Verdachte wordt verweten dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat AFFF (blusmiddel gebruikt op boorplatforms) in de Noordzee werd geloosd

Rechtbank Amsterdam 4 maart 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:1138 Verdachte wordt verweten, dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF, een blusmiddel dat wordt gebruikt op boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. De vraag die de rechtbank beoordeelt, is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (Mbb) valt en het een lozing betreft die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie.

De aan verdachte ten laste gelegde zaken betreffen alle hetzelfde verwijt, namelijk dat zij niet zodanige maatregelen heeft genomen dat zoveel mogelijk werd voorkomen dat een stof genaamd AFFF (Aqueous Film Forming Foam), een middel dat wordt gebruikt in het blussysteem op mijnbouwinstallaties, te weten boorplatforms, in de Noordzee werd geloosd. Een belangrijk discussiepunt in deze zaak is of AFFF een stof is die onder artikel 81 van het Mijnbouwbesluit (hierna: Mbb) valt, zoals het Openbaar Ministerie betoogt. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze rechtsvraag beantwoord te worden in het kader van het onderzoek of de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden, nu om tot bewezenverklaring te komen een lozing van AFFF moet worden aangemerkt als een lozing die samenhangt met of voortvloeit uit het normale gebruik van de mijnbouwinstallatie. De rechtbank zal daarom, alvorens tot een inhoudelijke beoordeling van de afzonderlijke zaken te komen, eerst deze rechtsvraag beoordelen.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die onder artikel 81 Mbb valt. De officier van justitie heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Met artikel 81 Mbb heeft de wetgever uitvoering gegeven aan de op het OSPAR-verdrag (hierna: OSPAR) gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3, en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. Voor bepaalde stoffen of preparaten zal een absoluut lozingsverbod gelden. Die stoffen en preparaten worden, krachtens artikel 81, derde lid, bij de Mijnbouwregeling aangewezen. In de Mijnbouwregeling wordt verder opgenomen dat de lozing van overige stoffen uitsluitend is toegestaan met instemming van de minister.

Verdachte stelt dat artikel 81 Mbb zo moet worden gelezen dat het daarin omschreven verbod op lozing niet geldt voor AFFF. Dit artikel zou alleen zien op lozingen die samenhangen met het normale gebruik van de installatie en voor chemicaliën gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Zij verwijzen hiertoe naar de definitie van chemicaliën in artikel 9.2.1. onder f van de Mijnbouwregeling, te weten stoffen of preparaten die opzettelijk worden gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen op zee, zoals in elk geval genoemd in OSPAR-akkoord 2002/6.

Blusmiddelen worden evenwel gebruikt voor de veiligheid en het behoud van een boorplatform en het personeel dat daarop werkzaam is. Zonder blusmiddelen is het onmogelijk om een goed werkend platform te hebben en is geen winning en opsporing van delfstoffen mogelijk. Daarom wordt een blusmiddel, zoals AFFF, wel degelijk gebruikt bij de opsporing en winning van delfstoffen.

Overigens volgt deze conclusie ook uit het feit dat artikel 80 en 81 Mbb voortvloeien uit artikel 49 van de Mijnbouwwet. Daarin staat immers dat nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot onder andere het opsporen en winning van delfstoffen.

Hoewel blusmiddelen in OSPAR expliciet zijn uitgezonderd van het Harmonised Mandatory Control System (hierna: HMCS), betekent dat niet dat OSPAR in het geheel niet van toepassing is op stoffen zoals AFFF. Artikel 2 van OSPAR schept namelijk de verplichting om alle mogelijke maatregelen te nemen om verontreiniging te voorkomen. Partijen moeten ervoor zorgen dat preventieve maatregelen worden genomen wanneer er redelijke gronden tot bezorgdheid bestaan dat stoffen die in het mariene milieu worden gebracht, kunnen leiden tot schade aan het ecosysteem. Artikel 81 Mbb is een implementatie van OSPAR en hiermee wordt dus een maatregel genomen om schade aan het ecosysteem te voorkomen. Artikel 81 geeft dus een algemene zorgplicht ten aanzien van alle lozingen vanaf een mijnbouwinstallatie en geldt onverkort voor blusmiddelen zoals AFFF.

Overigens volgt uit de definitie van chemicaliën zoals omschreven in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling dat dat in elk geval stoffen of preparaten zijn die genoemd zijn in het OSPAR-verdrag. ‘In elk geval’ sluit dus niet uit dat ook stoffen die daarin niet worden genoemd onder deze definitie kunnen vallen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich op het standpunt dat AFFF een stof is die niet onder artikel 81 Mbb valt. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd.

Volgens de Nederlandse regelgever is artikel 81 Mbb, met artikel 80 en 83, een implementatie van OSPAR en een aantal daarop gebaseerde besluiten, waaronder OSPAR Decision 2000/2. De uitleg, die aan OSPAR en de bijbehorende systematiek van de OSPAR Decisions, de OSPAR Recommendations en de OSPAR Common Interpretations moet worden gegeven, bepaalt daarom direct en exclusief het bereik van artikel 81 Mbb. Dat artikel is immers de implementatie van alle daarmee corresponderende OSPAR-regelgeving.

Dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op het lozen van blusschuim, blijkt uit de ‘Common Interpretation on which Chemicals are Covered and not Covered by the Harmonised Mandatory Control System under OSPAR Decision 2000/2’ (hierna: Common Interpretation), waarin wordt bepaald welke ‘offshore chemicals’ wél en welke ‘offshore chemicals’ niet onder OSPAR Decision 2000/2 vallen. In deze ‘Common Interpretation’ staat dat de beperkingen voor lozingen die gelden op grond van OSPAR niet gelden voor, onder andere, ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’. Blusschuim valt dus niet onder OSPAR Decision 2000/2. De stoffen die wel onder het controlesysteem uit OSPAR Decision 2000/2 vallen, zijn blijkens alinea 2 uit de genoemde Common Interpretation de chemicals “which are used in the actual exploration, exploitation and associated offshore processing of oil, gas and condensate within the OSPAR Convention Area.” Dit is in artikel 81 Mbb geïmplementeerd door het artikel te beperken tot “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen (...).” Blusschuim kan niet worden aangemerkt als een dergelijke stof, want blusschuim wordt niet gebruikt bij de winning en behandeling van delfstoffen. Een blusschuimlozing is geen met het ‘normale gebruik’ van een installatie samenhangende lozing. Een blusschuimlozing is ook geen uit het ‘normale gebruik’ van een installatie voortvloeiende lozing; een blusschuimlozing vloeit niet voort uit de winning en behandeling van delfstoffen.

Er is geen aanleiding om van een ruimere lezing uit te gaan. Rechtspraak, die artikel 81 Mbb verruimt, bestaat niet en de wetgever zelf heeft bij de toelichting op het Mijnbouwbesluit evenmin gesproken over een ruimere toepassing in Nederland dan waartoe de OSPAR-landen voor de Noordzee hebben besloten.

Er kan dus niet worden bewezen dat het gaat om “lozingen van andere dan in artikel 80 Mbb genoemde stoffen en/of andere verontreinigende dan wel schadelijke stoffen”, dat sprake is van “met het normale gebruik van de installatie samenhangende of daaruit voortvloeiende lozingen” en dat verdachte “niet zodanige maatregelen heeft genomen dat verontreiniging van oppervlaktewater zo veel mogelijk werd voorkomen”. Verdachte moet daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Het oordeel van de rechtbank

Uit de toelichting bij de artikelen 80 en 81 Mbb blijkt dat met die artikelen twee verdragen worden geïmplementeerd die strekken tot bescherming van de zee. Het gaat om het MARPOL-verdrag en OSPAR. Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is alleen dat laatste verdrag relevant. Uit de toelichting blijkt voorts dat door middel van artikel 81 uitvoering wordt gegeven aan de op OSPAR gebaseerde besluiten 2000/2 en 2000/3 en de daarbij behorende OSPAR-aanbevelingen 2000/4 en 2000/5. OSPAR Decision 2000/2 is nader uitgelegd in de Common Interpretation. Die Common Interpretation moet dus als uitgangspunt gelden bij de beoordeling van de vraag welke stoffen onder het HMCS van OSPAR Decision 2000/2 vallen.

Uit de Common Interpretation blijkt dat ‘fire-fighting foams and other chemicals in firewater systems’ niet onder het HMCS vallen. Nu artikel 81 Mbb onder andere een implementatie is van het HMCS, moet het ervoor worden gehouden dat artikel 81 Mbb geen betrekking heeft op dergelijke stoffen, waaronder AFFF. Als de wetgever had beoogd verder te gaan dan OSPAR Decision 2000/2 en met artikel 81 Mbb ook de lozing van niet onder het HMCS vallende stoffen strafbaar had willen stellen, dan had dat expliciet moeten worden opgenomen in het artikel of in de toelichting daarop.

De omstandigheid dat artikel 2 van OSPAR inhoudt, dat alle mogelijke maatregelen moeten worden genomen om verontreiniging te voorkomen en dat geen enkele bepaling van het verdrag zodanig mag worden uitgelegd dat deze de verdragsluitende partijen zou beletten, afzonderlijk of gezamenlijk, strengere maatregelen te nemen ter voorkoming of beëindiging van de verontreiniging van het zeegebied of ter bescherming van het zeegebied tegen de nadelige gevolgen van menselijke activiteiten, doet aan het voorgaande niet af. Op grond van artikel 81 en de toelichting daarop kan immers niet vastgesteld worden dat de wetgever beoogd heeft om strengere maatregelen te nemen.

Ook de omstandigheid dat in artikel 9.2.1 onder f van de Mijnbouwregeling is bepaald dat onder de definitie van chemicaliën ‘in elk geval’ stoffen of preparaten vallen die genoemd zijn in OSPAR doet hier niet aan af. Ook de Common Interpretation bevat immers geen limitatieve opsomming van stoffen die wel onder het HMCS vallen, terwijl van stoffen als AFFF wél expliciet wordt vastgesteld dat ze niet onder het HMCS vallen.

De rechtbank acht – anders dan de officier van justitie – dus niet bewezen dat sprake is van lozingen die met het normale gebruik van de installaties samenhangen of daaruit voortvloeien. Verdachte zal daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat het voorgaande niet betekent dat het is toegestaan om AFFF in zee te lozen, maar slechts dat dergelijke lozingen niet onder de strafbaarstelling van artikel 81 Mbb vallen.

De rechtbank verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF