zin van het Brzo aan de orde kwamen ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP ruimte.

Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft vastgesteld was er geen risico dat zich tijdens de bedrijfsuitoefening op 15 juli 2013 een zwaar ongeval in de zin van het Brzo ten aanzien van de installatie SA170 in de RePP ruimte zou kunnen voordoen. Niet is gebleken dat ten aanzien van die installatie op die dag met (andere) gevaarlijke stoffen in de zin van het Brzo werd gewerkt. Er was dan ook naar het oordeel van de rechtbank voor verdachte op de genoemde dag geen verplichting om de identificatie van de gevaren en de beoordeling van de risico's van zware ongevallen als bedoeld in het Brzo vast te leggen.

Verdachte zal daarom ook van het subsidiair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Daarmee kunnen de overige verweren van de verdediging onbesproken blijven.

De rechtbank zal verdachte van de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten vrijspreken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Omgevingswet ook in de Eerste Kamer met ruime meerderheid aangenomen

De Eerste Kamer heeft op dinsdag 22 maart met een ruime meerderheid ingestemd met de Omgevingswet. Op 1 juli vorig jaar stemde de Tweede Kamer al in met de wet die een streep zet door complexe en versnipperde regelgeving.

Minister Schultz van Haegen:

“Dat er nu één wet komt voor de gehele leefomgeving is absoluut een mijlpaal voor Nederland. Ik ben dan ook blij dat na de Tweede Kamer er ook in de Eerste Kamer brede steun is voor de Omgevingswet. Of het nu gaat om een dakkapel of de aanleg van de Tweede Maasvlakte, door regels eenvoudiger te maken geven we bewoners en bedrijven meer ruimte voor innovatie en eigen initiatief. De wet had niet tot stand kunnen komen zonder de betrokkenheid van lokale overheden, de koepels, het bedrijfsleven, wetenschappers en vele anderen partijen. "

Omgevingswet; één wet, één vergunning

In de Omgevingswet worden 26 bestaande wetten opgenomen en het aantal algemene maatregelen van bestuur teruggebracht van 120 naar 4. Deze vermindering van regels moet onder meer leiden tot meer kwaliteit voor de leefomgeving, een grotere keuzevrijheid voor ondernemers, kortere procedures en minder onderzoekslasten. Eén wet, één vergunning.

AMvB’s

De volgende stap in het proces is de uitwerking van de Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s). Hierin worden de afspraken beschreven over bijvoorbeeld het aanvragen van vergunningen, normen over water en geluid en de ruimte om te mogen experimenteren. De AMvB’s gaan op 1 juli in consultatie en worden tegelijkertijd toegestuurd aan de Eerste en Tweede Kamer.

Voordelen Omgevingswet

Met de komst van de Omgevingswet maken de vele bestemmingsplannen plaats voor één omgevingsplan. Een eenvoudig raadpleegbaar plan met alle regels voor de gehele fysieke leefomgeving.

In de Omgevingswet gaat participatie een  belangrijke rol spelen. Door participatie aan het begin van het proces te organiseren ontstaat er meer draagvlak, meer creativiteit en meer betrokkenheid.

Dankzij de Omgevingswet kunnen bewoners en bedrijven eenvoudiger aan- of uitbouwen en bijgebouwen plaatsen of andere kleine bouwwerken aan de achterkant van een het hoofdgebouw neerzetten.  Het vergunningvrij uitbouwen wordt  uitgebreid van 2,5 naar 4 meter.

Dankzij de wet krijgen lokale bestuurders meer ruimte voor initiatieven en lokaal maatwerk.  De Omgevingswet houdt rekening met regionale verschillen, zoals stedelijke groei en bevolkingskrimp. Ook maakt de wet het mogelijk om beter in te spelen op actuele ontwikkelingen, zoals het aanpakken van leegstand.

De Omgevingswet maakt het straks mogelijk om meer te experimenteren, waarmee een oplossing geboden wordt voor nieuwe technische ontwikkelingen die nu vastlopen op  de grenzen van regelgeving.  De  experimenteerbepaling is de wet geeft vernieuwingen een kans door eerst te onderzoeken of ze een verbetering zijn. Positieve ervaringen met het experiment kunnen leiden tot aanpassing van de regelgeving.

 

Documenten

 

Print Friendly and PDF ^

Mulderzaak milieuzone Utrecht. Kantonrechter stelt administratieve sanctie op nihil.

Rechtbank Midden-Nederland 8 februari 2016, ECLI:NL:RBMNE:2016:1129

Aan betrokkene is een sanctie opgelegd van €90. Het gaat om een gedraging, verricht op 14 mei 2015 om 16:22 uur te Utrecht (Sowetobrug/Graadt van Roggenweg) met een personenauto: rijden in strijd met een geslotenverklaring voor motorvoertuigen op meer dan 2 wielen, bord C6 bijlage I RVV 1990.

Betrokkene voert de volgende gronden aan. Betrokkene stelt dat hij op betreffende pleegdatum in Utrecht een persoon wilde ophalen. Bij het inrijden merkte betrokkene een voor hem onbekend bord (C6 met onderbord) op en besloot om het voertuig tot stilstand te brengen om te achterhalen wat het bord inhoudt. Betrokkene stelt dat het hem duidelijk werd, na het lezen van de omschrijving, dat het om een milieuzone gaat en het verbod voor zijn voertuig geldt. Betrokkene stelt dat hij direct is omgekeerd om de milieuzone te verlaten. Betrokkene stelt dat de overheid heeft nagelaten om burgers hiervan op de hoogte te stellen en dat betrokkene dit niet tijdens zijn theorie-examen heeft gehad omdat dit destijds niet van toepassing was. Betrokkene vindt dat hij adequaat gehandeld heeft door uit te zoeken wat het bord inhoudt en hier op juiste wijze heeft gehandeld door de milieuzone te verlaten. Volgens betrokkene is het bord bovendien zeer onduidelijk. Betrokkene verzoekt de kantonrechter om de beslissing van de officier van justitie te herzien.

De officier van justitie heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat het beroep bij de kantonrechter ongegrond is.

De kantonrechter stelt vast dat betrokkene stelt dat er omstandigheden zijn waardoor de administratieve sanctie op nihil of op een lager bedrag had moet worden vastgesteld. De kantonrechter heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de mededeling van betrokkene dat hij, na het zien van het bord (C6 met onderbord), gelijk heeft onderzocht wat het bord voor hem betekende. Betrokkene is door de opgezochte informatie tot de conclusie gekomen dat het bord voor zijn motorvoertuig geldt en heeft adequaat gereageerd door de milieuzone te verlaten. In de aangevoerde omstandigheden ziet de kantonrechter dan ook aanleiding om de sanctie te matigen tot nihil.

Gelet op het voorgaande beslist de kantonrechter als volgt.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Eis: 200.000 boete en gevangenisstraffen voor import verboden gewasbeschermingsmiddelen

Het Openbaar Ministerie (OM) heeft op 23 maart voor de rechtbank in Breda gevangenisstraffen van een jaar – waarvan een half jaar voorwaardelijk- geëist tegen een 46-jarige man uit de gemeente Oosterhout en een 43-jarige man uit de gemeente Monster voor het importeren van meer dan 20.000 kilo in Nederland verboden gewasbeschermingsmiddelen en het vervalsen van etiketten en facturen. Tegen een groothandel uit de gemeente Oosterhout eiste de officier van justitie 200.000 euro boete. Daarnaast heeft het OM op zitting een ontneming van circa 1.000.000 euro aangekondigd. De groothandel in de gemeente Oosterhout heeft – zo blijkt uit onderzoek door de NVWA- in totaal circa 20.500 kilo bitoxybacillin (in de volksmond BN3) en lepidocide afgezet bij rozenkwekers. Beide middelen worden gebruikt voor de bestrijding van spint bij rozen. De middelen zijn niet in Nederland toegelaten. De middelen zouden via Rusland zijn geïmporteerd en door de groothandel zijn omgekat naar ‘bladglans’ dan wel ‘bladvoeding’. Ook de bijbehorende facturen zouden zijn vervalst.

Er mogen in Nederland alleen officieel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen worden verkocht en gebruikt. En dat is niet voor niets, waarschuwde de officier van justitie op zitting: “Het gebruik van niet-toegestane middelen kan een gevaar opleveren voor mens, dier en milieu. Gewasbeschermingsmiddelen bevatten gevaarlijke stoffen. Wanneer schadelijke stoffen aan planten en gewassen verkeerd worden toegediend, kunnen mensen door inademing of contact met de huid schadelijke stoffen binnen krijgen. Of de stoffen kunnen via dieren of grondwater in onze voedselketen terecht komen. De stoffen zijn vaak niet als gevaarlijke illegale stoffen herkenbaar met alle gevaren van dien.” De verkoopprijs in Nederland van illegale gewasbeschermingsmiddelen ligt vele malen hoger dan de inkoopprijs in landen ver weg. Verder is de toelatingsprocedure om een middel op de markt te mogen brengen een tijdrovende en dure aangelegenheid. De handel in illegale middelen zorgt voor concurrentievervalsing. De officier laakte op zitting de houding van verdachten: “Snel veel geld verdienen is belangrijker dan rekening houden met de gevolgen op de middel en lange termijn voor de leefomgeving van mens en dier. Zoals zo vaak worden de gevolgen afgewenteld op de samenleving.” Mede daarom vindt de officier van justitie een gevangenisstraf van een jaar – waarvan een half jaar voorwaardelijk- passend voor de mannen die leiding hebben gegeven aan de strafbare gedragingen. Tegen de groothandel eiste de officier 200.000 euro boete.

Het OM wil ook dat de verdachten het wederrechtelijk verkregen voordeel terugbetalen aan de staat. Op zitting werd een ontnemingsvordering van 988.865 euro aangekondigd voor de groothandel en de 46-jarige eigenaar. De 43-jarige man uit de gemeente Monster hoorde een ontneming van 169.775 euro aankondigen. Tegen drie rozenkwekers die meer dan 1000 kilo van de verboden middelen afnamen, eiste de officier een boete van 2500 euro.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Debat over de Omgevingswet

De Eerste Kamer heeft dinsdag 15 maart 2016 gedebatteerd met minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus (Infrastructuur en Milieu) over de Omgevingswet. Dit wetsvoorstel beoogt het omgevingsrecht te bundelen in één Omgevingswet. De gebiedsgerichte onderdelen van de huidige wetten worden in één wet geïntegreerd met één samenhangend stelsel van planning, besluitvorming en procedures. Op 22 maart 2016 wordt gestemd over het wetsvoorstel en over de vijf moties die tijdens het debat zijn ingediend.

Eeuwenoud complex proces

Senator Flierman (CDA) betoogde dat het proces van vormgeving en regulering van de fysieke omgeving zich eeuwenlang heeft ontwikkeld en sinds de 19e eeuw aanzienlijk complexer is geworden. Hij noemde het een prestatie van formaat dat zulke complexe materie samenhangend in één wetsvoorstel is ondergebracht. De senator vroeg wel of het wetsvoorstel niet te hoge verwachtingen heeft van burgerparticipatie. Ook pleitte hij voor ruimte voor meerdere omgevingsplannen per gemeente Flierman vroeg ook naar de overgangsfase waarin oude bestemmingsplannen moeten samenkomen met het nieuwe geïntegreerde plan en naar het vaststellen van de omgevingswaarde door zowel het Rijk als de gemeente.  Flierman merkte verder op dat het bestuursakkoord tussen IPO, VNG en de waterschappen vermoedelijk minder lang van kracht is dan het wetsvoorstel en vroeg wat er gebeurt als er in de komende jaren een verschuiving van bevoegdheden plaatsvindt. Verder stelde de senator dat een goed functionerende ICT-infrastructuur voor deze wet essentieel is. De minister moet volgens Flierman een sturende bevoegdheid krijgen in het ICT-project. De senator uitte zorgen over de expertise en het budget dat het ministerie hiervoor beschikbaar heeft. Ook vroeg hij in hoeverre het ministerie voldoende ruimte voor bestuurlijke afweging gaat geven aan provincies en gemeenten. Tot slot vroeg Flierman naar het budget voor cultuurverandering bij ambtenaren, bestuurders, belangenbehartigers, volksvertegenwoordigers en anderen.

Parlementair oogje in het zeil

Senator Van Dijk (SGP) betoogde dat de werkelijk belangrijke zaken worden vastgelegd in algemene maatregelen van bestuur (AMvB 's). De wet zelf regelt vooral de procedures en instrumenten. De senator uitte kritiek op het doorschuiven van belangrijke normen voor luchtkwaliteit, waterveiligheid en geluidshinder naar AMvB 's, vooral vanwege het gebrek aan democratische controle hierop. Ook aanpassing van nationale regelgeving door Europese richtlijnen verdient volgens de senator een parlementair oogje in het zeil.  Van Dijk vroeg of de minister op korte termijn kan kijken hoe belangrijke normen en regels in de wet zelf kunnen worden opgenomen, zoals de norm voor hoogwaterbescherming. Van Dijk pleitte ook voor terughoudendheid van de centrale en provinciale overheid bij het inmengen in gemeentelijke plannen voor windmolenparken. Ook vroeg hij hoe kan worden voorkomen dat het Rijk en provincies kinkende omgevingswaarden op papier zetten en vervolgens de uitvoeringsproblemen over de schutting gooien. Tot slot vroeg senator Van Dijk of het wel verstandig is om de onteigeningswet in de Omgevingswet op te nemen als een deel van het onteigeningsverhaal bij de civiele rechter blijft.

Inspraak van burgers

Senator Van Hattem (PVV) betoogde dat noodzakelijke economische ontwikkelingen te vaak door lange procedures gedwarsboomd. Dit gaat ten koste van werkgelegenheid. Hij juichte toe dat het wetsvoorstel inzet op vereenvoudiging van de bestuursrechtelijke procedures. Toepassing van de Omgevingswet kan volgens Van Hattem echter ook leiden tot nog het voller en dichtbevolkter maken van ons land, zoals de verruimde mogelijkheden voor de vestiging van asielzoekerscentra. De senator pleitte voor meer inspraak van omwonenden bij de besluitvorming over de komst van asielzoekerscentra en windturbines. Omwonenden die net iets te ver weg wonen, hebben volgens Van Hattem geen enkele inspraak. De direct omwonenden worden slecht geïnformeerd over de plannen en hebben te weinig tijd om inspraak te leveren. Van Hattem vroeg ook hoe de rechtszekerheid van burgers bij een globaal Omgevingswet toch kan worden gewaarborgd. De senator betoogde dat de Omgevingswet te weinig inzet op burgerparticipatie en te weinig openheid biedt over besluitvorming van de lokale overheid. De senator diende een motie in die de regering verzoekt om in de uitwerking van algemene maatregelen van bestuur geen maatregelen op te nemen die versoepelingen mogelijk maken in de vestiging van asielzoekerscentra, moskeeën en windturbineparken. Minister Schulz ontraadde de motie en gaf aan de inhoudelijke afweging over de bestemming van gebouwen door gemeenten moet worden gemaakt.

Termijn van inwerkingtreding

Senator Meijer (SP) betoogde dat de bekorte termijnen van de inwerkingtreding van een besluit. Dit maakt het moeilijk voor de burger om te participeren en om voor zijn of haar belangen op te komen. Senator Meijer diende een motie in die de regering oproept om de termijn voor inwerkingtreding van omgevingsvergunningen voor onomkeerbare activiteiten te verlengen naar vier weken. De minister gaf aan dat zij vast wil houden aan snelle, inzichtelijke procedures. Zij ontraadde de motie. Als de motie toch wordt aangenomen, zal de minister dit via de Invoeringswet regelen.

De senator uitte ook twijfels over de kinderziektes die het ICT-project (de Laan voor de Leefomgeving) vertoont. Verder vreest de senator dat lokale overheden nog niet klaar zijn voor de Omgevingswet. Het vergt van hen niet alleen veel tijd en moeite, maar ook een cultuuromslag en een aanzienlijke verruiming van hun verantwoordelijkheden. De financiële implicaties hiervan zijn volgens de senator onvoldoende afgedekt. Meijer uitte ook zorgen over de kwaliteit van de leefomgeving, aangezien hier in het wetsvoorstel  geen regels voor zijn vastgelegd. De senator vroeg welke bestuurslaag voor welk kwaliteitsaspect een ondergrens moet bewaken. Tot slot vroeg zij naar de inhoud van de Nationale Omgevingsvisie en hoe deze visie zich verhoudt tot de Structuurvisie Ondergrond.

Zorgen over uitvoeringstraject

Senator Stienen (D66) betoogde dat het van groot belang is dat de Eerste en Tweede Kamer niet buiten spel worden gezet bij het opstellen van de AMvB 's. De senator uitte ook zorgen over de rol van de ICT, doorzettingsmacht van verschillende bestuurslagen en de in het geding zijnde rechtszekerheid bij verkorte termijnen voor inwerkingtreding. De senator complimenteerde de minister met de communicatie over het wetgevingstraject tot nu toe en vroeg of de communicatie ook zo open zal blijven in het uitvoeringstraject. Stienen stelde dat het wetsvoorstel veel kansen biedt voor inspraak van burgers en voor regie van lokale overheden op de inrichting van de publieke ruimte en het beschermen van de gezondheid en veiligheid van hun inwoners. De senator vroeg wel of de bewijslast voor gezondheidsschade komt te liggen bij de overheid, de aanvrager of de burger. Stienen vroeg ook hoe bestuursorganen burgerparticipatie maximaal kunnen organiseren en stimuleren. De senator uitte zorgen over de haalbaarheid van de beoogde cultuurverandering en de effecten van de wet op duurzaamheid en milieu. Er worden in het wetsvoorstel immers geen minimumwaarden vastgelegd voor schoon water, schone lucht en inperking van geluidsoverlast. Stienen vroeg ook aandacht over de grensoverschrijdende aspecten van het wetsvoorstel.

Senator Stienen diende een motie in die de regering verzoekt om bij het opstellen van de Nationale Omgevingsvisie uiteen te zetten hoe er kan worden bijgedragen aan het verwezenlijken van de klimaatdoelen, zoals die zijn vastgesteld in het klimaatakkoord van Parijs 2015. Minister Schulz gaf aan dat zij deze motie ziet als een ondersteuning van het beleid.

Duurzame ontwikkeling

Senator Teunissen (PvdD)  stelde dat het goed is om wetgeving te vereenvoudigen, maar dat dit niet mag leiden tot een aantasting van de positie van de zwaksten. Teunissen vroeg welke bescherming er overblijft  voor schone lucht, een veilige en gezonde leefomgeving en het groen in de steden/dorpen en natuurgebieden. De senator betoogde dat de Omgevingswet regels zou moeten stellen om de diverse klimaatcrises het hoofd te bieden. Volgens de senator had de regering het liefst het parlement geheel buiten spel gezet in het bepalen van de uiteindelijke regels voor bescherming. Pas bij de behandeling van de Invoeringswet kan alles in samenhang worden bekeken en kunnen de effecten worden beoordeeld. Teunissen betoogde dat er vooral ruimte ontstaat voor economische ontwikkeling en niet voor duurzame ontwikkeling. Ook maakt het wetsvoorstel volgens de senator onvoldoende duidelijk welke actieve betrokkenheid er wordt verwacht van burgers en maatschappelijke partners. Teunissen vroeg ook naar de rechtspositie van de burger die voor bescherming van zijn leefomgeving geen beroep kan doen op de rechter. Verder haalde de senator de zorg van de VNG aan, dat er bij veel gemeenten nog onduidelijkheid is over normstellingen. Zij vroeg ook of de regering bereid is om een bepaling over de programmatische aanpak van stikstof op te nemen in het wetsvoorstel.

Ruimtelijk rentmeesterschap

Senator Bikker (ChristenUnie) vroeg in hoeverre het wetsvoorstel een goede invulling biedt van ruimtelijk rentmeesterschap. Veel van wat er in het wetsvoorstel staat wordt uitgewerkt in de Invoeringswet en in vier grote AMvB 's. Er zijn volgens Bikker echter normen die in wetgeving moeten worden vastgelegd, zoals die rond waterveiligheid. Dat basisbeschermingsniveau hoort in de Omgevingswet. De senator vroeg ook of de gewenste toename in burgerparticipatie wel haalbaar is en wie de kwaliteit borgt van informatie die burgers krijgen. Zij haalde hiertoe onder meer de verzwakte positie van regionale omroepen aan.  Er wordt volgens Bikker veel gevraagd van ambtenaren, volksvertegenwoordigers en bestuurders. Over de verkorte termijn van inwerkingtreding merkte de senator op dat dit tot een achteruitgang in de rechtsbescherming leidt.

Wet versus AMvB         

Senator Vos (GroenLinks) stelde dat het wetsvoorstel onvoldoende recht doet aan de medewetgevende rol van het parlement. Zij hekelde dat er veel zaken niet in formele wetgeving zijn vastgelegd. Hier gaat immers een ordende en harmoniserende werking van uit en draagt bij aan de voorspelbaarheid van het overheidsoptreden. Vos pleitte ervoor dat er nationale omgevingswaarden komen voor geluid, geur en CO2. Zij bepleitte ook een verplichte provinciale omgevingswaarde voor landschap. De senator vroeg de minister om te garanderen dat het beschermingsniveau bij vergunningverlening gelijk blijft. Gemeenten hebben immers veel ruimte in de beoordeling van een aanvraag. De verdeling van taken en bevoegdheden tussen overheden is volgens de senator onduidelijk en met te weinig waarborgen omkleed. De provincie zou een instemmingsrecht moeten hebben bij het verlenen van omgevingsvergunningen. Zij betreurde dat het beoordelen van een vergunningsaanvraag 'in samenhang' in het nieuwe wetsvoorstel is geschrapt. In de nieuwe wet kan bovendien langdurig worden afgeweken van natuur- en milieunormen. De vier AMvB 's beslaan volgens de senator honderden pagina's, die vrijwel door niemand te doorgronden zijn.

Senator Vos diende een motie in die de regering verzoekt de beoordelingsregels voor omgevingsvergunningen in de uitvoeringsregelgeving zoveel mogelijk ongewijzigd over te nemen uit de huidige wet- en regelgeving en ervoor te zorgen dat er geen verslechtering van het beschermingsniveau optreedt. Minister Schulz gaf aan dat er ruimte nodig is voor harmonisatie van regelgeving maar dat zij de motie verder ziet als ondersteuning van het beleid.

Senator Vos diende een tweede motie in die de regering verzoekt instructieregels als vangnet op te nemen in de uitvoeringsregels, zodat decentrale overheden verplicht worden om regels te stellen voor geluid, geur, landschappelijke waarden en natuur.  Minister Schulz gaf aan dat hier instructieregels voor komen en dat zij de motie dus ziet als ondersteuning van het beleid. Voor landschapswaarden geldt dit alleen voor erfgoed.

Normstelling

Senator Verheijen (PvdA) vroeg welke tijdswinst er geboekt wordt als het parlement inhoudelijk betrokken wil zijn bij de normstelling in AMvB 's. Er had dan immers net zo goed gestreefd kunnen worden naar normstelling in de wet. Volgens Verheijen vereist de noodzakelijke ICT-voorziening een forse, financiële technische en operationele inzet van alle betrokkenen. Hij vroeg welke eisen de minister stelt aan decentrale overheden voor het op orde brengen van hun inbreng bij het ICT-portaal. Bestaande kennis van omgevingsrecht wordt volgens de senator grotendeels onbruikbaar. Verheijen gaf aan dat hij zorgen heeft over de honderden kleine gemeentes die hier mee te kampen krijgen en vroeg of er wellicht behoefte is aan de Transitie-autoriteit zoals in het sociale domein. Verder vroeg de senator of er in het te sluiten bestuursakkoord ook aandacht zal zijn voor de handhaving- en toezichtkosten. Ook vroeg Verheijen aandacht voor de balans tussen flexibiliteit en bescherming. Hij vroeg de minister om integraliteit in de besluitvorming te waarborgen. Hij bepleitte verder dat EU-rechtsbeginselen zoals 'de vervuiler betaalt' en 'bronaanpak' in omgevingsplan en verordening worden opgenomen, net als het thema gezondheid. Tot slot

Kansen voor de toekomst

Senator Jorritsma-Lebbink (VVD) complimenteerde de minister met het brede draagvlak voor dit wetsvoorstel. De rechtszekerheid is volgens Jorritsma in de nieuwe situatie beter geborgd dan in de  oude situatie. Bovendien biedt het wetsvoorstel veel kansen voor de overheid om beter te worden in het betrekken van burger bij besluit- en beleidsvorming in de publieke ruimte. Er zijn echter grenzen aan burgerparticipatie: het is volgens de senator niet zo dat iedere burger de gemaakte keuze hoeft te steunen. Jorritsma gaf aan dat zij zeer hecht aan de mogelijkheid om in dichtbevolkte gebieden aparte kwaliteitscriteria te hanteren voor de leefomgeving. Hier moeten lokale overheden de verantwoordelijkheid voor krijgen; landelijke kwaliteitsnormen zijn volgens de senator onmogelijk. Er moet volgens Jorritsma sprake zijn van een aanmerkelijk bovenlokaal belang om te rechtvaardigen dat de centrale of provinciale overheid zich mengt in lokaal beleid. De senator betoogde dat het belangrijk is om dat het parlement bij de behandeling van de AMvB 's, de aanvullingswetgeving en de Invoeringswet niet allerlei aanscherpingen gaat doorvoeren.

Eenvoudiger, inzichtelijker, beter

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus (Infrastructuur en Milieu) betoogde dat het doel van de stelselherziening ligt in het vereenvoudigen en inzichtelijker maken van regelgeving. Zij haalde aan dat er al ongeveer 30 gemeentes zijn die met deze wet aan het experimenteren zijn. Een groot voordeel van dit wetsvoorstel is dat het ruimte biedt voor een eigen afweging op lokaal niveau. Ook verbetert en versnelt het wetsvoorstel de besluitvorming voor grote projecten in de fysieke ruimte en wordt de onderzoek last verminderd.  De stelselherziening vereist volgens de minister wel een belangrijke cultuurverandering.

Het participatieproces zal per regio verschillend worden ingevuld. De waarschuwing van het SCP dat er niet teveel mag worden verwacht zal de minister onder andere betrekken bij haar Nationale Omgevingsvisie. Het wordt voor burgers in elk geval makkelijker om toegang te krijgen tot informatie. Over de inspraak ten aanzien van bijvoorbeeld asielzoekerscentra merkte de minister op hier een kenbare, toegankelijke uitnodiging voor komt. Er wordt echter ook van burgers zelf verwacht om alert te zijn op mogelijkheden voor inspraak.

Over het vastleggen van kwaliteitsnormen in AMVB 's stelde de minister dat deze normen nu in een veelvoud van regels zijn vastgelegd. De bedoeling is om al deze regels te bundelen in vier AMvB 's. Het voordeel hiervan is dat Europese regelgeving tijdig kan worden doorgevoerd. Na het vaststellen van de AMvB 's kan er inhoudelijk worden gediscussieerd over de normstellingen, aldus de minister. Dit is niet alleen efficiënter maar biedt ook meer mogelijkheden voor maatwerk.

De beroep- en bezwaarmogelijkheden veranderen onder deze wet niet, stelde de minister. De termijn voor de inwerkingtreding van besluiten worden in het wetsvoorstel verkort van 6 naar 2 weken. Als binnen twee weken beroep of bezwaar wordt ingesteld, wordt het besluit geschorst en treedt het (nog) niet in werking. Ook na die termijn kan er door de rechter worden besloten dat het besluit geschorst moet worden.

De minister betoogde dat het wetsvoorstel geen essentiële wijzigingen maakt in de verdeling van bevoegdheden van rijk, provincies en gemeenten. Het biedt juist instrumenten voor gebiedsgerichte coördinatie. Centraal staat dat de bevoegdheid decentraal is, tenzij er zwaarwegende redenen te zijn om dat anders te regelen. Overheden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het voldoen aan omgevingswaarden. De afspraken met VNG, IPO en de waterschappen over dit wetsvoorstel zijn volgens de minister constructief tot stand gekomen.

Print Friendly and PDF ^

Bedoeling Flora- en Faunawet: niet meer dan 2 jachthouders voor dezelfde grond. Verdachte mocht jagen. Vrijspraak.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 februari 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:1862

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 26 oktober 2013 te Nagele, gemeente Noordoostpolder, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, als houder van een jachtakte een geweer heeft gedragen en/of laten dragen op gronden, te weten op de percelen E17 en E18, waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers

a. kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet het genot van de jacht was verhuurd aan twee huurders en was/waren hij/zij dus niet gerechtigd daar een geweer te (laten) dragen,

en/of

kwam hem en/of zijn medeverdachte(n) het genot van de jacht daar niet toe, omdat in strijd met artikel 49 Flora- en faunawet er werd gejaagd op een jachtveld dat niet voldeed aan de eisen van artikel 10 en 11 van het Jachtbesluit, immers werd er met meerdere jachthouders gejaagd en/of liet(en) verdachte(n) meerder jachthouders jagen op een jachtveld van 45 hectaren.

Geldigheid van de inleidende dagvaarding

In de eerste vier regels en onder sub b is aan verdachte tenlastegelegd - kort weergegeven - dat hij een geweer heeft gedragen op gronden waarop hij niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was, immers kwam hem als jachthouder het genot van jacht daar niet toe omdat er werd gejaagd op een jachtveld dat niet aan de wettelijke eisen voldeed.

Het hof is van oordeel dat het in de eerste vier regels en onder sub b tenlastegelegde innerlijk tegenstrijdig is. Verdachte was uit hoofde van het jachthouderschap gerechtigd tot het genot van de jacht (art. 1 in samenhang met artikel 33 en 34 van de Flora- en faunawet) op bedoelde percelen. Dat verdachte dat genot mogelijkerwijs niet mocht uitoefenen omdat het jachtveld niet zou voldoen aan de door de wet gestelde eisen, maakt dat niet anders.

Het hof zal de inleidende dagvaarding daarom, voor zover het betreft het onder sub b tenlastegelegde, nietig verklaren.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder sub a tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

In het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Bij schriftelijke overeenkomst, gedagtekend 22 maart 2010, hebben verdachte en betrokkene 1 het genot van de jacht van betrokkene 2 gehuurd. Blijkens die huurovereenkomst zijn de huurders gerechtigd tot het genot van de jacht op de gronden J17 en J18, waarvan betrokkene 2 eigenaar is.

Artikel 1 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

jachthouder: degene die overeenkomstig het in de artikelen 33 of 34 bepaalde gerechtigd is tot het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht;

Artikel 33 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

Gerechtigd tot het genot van de jacht is:

a. de eigenaar van de grond indien niet ingevolge het in onderdeel b of c bepaalde de erfpachter, vruchtgebruiker, beklemde meier of pachter gerechtigd is tot het genot van de jacht en voorzover het genot van de jacht niet is verhuurd;

de huurder van het genot van de jacht voorzover hij dat overeenkomstig artikel 34, eerste lid, heeft gehuurd (…);

Artikel 34 van de Flora- en faunawet luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

1. Degene die ingevolge het bepaalde in artikel 33, onderdeel a, b of c, gerechtigd is tot het genot van de jacht, kan dat genot geheel of gedeeltelijk aan één ander verhuren, mits bij een schriftelijke en gedagtekende huurovereenkomst.

Uit het eerste lid van artikel 34 volgt dat het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht aan ‘één ander’ kan worden verhuurd. Aangezien zowel verdachte als betrokkene 1 hebben getekend als huurders van het genot van de jacht, ziet het hof zich voor de vraag gesteld of er - in het onderhavige geval - sprake is van een geldige overeenkomst.

Uit de memorie van toelichting volgt het volgende.

‘De jachthouder kan, voor zover hij het genot van de jacht op de betreffende grond niet heeft gehuurd, dat recht geheel of gedeeltelijk overdragen aan één ander door middel van gedagtekende en schriftelijke overeenkomsten van huur en verhuur van de jacht, aangezien het jachtrecht een vermogensrecht in de zin van artikel 1585 van het Burgerlijk Wetboek (Boek 7A) is. Kiest hij voor gedeeltelijke verhuur van het jachtrecht, dan kan hij daarnaast niet nog een ander gedeelte van het jachthouderschap op de betreffende grond overdragen.

Anders dan thans het geval is, is het degene die het gehele of gedeeltelijke genot van de jacht heeft gehuurd, niet toegestaan het door hem gehuurde genot van de jacht in gedeelten te verhuren. Wanneer het genot van de jacht in te veel delen wordt opgesplitst, bijvoorbeeld per wildsoort of groep van wildsoorten, per periode of per middel, dan zouden op hetzelfde stuk grond verschillende jachthouders aanwezig zijn met elk een eigen verantwoordelijkheid. Zo'n situatie komt de samenhang in de uitvoering van het wildbeheer niet ten goede. Hij die slechts een gedeeltelijk jachthouderschap bezit, kan het gedeelte dat hij bezit slechts in zijn geheel weder verhuren. Op deze wijze zijn er nooit meer dan twee jachthouders op dezelfde grond. De mogelijkheid van een gedeeltelijke verhuur van het jachthouderschap is gehandhaafd om terreinbeherende instanties de mogelijkheid te bieden

een deel van het wildbeheer te verhuren en een ander deel in eigen beheer te houden’.

Het hof begrijpt de strekking van artikel 34, eerste lid, van de Flora- en faunawet tegen de achtergrond van de memorie van toelichting aldus dat de wetgever het onwenselijk acht dat er meer dan twee jachthouders voor dezelfde grond zijn.

In de onderhavige casus is als gevolg van de huurovereenkomst sprake van twee jachthouders, te weten verdachte en betrokkene 1. Ingevolge het bepaalde in artikel 1 in samenhang met artikel 33, onder a, is eigenaar betrokkene 2 immers geen jachthouder meer.

Naar het oordeel van het hof verdraagt dit zich met de bedoeling van de wet en moet in een geval als het onderhavige aan het woord “één” in “één ander” niet zodanige betekenis worden toegekend dat niet meer dan één persoon huurder kan zijn. Het hof merkt nog op dat er in de Nota van toelichting op het Jachtbesluit ook van uit wordt gegaan dat er van méér dan één huurder sprake kan zijn in een huurovereenkomst.

Gelet op het vorenstaande acht het hof niet bewezen dat verdachte niet tot het gebruik van een geweer gerechtigd was op de percelen E17 en E18 en hem het genot van de jacht daar niet toekwam. Het hof zal verdachte derhalve vrijspreken van het hem onder a tenlastegelegde.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens bodemverontreiniging

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 maart 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:883 Verdachte wordt ter zake van overtreding van artikel 13 van de Wet bodembescherming veroordeeld tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Verdenking

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij in of omstreeks de periode van 19 januari 2010 tot en met 29 april 2010 te [vestigingsplaats] , in de [gemeente] , samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) op of in de bodem (in de directe omgeving) van een aan de [adres] gelegen inrichting, (een) handeling(en) heeft verricht, te weten het (telkens) brengen of doen uitstromen van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op en/of in de bodem, terwijl zij en/of haar mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) kunnen vermoeden, dat door die handeling(en) de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast, en toen, al dan niet opzettelijk, (telkens) niet aan haar/hun verplichting heeft/hebben voldaan alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van haar/hen konden worden gevergd, teneinde die verontreiniging en/of aantasting te voorkomen dan wel, terwijl die verontreiniging en/of aantasting zich voordeed, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken, immers heeft zij, samen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

  • Op 19 januari 2010 plassen met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH 005, pag. 137 e.v.);
  • Op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 een plas met (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater en/of ander verontreinigd afvalwater op de onbeschermde bodem (in de directe omgeving) van dat terrein gebracht, althans laten staan (zaaksdossier 01, AH-047, pag. 246 e.v.);

2. zij op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met een ander, althans anderen, althans alleen, zonder vergunning, al dan niet opzettelijk, met behulp van een werk, te weten een pijp en/of een afvoer van een bedrijfsriool, een hoeveelheid afvalwater en/of verontreinigd terreinwater en/of percolaat, zijnde (een) afvalstof(fen), verontreinigende en/of schadelijke stof(fen) heeft gebracht in een sloot op of nabij het bedrijfsterrein aan de [adres] aldaar gelegen inrichting, zijnde een oppervlaktewater (zaaksdossier 01, AH 003, pag. 15 e.v.);

3. zij in of omstreeks de periode van 15 december 2009 tot 3 februari 2010 te [vestigingsplaats] , [gemeente] , tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder vergunning een in of op het perceel aan de [adres] gelegen inrichting voor de opslag, overslag en het bewerken van grondstoffen, bouwstoffen, afvalstoffen en mest en loonwerk en aanverwante werkzaamheden, waartoe een gpbv-installatie behoort, zijnde een inrichting genoemd in Categorie 28 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage I, althans een inrichting als bedoeld in bijlage I en/of III van voornoemd besluit, heeft veranderd en/of de werking daarvan heeft veranderd, immers heeft zij tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, zonder vergunning

  • op of omstreeks 16 december 2009 een hoeveelheid varkensmest, althans afvalwater, gestort op een op die inrichting gelegen hoeveelheid puin (zaaksdossier-01, AH 37, pag. 93 e.v.) en/of
  • 29 januari 2010 en/of 3 februari 2010 een of meer containers door middel van een slang aangesloten (via een controlevoorziening van de olie/benzineafscheider) op de gemeentelijke riolering waardoor (bedrijfs)afvalwater op die riolering werd geloosd (zaaksdossier 01, AH06, pag. 158 e.v. + AH010 pag. 181 e.v.);

4. zij op of meer tijdstippen in de periode van 17 september 2009 tot en met 23 september 2009 te [vestigingsplaats] , [gemeente], al dan niet opzettelijk, zonder vergunning ingevolge de Wet verontreiniging oppervlaktewateren op andere wijze dan met behulp van een werk, een hoeveelheid (onder meer meststoffen bevattend) afvalwater, zijnde afvalstoffen, verontreinigende en/of schadelijke stoffen, heeft gebracht in een of meer (kavel)sloten, zijnde (een) oppervlaktewater, door deze stoffen daarin te storten en/of te pompen en/of te doen afvloeien.

De verdediging heeft bepleit:

  • primair dat verdachte integraal zal worden vrijgesproken;
  • subsidiair dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de strafvervolging ten aanzien van de onder 2 en 4 ten laste gelegde overtredingen.

Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten

Door de verdediging is een beroep gedaan op uitsluiting van het bewijs van de resultaten van het onderzoek omdat de Aanwijzing bemonstering en analyse milieudelicten op cruciale punten niet is nageleefd.

Het hof overweegt het volgende.

Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op bewijsuitsluiting omdat zich in het vooronderzoek een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv heeft voorgedaan kan dit verweer niet slagen. Door de verdediging is niet aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren gemotiveerd aangevoerd om welke redenen de gestelde niet-naleving van de Aanwijzing tot bewijsuitsluiting zou moeten leiden. Bovendien bevat de Aanwijzing instructienormen voor de opsporende en toezichthoudende ambtenaar. In de Aanwijzing wordt de procedure aangegeven die gevolgd dient te worden bij het nemen en analyseren van monsters bij de opsporing van milieudelicten en deze procedure wordt aanbevolen voor bemonstering en analyse in het kader van toezicht. Bij de controle op de naleving van de Waterwet op 19 januari 2010 zijn geen monsters genomen doch zijn uitsluitend veldmetingen uitgevoerd met behulp van een geleidbaarheidsmeter. De Aanwijzing is hierop niet van toepassing. Er is dan ook geen sprake van een vormverzuim in de zin van art. 359a Sv.

Voor zover door de verdediging de betrouwbaarheid van de verkregen onderzoeksresultaten wordt betwist overweegt het hof het navolgende.

Het proces-verbaal bevat de met behulp van een geleidbaarheidmeter verkregen resultaten van veldmetingen.

Het hof stelt het volgende voorop. De enkele omstandigheid dat in het proces-verbaal de door de verdediging genoemde gegevens (pleitnota pagina 3) niet zijn vermeld, brengt nog niet mee dat de met de veldmetingen verkregen resultaten niet voldoende betrouwbaar zijn.

Door de deskundige ir. T. Edelman is gerapporteerd dat het geleidingsvermogen van een vloeistof in het veld eenvoudig kan worden bepaald met een draagbare geleidbaarheidsmeter. Uit eigen ervaring weet de deskundige dat geleidbaarheidsmetingen eenvoudig en robuust zijn en dat er weinig mis kan gaan. De deskundige concludeert voorts, na een vergelijking met uitkomsten van laboratoriummetingen, dat de veldmetingen in andere onderzoeken voldoende betrouwbaar zijn geweest, hetgeen, zo begrijpt het hof, ook geldt voor de veldmetingen die op 19 januari 2010 zijn gedaan.

Het hof acht, in aanmerking genomen hetgeen door de deskundige is gerapporteerd, de resultaten van de veldmetingen voldoende betrouwbaar om tot bewijs te dienen.

Het hof verwerpt het verweer.

Feit 1, eerste gedachtestreepje

Door verbalisant is onder meer gerelateerd dat hij op 19 januari 2010 een controle uitvoerde aan de zuid-westzijde van het bedrijf van verdachte. Hij zag dat het bedrijf was omgeven door een hoge aarden wal. Op die wal was een bruin spoor van afstroming zichtbaar. Achter de aarden wal lag een composthoop welke boven de wal uitstak. Op het pad tussen de wal en de spoorsloot lagen plassen met donkerbruin gekleurde vloeistof. De EGV-waarden van de plassen varieerden tussen 3.080 en 19.630 micro-siemens per centimeter. Op de wal zag hij plasjes donkerbruin gekleurde vloeistof met een EGV-waarde van 24.500 micro-siemens per centimeter.

Het onderzoek bevat onvoldoende gegevens om te concluderen dat hier sprake is geweest van (varkens)mest en/of verontreinigd mestwater. Wel acht het hof bewezen dat sprake was van verontreinigd afvalwater op grond van het navolgende.

Afvalwater is alle water waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Ervan uitgaande dat, zoals door de verdediging is gesteld, sprake is geweest van afstroming van regenwater van de composthoop waardoor buiten de inrichting op het pad plassen zijn ontstaan, is dit afgestroomde water, nu de verdachte dit heeft laten wegstromen en zich er derhalve van heeft ontdaan, aan te merken als afvalwater.

Uit de resultaten van de veldmetingen blijkt dat de EGV-waarden van de plassen vloeistof vele malen hoger was dan de EGV-waarde van niet-verontreinigd oppervlaktewater. Gelet hierop en gelet op de waarnemingen van de verbalisant dat het ging om donkerbruine vloeistof, acht het hof bewezen dat het afvalwater verontreinigd was. Verdachte heeft dit afvalwater doen uitstromen op of in de bodem; daardoor kon de bodem worden verontreinigd en/of aangetast.

Het hof verwijst in dit verband nog naar het rapport van de deskundige Edelman. De deskundige rapporteert dat op basis van het verrichte onderzoek strikt genomen geen bodemverontreiniging kan worden aangetoond nu immers de bodem niet is onderzocht, doch dat daarmee wel een dreigende bodemverontreiniging is aangetoond. Voorts merkt de deskundige op dat een hoge elektrische geleidbaarheid van een vloeistof het gevolg is van een hoog gehalte aan opgeloste zouten; bij een hoog gehalte aan opgeloste zouten in de bodem is sprake van bodemverontreiniging.

Anders dan de verdediging lijkt te veronderstellen is het laten wegstromen van het – verontreinigd – afvalwater op of in de bodem niet een gedraging die op grond van het Activiteitenbesluit was toegestaan. Het hof wijst er in dit verband op dat voorschrift 4.11, derde lid, van het Besluit niet ziet op een composthoop.

Nu het water kennelijk afkomstig was van een achter de aarden wal gelegen composthoop acht het hof eveneens bewezen dat verdachte wist, althans redelijkerwijs had kunnen vermoeden, dat door het laten wegstromen van het afvalwater de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast. Hetgeen de verdediging dienaangaande verder heeft aangevoerd (zoals de omstandigheid dat bij een later onderzoek niet is gebleken van bodemverontreiniging, de bodem een zeker ‘herstellend vermogen’ heeft) leidt niet tot een ander oordeel. Voor een bewezenverklaring is voldoende dat uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de bodem kon worden verontreinigd en/of aangetast.

Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte de impliciet subsidiair ten laste gelegde overtreding heeft begaan.

Feit 1, tweede gedachtestreepje 

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan moet worden vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Uit het proces-verbaal blijkt dat de verdenking is gerezen dat verdachte op 27 april 2010 en/of 29 april 2010 mest, mestwater of verontreinigd afvalwater loosde of liet staan op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein en dat in dit verdiepte deel sprake was van een onbeschermde bodem.

Namens de verdachte is aangevoerd dat er geen lozing op het verdiepte deel van het bedrijfsterrein plaatsvond maar dat het water juist uit het verdiepte deel naar een van de bassins werd verpompt.

Het hof heeft uit het onderzoek niet de overtuiging gekregen dat sprake was van mest of mestwater. Het hof verwijst daarvoor onder meer naar het briefrapport van dr. ir. N.W.M. Ogink van 30 augustus 2013 waaruit blijkt dat een geurherkenning niet steeds betrouwbaar is.

Voorts zijn de in het proces-verbaal door de verbalisanten weergegeven bevindingen niet voldoende om het verweer van de verdachte dat het water juist naar een van de bassins werd verpompt, te weerleggen.

Derhalve zal het hof de verdachte van dit onderdeel van het onder 1. ten laste gelegde vrijspreken.

Feit 2

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand december 2009 via een pijp en via een afvoer van het bedrijfsriool afvalwater van het bedrijfsterrein in de kavelsloot stroomde.

Op 4 december 2009 werd geconstateerd dat afvalwater in een pijp stroomde en werd geloosd op een kavelsloot. De dop die eerder op de pijp was aangebracht bevond zich niet meer op de pijp. Namens verdachte is aangevoerd dat de pijp eerder afgedopt was en dat buiten de schuld van verdachte de dop op enig moment van de pijp is geraakt.

Op 15 december 2009 werd na onderzoek van lozingsputten geconstateerd dat via een afvoer afvalwater werd geloosd in een kavelsloot. Namens verdachte is aangevoerd dat de constructie van de riolering waardoor een overloop in het schoonwaterriool plaats kon vinden niet aan haar bekend was.

Uit het onderzoek zijn voldoende aanwijzingen verkregen dat beide keren sprake was van het zonder vergunning lozen van afvalwater in de kavelsloot. Uit het onderzoek is echter niet voldoende gebleken dat bij verdachte sprake was van (voorwaardelijk) opzet, zodat verdachte van dit onderdeel en derhalve van het (telkens) impliciet primair tenlastegelegde misdrijf zal worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen van artikel 1 van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren.

Ontvankelijkheid feit 2, impliciet subsidiair

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd op of omstreeks 4 december 2009 en/of 15 december 2009.

De eerste daad van vervolging is het uitbrengen van de inleidende dagvaarding van verdachte op 8 januari 2013. Hiertussen is een periode gelegen van meer dan drie jaar.

Hieruit volgt dat, gelet op artikel 70, aanhef en onder 1°, in relatie tot artikel 72, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, de zaak is verjaard en het recht tot strafvordering is vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging ter zake van de onder 2. ten laste gelegde overtredingen.

Feit 3

Het hof acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3. ten laste gelegde heeft begaan, zodat zij daarvan wordt vrijgesproken. Daartoe overweegt het hof als volgt.

Het dossier bevat aanwijzingen dat op of omstreeks 16 december 2009 varkensmest of afvalwater op een hoeveelheid puin is gestort en dat op 29 januari 2010 en 3 februari 2010 bedrijfsafvalwater op de gemeentelijke riolering werd geloosd en dat daarmee in strijd werd gehandeld met de vergunning.

Het hof acht evenwel niet bewezen dat sprake is geweest van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting. Uit het onderzoek zijn onvoldoende aanwijzingen naar voren gekomen waaruit kan worden afgeleid dat de gedragingen een zodanig - min of meer structureel - karakter hadden dat van het veranderen van de inrichting dan wel van de werking van de inrichting gesproken kan worden.

Feit 4

Uit onderzoek is gebleken dat in de maand september 2009 (verontreinigd) afvalwater is uitgereden op een maisveld en dat een deel van dat water in een kavelsloot is afgevloeid.

Namens de verdachte is aangevoerd dat het maisland was voorzien van een infiltratiesysteem en dat verdachte nimmer de intentie heeft gehad het water in de sloot te lozen.

Het hof overweegt het volgende.

Het onderzoek levert onvoldoende aanwijzingen op om te concluderen dat verdachte opzettelijk (verontreinigd) afvalwater in de kavelsloot heeft gebracht door deze daarin te doen afvloeien. Dat afvalwater is afgevloeid in de kavelsloot is wel te wijten aan onzorgvuldig en onachtzaam handelen van verdachte maar niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet.

Verdachte zal dan ook van het impliciet primair tenlastegelegde misdrijf worden vrijgesproken.

Nu opzet niet kan worden bewezen is op grond van artikel 2 van de Wet op de economische delicten geen sprake van een misdrijf en dient het hof een oordeel te geven over de aan verdachte ten laste gelegde overtredingen.

Feit 4, impliciet subsidiair 

Ten laste gelegd is dat de overtredingen zijn gepleegd in de periode van  17 september 2009 tot en met 23 september 2009.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de eerste daad van vervolging is de zaak verjaard en het recht tot strafvordering daarmee komen te vervallen.

Dientengevolge zal het hof de officier van justitie ook voor dit onderdeel niet ontvankelijk verklaren in de strafvervolging.

Bewezenverklaring

  • Het door een rechtspersoon begaan van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 13 van de Wet bodembescherming.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 1.800 waarvan € 1.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte wordt verweten dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat AFFF (blusmiddel gebruikt op boorplatforms) in de Noordzee werd geloosd

Rechtbank Amsterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1138 Verdachte wordt verweten, dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF, een blusmiddel dat wordt gebruikt op boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. De vraag die de rechtbank beoordeelt, is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (Mbb) valt en het een lozing betreft die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie.

De aan verdachte ten laste gelegde zaken betreffen alle hetzelfde verwijt, namelijk dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF (Aqueous Film Forming Foam), een middel dat wordt gebruikt in het blussysteem op mijnbouwinstallaties, te weten boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. Een belangrijk discussiepunt in deze zaak is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb) valt, zoals het Openbaar Ministerie betoogt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze rechtsvraag beantwoord te worden in het kader van het onderzoek of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden, nu om tot bewezenverklaring te komen een lozing van AFFF moet worden aangemerkt als een lozing die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie. De rechtbank zal daarom, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de afzonderlijke zaken te komen, eerst deze rechtsvraag beoordelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die onder artikel 81 Mbb valt. De officier van justitie heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Met artikel 81 Mbb heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de op het OSPAR-verdrag (hierna: OSPAR) gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3, en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. Voor bepaalde stoffen of preparaten zal een absoluut lozingsverbod gelden. Die stoffen en preparaten worden, krachtens artikel 81, derde lid, bij de Mijnbouwregeling aangewezen. In de Mijnbouwregeling wordt verder opgenomen dat de lozing van overige stoffen uitsluitend is toegestaan met instemming van de minister.

Verdachte stelt dat artikel 81 Mbb zo moet worden gelezen dat het daarin omschreven verbod op lozing niet geldt voor AFFF. Dit artikel zou alleen zien op lozingen die samenhangen met het normale gebruik van de installatie en voor chemicaliën gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Zij verwijzen hiertoe naar de definitie van chemicaliën in artikel 9.2.1. onder f van de Mijnbouwregeling, te weten stoffen of preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen op zee, zoals in elk geval genoemd in OSPAR-akkoord 2002/6.

Blusmiddelen worden evenwel gebruikt voor de veiligheid en het behoud van een boorplatform en het personeel dat daarop werkzaam is. Zonder blusmiddelen is het onmogelijk om een goed werkend platform te hebben en is geen winning en opsporing van delfstoffen mogelijk. Daarom wordt een blusmiddel, zoals AFFF, wel degelijk gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen.

Overigens volgt deze conclusie ook uit het feit dat artikel 80 en 81 Mbb voortvloeien uit artikel 49 van de Mijnbouwwet. Daarin staat immers dat nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot onder andere het opsporen en winning van delfstoffen.

Hoewel blusmiddelen in OSPAR expliciet zijn uitgezonderd van het Harmonised Mandatory Control System (hierna: HMCS), betekent dat niet dat OSPAR in het geheel niet van toepassing is op stoffen zoals AFFF. Artikel 2 van OSPAR schept namelijk de verplichting om alle mogelijke maatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen. Partijen moeten ervoor zorgen dat preventieve maatregelen worden genomen wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat stoffen die in het mariene milieu worden gebracht, kunnen leiden tot schade aan het ecosysteem. Artikel 81 Mbb is een implementatie van OSPAR en hiermee wordt dus een maatregel genomen om schade aan het ecosysteem te voorkomen. Artikel 81 geeft dus een algemene zorgplicht ten aanzien van alle lozingen vanaf een mijnbouwinstallatie en geldt onverkort voor blusmiddelen zoals AFFF.

Overigens volgt uit de definitie van chemicaliën zoals omschreven in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling dat dat in elk geval stoffen of preparaten zijn die genoemd zijn in het OSPAR-verdrag. ‘In elk geval’ sluit dus niet uit dat ook stoffen die daarin niet worden genoemd onder deze definitie kunnen vallen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die niet onder artikel 81 Mbb valt. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Volgens de Nederlandse regelgever is artikel 81 Mbb, met artikel 80 en 83, een implementatie van OSPAR en een aantal daarop gebaseerde besluiten, waaronder OSPAR Decision 2000/2. De uitleg, die aan OSPAR en de bijbehorende systematiek van de OSPAR Decisions, de OSPAR Recommendations en de OSPAR Common Interpretations moet worden gegeven, bepaalt daarom direct en exclusief het bereik van artikel 81 Mbb. Dat artikel is immers de implementatie van alle daarmee corresponderende OSPAR-regelgeving.

Dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op het lozen van blusschuim, blijkt uit de ‘Common Interpretation on which Chemicals are Covered and not Covered by the Harmonised Mandatory Control System under OSPAR Decision 2000/2’ (hierna: Common Interpretation), waarin wordt bepaald welke ‘offshore chemicals’ wél en welke ‘offshore chemicals’ niet onder OSPAR Decision 2000/2 vallen. In deze ‘Common Interpretation’ staat dat de beperkingen voor lozingen die gelden op grond van OSPAR niet gelden voor, onder andere, ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’. Blusschuim valt dus niet onder OSPAR Decision 2000/2. De stoffen die wel onder het controlesysteem uit OSPAR Decision 2000/2 vallen, zijn blijkens alinea 2 uit de genoemde Common Interpretation de chemicals “which are used in the actual exploration, exploitation and associated offshore processing of oil, gas and condensate within the OSPAR Convention Area.” Dit is in artikel 81 Mbb geïmplementeerd door het artikel te beperken tot “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen (...).” Blusschuim kan niet worden aangemerkt als een dergelijke stof, want blusschuim wordt niet gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Een blusschuimlozing is geen met het ‘normale gebruik’ van een installatie samenhangende lozing. Een blusschuimlozing is ook geen uit het ‘normale gebruik’ van een installatie voortvloeiende lozing; een blusschuimlozing vloeit niet voort uit de winning en behandeling van delfstoffen.

Er is geen aanleiding om van een ruimere lezing uit te gaan. Rechtspraak, die artikel 81 Mbb verruimt, bestaat niet en de wetgever zelf heeft bij de toelichting op het Mijnbouwbesluit evenmin gesproken over een ruimere toepassing in Nederland dan waartoe de OSPAR-landen voor de Noordzee hebben besloten.

Er kan dus niet worden bewezen dat het gaat om “lozingen van andere dan in artikel 80 Mbb genoemde stoffen en/of andere verontreinigende dan wel schadelijke stoffen”, dat sprake is van “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen” en dat verdachte “niet zodanige maatregelen heeft genomen dat verontreiniging van oppervlaktewater zo veel mogelijk werd voorkomen”. Verdachte moet daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de toelichting bij de artikelen 80 en 81 Mbb blijkt dat met die artikelen twee verdragen worden geïmplementeerd die strekken tot bescherming van de zee. Het gaat om het MARPOL-verdrag en OSPAR. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is alleen dat laatste verdrag relevant. Uit de toelichting blijkt voorts dat door middel van artikel 81 uitvoering wordt gegeven aan de op OSPAR gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3 en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. OSPAR Decision 2000/2 is nader uitgelegd in de Common Interpretation. Die Common Interpretation moet dus als uitgangspunt gelden bij de beoordeling van de vraag welke stoffen onder het HMCS van OSPAR Decision 2000/2 vallen.

Uit de Common Interpretation blijkt dat ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’ niet onder het HMCS vallen. Nu artikel 81 Mbb onder andere een implementatie is van het HMCS, moet het ervoor worden gehouden dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op dergelijke stoffen, waaronder AFFF. Als de wetgever had beoogd verder te gaan dan OSPAR Decision 2000/2 en met artikel 81 Mbb ook de lozing van niet onder het HMCS vallende stoffen strafbaar had willen stellen, dan had dat expliciet moeten worden opgenomen in het artikel of in de toelichting daarop.

De omstandigheid dat artikel 2 van OSPAR inhoudt, dat alle mogelijke maatregelen moeten worden genomen om verontreiniging te voorkomen en dat geen enkele bepaling van het verdrag zodanig mag worden uitgelegd dat deze de verdragsluitende partijen zou beletten, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen te nemen ter voorkoming of beëindiging van de verontreiniging van het zeegebied of ter bescherming van het zeegebied tegen de nadelige gevolgen van menselijke activiteiten, doet aan het voorgaande niet af. Op grond van artikel 81 en de toelichting daarop kan immers niet vastgesteld worden dat de wetgever beoogd heeft om strengere maatregelen te nemen.

Ook de omstandigheid dat in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling is bepaald dat onder de definitie van chemicaliën ‘in elk geval’ stoffen of preparaten vallen die genoemd zijn in OSPAR doet hier niet aan af. Ook de Common Interpretation bevat immers geen limitatieve opsomming van stoffen die wel onder het HMCS vallen, terwijl van stoffen als AFFF wél expliciet wordt vastgesteld dat ze niet onder het HMCS vallen.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – dus niet bewezen dat sprake is van lozingen die met het normale gebruik van de installaties samenhangen of daaruit voortvloeien. Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande niet betekent dat het is toegestaan om AFFF in zee te lozen, maar slechts dat dergelijke lozingen niet onder de strafbaarstelling van artikel 81 Mbb vallen.

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^