HR over uitleg begrip “afvalstoffen”

Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:512 Na terugwijzing door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof Den Haag de verdachte veroordeeld tot een geldboete van €10.000, waarvan €5.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren ter zake van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.60, tweede lid, van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 1) en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.55 van de Wet milieubeheer, begaan door een rechtspersoon (feit 2).

Middel

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af onder verwijzing naar art. 81 RO.

Conclusie AG

Het eerste middel klaagt dat het oordeel van het Hof dat de verdachte zich ‘heeft ontdaan’ van afvalstoffen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, gelet op een arrest van het Europese Hof van Justitie van 12 december 2013.

7. De steller van het middel meent dat het bestreden arrest niet in overeenstemming is met de volgende overwegingen van het genoemde arrest van het Europees Hof van Justitie van 12 december 2013:

“52 Daarentegen is de omstandigheid dat Shell de betrokken partij heeft teruggenomen met het oog op bewerking door menging en terugbrengen op de markt in casu van doorslaggevend belang.

53 Het is immers geenszins gerechtvaardigd om goederen, stoffen of producten die de houder, ongeacht enige nuttige toepassing, onder gunstige omstandigheden wil exploiteren of verhandelen, te onderwerpen aan de bepalingen van richtlijn 2006/12, die beogen ervoor te zorgen dat de nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen plaatsvindt zonder gevaar voor de gezondheid van de mens en zonder dat procedés of methoden worden aangewend die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. In het licht van de verplichting het begrip afvalstof ruim uit te leggen, moet deze redenering evenwel worden beperkt tot situaties waarin het hergebruik van het goed of de stof in kwestie niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder dat vooraf een van de in bijlage II B bij richtlijn 2006/12 bedoelde procedés voor de nuttige toepassing van afvalstoffen hoeft te worden benut, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat (zie naar analogie arrest Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, punt 36, en arrest van 111september 2003, AvestaPolarit Chrome, C-114/01, Jurispr. blz. 1-8725, punt 36).

54 Gelet op het voorgaande moet op de vragen worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van verordening nr. 259/93 aldus moet worden uitgelegd dat, in een situatie als die in de hoofdgedingen, een partij diesel die onbedoeld vermengd is geraakt met een andere stof niet onder het begrip afvalstof in de zin van deze bepaling valt, mits de houder ervan daadwerkelijk voornemens is deze met een ander product vermengde partij terug te brengen op de markt, hetgeen ter beoordeling van de verwijzende rechter staat.”

8. In de onderhavige zaak gaat het om elektr(on)ische apparaten die om uiteenlopende redenen -het Hof noemt het oogmerk van retour ontvangen van de koopprijs of het inroepen van garantiebepalingen- door de koper/consument worden geretourneerd aan de verkoper/leverancier. Daarmee is de leverancier de houder van de apparaten geworden. Dit retourneren van de apparaten kan volgens het Hof niet worden aangemerkt als het zich ontdoen van een afvalstof. Dat lijkt mij juist en het middel richt zich ook niet tegen dit oordeel. Dit lijkt mij te betekenen dat het de verkoper/leverancier/houder (verder: houder) vrij staat de geretourneerde apparaten opnieuw aan consumenten ten verkoop aan te bieden. Het zou te ver gaan om het opnieuw ten verkoop aanbieden en verkopen aan consumenten reeds als het zich ontdoen van een afvalstof aan te merken en dat ligt ook in de lijn van het genoemde arrest van het Hof van Justitie.

9. Volgens het (Haagse)Hof waren de apparaten voor het doel waarvoor zij door de houder waren bestemd te weten de verkoop aan consumenten onbruikbaar of overtollig geworden. Dat is een niet onbegrijpelijk oordeel van het Hof nu de houder er niet voor heeft gekozen om de apparaten opnieuw rechtstreeks aan consumenten aan te bieden. De houder heeft de apparaten namelijk overgedragen aan verdachte (groothandel en exporteur). Het oordeel dat de houder zich door aldus te handelen heeft ontdaan van een afvalstof staat anders dan de steller van het middel meent geenszins op gespannen voet met het arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2013. In dat geval was immers niet uitgesloten dat het product door de houder conform de oorspronkelijke bestemming opnieuw op de markt zou worden gebracht. In de onderhavige zaak staat juist niet vast dat de houder conform de oorspronkelijke bestemming van apparaten beoogde te handelen. Integendeel: de apparaten waren voor de houder onbruikbaar of overtollig.

10. Het Hof heeft daarmee dus op goede grond geoordeeld dat de aan verdachte overgedragen apparaten afvalstoffen waren. Iets anders is dat in voorkomend geval de apparaten in handen van verdachte de status van afvalstof alsnog kunnen verliezen, maar daarvoor heeft het arrest van het Europees Hof van Justitie uit 2013 geen directe betekenis. Als de steller van het middel echter onder punt 10 in de schriftuur meent dat geen van de in de bijlage van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen van toepassing is en dat dit een indicatie vormt voor de omstandigheid dat niet van een afvalstof sprake is, kan ik dat standpunt zonder nadere toelichting die ontbreekt niet volgen. Zelfs als verdachte de apparaten zelf alsnog rechtstreeks ten verkoop zou aanbieden aan consumenten zou dat niet mogelijk zijn zonder nadere controle en in voorkomend geval reparatie.

11. Het eerste middel faalt.

Tweede middel

12. Het tweede middel klaagt dat het Hof in zijn arrest van 19 november 2014 een onjuiste toepassing heeft gegeven aan het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013, omdat het, anders dan het Hof in zijn arrest van 20 april 2012, tot het oordeel komt dat er in de onderhavige zaak sprake is van ‘afvalstoffen’.

13. Het in de eerste cassatieronde bestreden arrest van het Gerechtshof Den Haag van 20 april 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van dit middel van belang, het volgende in:

“Uit voornoemde feiten volgt dat de container geen productie- of consumptieresiduen, noch afgedankte versleten tweedehands goederen bevatte. De container bevatte (nagenoeg) nieuwe producten die in het land van bestemming zonder, voorafgaande wijziging in de aard, samenstelling en vorm en zonder bewerking konden worden gebruikt. Dat er bij een deel van goederen een kleine reparatie nodig was, doet daaraan niet af.”

14. Het arrest van het Hof Den Haag van 19 november 2014 bevat de overweging zoals opgenomen onder 6.

15. Het arrest van de Hoge Raad van 3 december 2013 bevat de beslissing tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. De steller van het middel ziet kennelijk een beperking voor de berechting door het Hof na terugwijzing tot uitsluitend een nieuw oordeel over de (deel)beslissing(en) die tot cassatie hebben geleid. Aan de hierboven geciteerde passage uit het arrest van het Hof uit 2012 zou het Hof na de verwijzing (min of meer?) gebonden zijn. Ik meen te kunnen volstaan met de opmerking dat hetgeen aan het middel ten grondslag wordt gelegd geen steun vindt in het recht.

16. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, van de Wet RO ontleende bewoordingen. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.

17. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Meer weten? Kom dan op vrijdag 3 juni 2016 naar de Cursus Afvalstoffen.

Klik hier voor meer informatie.

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF