Oplegging geldboete wegens het opzettelijk vangen van een beschermde inheemse vogel

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 3 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2029

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 11 februari 2013 te Gennep tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, op en/of in de omgeving van een gebied gelegen aan de Siebengewaldseweg, al dan niet opzettelijk, een putter, althans een of meer dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, heeft gevangen en/of bemachtigd.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. Daartoe is het volgende aangevoerd.

  1. De zich in het dossier bevindende (kleuren-)foto’s, afdrukken van door verbalisant met betrekking tot het plegen van het delict genomen video-opnamen, zijn te onscherp om de daarop vastgelegde personen te kunnen identificeren. Verdachte ontkent dat hij een van die personen is. De verklaring van de verbalisant dat de personen op de foto’s op het politiebureau te Gennep zijn geïdentificeerd als verdachte en zijn broer, is mede gelet op het ontbreken van een opgemaakt proces-verbaal van die identificering, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
  2. De gevangen vogel is niet meer aangetroffen en de foto’s geven geen uitsluitsel of het inderdaad een putter was. Alleen de verklaring van de verbalisant over zijn waarneming dat het een putter was, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.
  3. De broer van verdachte is voor hetzelfde feit en op grond van een identiek dossier (onherroepelijk) vrijgesproken. Bij een veroordeling in de onderhavige zaak zou sprake zijn van rechtsongelijkheid.

Het hof overweegt als volgt.

Ad 1. Ter terechtzitting in hoger beroep is de verbalisant (BOA) gehoord over zijn waarnemingen en over de identificatie van de verdachte.

Hij heeft onder meer verklaard dat:

  • Hij zich deze zaak nog goed kan herinneren;
  • Hij een tip had ontvangen dat er een vangnet/mistnet was opgesteld;
  • Hij daar vervolgens in totaal drie dagen heeft gepost, waarbij hij zich op een afstand van 20-30 meter van het vangnet bevond en waarbij hij de bij dat vangnet aanwezige personen duidelijk heeft kunnen waarnemen met behulp van zijn Swarovski 8x42 verrekijker;
  • Hij met zijn Lumix filmcamera beeldopnames heeft gemaakt van die bij het vangnet aanwezige personen, waarvan hij enkele foto’s heeft gemaakt en aan het dossier heeft toegevoegd;
  • Hij na de tweede actiedag met de foto’s naar het politiebureau te Gennep is gegaan en dat tijdens een briefing op die foto’s verdachte, zijn jongere broer en hun vader zijn herkend door de gebiedsbrigadier en de BOA-coördinator;
  • Hij op de derde dag, 11 februari 2013, bij het vangnet dezelfde personen zag die hij de eerdere dagen bij het vangnet had gezien, welke personen hem toen bekend waren als de broers van verdachte. Die twee personen zijn hem op enig moment tot op zeer korte afstand genaderd. Hij heeft hun gezichten toen goed kunnen zien;
  • Die twee personen toen de vangnetten vangklaar opgesteld hebben en er vervolgens een putter in het vangnet is gevlogen. De putter is vervolgens uit het net gehaald en door beiden meegenomen;
  • Verdachte, enkele weken later (hof: volgens het proces-verbaal: op 5 maart 2013) op het politiebureau als verdachte heeft gehoord en dat hij hem toen herkende als betrokkene bij het vangen van de putter;
  • Hij de verdachte die nu voor het hof is verschenen zonder enige twijfel herkent als verdachte, zijnde een van de personen die hij bij de vangnetten heeft gezien.

Uit deze verklaring volgt dat verbalisant op basis van eigen waarneming verdachte zowel tijdens het politieverhoor als ter terechtzitting in hoger beroep heeft herkend als één van de betrokkenen bij het vangen van de putter. Het hof heeft geen reden om te twijfelen aan de juistheid dan wel de betrouwbaarheid van deze waarnemingen. Deze waarnemingen bevestigen de herkenning van verdachte door de gebiedsbrigadier en de BOA-coördinator op de foto’s tijdens de briefing na de tweede postdag. Uit het onderzoek is het hof niet gebleken dat de foto’s zodanig onduidelijk zijn geweest dat een herkenning van onder meer de verdachte op die foto’s niet mogelijk zou zijn.

Ad. 2 Zonder nadere onderbouwing, valt niet in te zien waarom de als bewijs gebezigde verklaring van de verbalisant waarin hij uiteenzet waarom hij tot de conclusie komt dat de gevangen vogel een putter is (blz 3 van het proces-verbaal van 25 april 2013), als bewijs voor dit onderdeel onvoldoende zou zijn. Het hof ziet geen aanleiding om aan de juistheid van de waarneming van de verbalisant te twijfelen.

Ad 3. De vrijspraak van de broer van verdachte door de economische politierechter te Roermond d.d. 18 september 2014 voor (kennelijk) het onderhavige feit, maakt het oordeel van het hof niet anders.

Het hof verwerpt de verweren.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.000.

Het hof heeft bij de straftoemeting enerzijds in het bijzonder rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte een beschermde inheemse vogel heeft gevangen waardoor deze vogel uit zijn natuurlijke leefomgeving is gehaald.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft afvalstoffen vanuit Nederland naar Duitsland vervoerd, zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3582 De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij gesteld dat de als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie dient te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EG-verordening Overbrenging Van Afvalstoffen en dat voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan „illegale overbrenging” in de zin van artikel 2 onder 35 van die verordening irrelevant is of op haar in dit geval de verplichting rustte om van de overbrenging van deze afvalstof kennis te geven aan de betrokken bevoegde autoriteit dan wel voor de vereiste toestemming te zorgen. Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI: BX5023, waaruit volgens hem volgt dat het verbod op overbrenging zonder kennisgeving dan wel toestemming geldt voor eenieder en niet alleen voor de vervoerder of kennisgever. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gesteld dat verdachte had moeten nagaan of de vereiste omgevingsvergunning aanwezig was. De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten opzettelijk heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij het volgende aangevoerd. De als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie is geen afvalstof in de zin van de EVOA, maar een dierlijk bijproduct. Op de overbrenging van dierlijke bijproducten is de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing, zodat er geen kennisgevingsplicht of toestemmingsvereiste geldt. In elk geval mocht verdachte erop vertrouwen dat de betreffende substantie geen afvalstof was, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Bovendien heeft verdachte, die enkel transporteur was van de betreffende substantie, niet te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA. Verdachte was dus niet gehouden om kennis te geven en toestemming te krijgen, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen. Hierbij merkte de raadsman op dat het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012 in dezen geen betekenis toekomt omdat het betrekking heeft op de oude EVOA. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat betrokkene een milieuvergunning had die de mogelijkheid kende om dierlijke bijproducten op te slaan. Dat is wat verdachte bij betrokkene heeft gedaan. Van het oprichten of veranderen van de inrichting is dan ook geen sprake.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof -grotendeels met de rechtbank- als volgt.

De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt de definitie van het begrip afvalstoffen zoals deze is opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ingevolge dit artikel wordt onder afvalstoffen verstaan: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moest ontdoen”. Deze definitie komt overeen met het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) (zie considerans 10). De vraag of er sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn, over de vraag wanneer (niet langer) sprake is van een afvalstof, enkele criteria opgenomen. Ingevolge artikel 5 van voornoemde Kaderrichtlijn is een voorwerp of stof een productresidu of een (dierlijk) bijproduct en derhalve geen afvalstof, als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;
  2. de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;
  3. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en
  4. verder gebruik is rechtmatig (de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en leidt niet tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid).

Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat houder bedrijf B.V. zich van de betreffende substantie, die voor haar een negatieve waarde had, wilde ontdoen. Daarmee is volgens het hof sprake van een afvalstof (vgl. Hof EU 18 april 2002 Palin Granit ECLI:EU:2002:232). Bovendien stelt het hof vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden 2 en 3 gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het zuiveringsslib of de bruine eimix waarom het in dit geval gaat, is immers niet een integraal onderdeel van de productie van eieren zoals die bij bedrijf B.V. plaatsvindt, maar het resultaat van een zuiveringsproces van (al) het water dat vrijkomt bij de bedrijfsprocessen van bedrijf en dat hiertoe in een zuiveringsinstallatie wordt gevoerd. In deze installatie wordt het water behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, teneinde de organische fractie uit het water te scheiden dan wel te verminderen. Hiermee is deze substantie volgens het hof ook niet te vergelijken met het separatorslib uit de melkverwerking, bedoeld in artikel 10, onder e, of de bijproducten van eieren, met inbegrip van eierschalen, bedoeld in artikel 10, onder k sub ii, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten, waarnaar de raadsman in zijn pleidooi heeft verwezen.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat er eveneens geen sprake is van een afvalstof nu er sprake is van een nuttige toepassing, is het hof van oordeel dat daarmee wordt miskend dat zelfs wanneer een stof een volledige nuttige toepassing krijgt, zij toch als afvalstof kan worden beschouwd wanneer de houder zich ervan ontdoet of het voornemen of de verplichting heeft zich ervan te ontdoen. Van ontdoen door bedrijf was in dit geval sprake. Naar het oordeel van het hof dient de betreffende substantie te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EVOA, zodat voor de overbrenging van deze stof van Nederland naar Duitsland kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde autoriteit noodzakelijk was.

De (meer) subsidiaire stelling van de raadsman dat verdachte enkel transporteur was van de betreffende substantie en niet heeft te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA, zodat niet kan worden bewezen dat zij geen kennis heeft gegeven aan dan wel geen toestemming heeft verkregen van de betrokken autoriteiten, faalt om de volgende redenen.

Volgens de Hoge Raad in zijn door de advocaat-generaal aangehaalde arrest van 30 oktober 2012 richt het in artikel 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met artikel 26 EVOA-oud vervatte verbod zich niet exclusief op "de kennisgever". Volgens de Hoge Raad houden die artikelen in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Deze uitleg strookt volgens de Hoge Raad niet alleen met de bewoordingen van artikel 26 EVOA-oud maar ook met de strekking van die bepaling. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat deze uitleg ook gelding heeft voor het begrip illegale overbrenging in artikel 2 onder 35 van de huidige EVOA. Bij vergelijking van de boven aangehaalde definities van respectievelijk sluikhandel en illegale overbrenging en ook overigens blijkt uit niets dat de Europese wetgever het verbod van illegale overbrenging heeft willen beperken tot een kleinere groep van normadressaten dan onder de oude EVOA het geval was. Dit zou immers afbreuk doen aan de effectiviteit van het verbod.1 Aan het woordje ‘elke’ in art. 26 EVOA-oud moet volgens het hof in dezen geen bijzondere betekenis worden gehecht. Voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde is dus irrelevant of zij in dezen als “kennisgever” is aan te merken.

Geen medeplegen

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt, dat van medeplegen kan worden gesproken. In zoverre zal de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Opzet

De volgende vraag is of de feiten al dan niet opzettelijk zijn gepleegd. In dat kader acht het hof het volgende van belang.

Verdachte drijft een onderneming die zich al jaren op een bedrijfsmatige wijze bezighoudt met de handel in en het transport van stoffen uit de agrarische industrie, waaronder de door haar zo genoemde “bruine eimix”. Op een gegeven moment werd duidelijk dat deze substantie niet meer kon worden afgezet in de diervoedingsindustrie. Verdachte wist dat bedrijf B.V. zich ervan wilde ontdoen en bereid was om voor de afvoer ervan te betalen. Gezien deze omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen en rustte op haar de plicht om op dat moment na te (doen) gaan of het een afvalstof in de zin van de EVOA betrof. Door ieder onderzoek na te laten, heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door haar vervoerde substantie een afvalstof in de zin van de EVOA betrof, voor de overbrenging waarvan kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteit was vereist. Dat die kans aanmerkelijk was, blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Feit 4

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een dierlijk bijproduct maar van een bedrijfsafvalstof. Voor het opslaan en overslaan daarvan was ingevolge het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist. Vaststaat dat verdachte de “bruine eimix” bij betrokkene opsloeg en dat zij niet over een omgevingsvergunning beschikte. Op verdachte rustte bij de gegeven stand van zaken de plicht na te gaan of de betrokken substantie, die niet meer als diervoeder bruikbaar was, (inmiddels) moest worden aangemerkt als afval en of de opslag ervan een vergunningplichtige activiteit betrof. Door ieder onderzoek na te laten en mede gelet op haar positie als professioneel handelaar en transporteur in agrarische stoffen, heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het een vergunningplichtige activiteit betrof. Dat die kans aanmerkelijk was blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, 2 en 3: opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

BRZO bedrijven moeten meebetalen aan toezicht

Het kabinet wil vanaf 2016 de bedrijven die onder het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo) vallen, mee laten betalen aan de kosten voor toezicht door de Inspectie SZW. Dit blijkt uit een wetsvoorstel tot wijziging van de Arbowet. De Inspectie SZW is een van de partijen die de naleving van het besluit controleert. De specialistische controles van de Inspectie SZW zijn streng en intensief, want ongevallen bij Brzo-bedrijven kunnen grote gevolgen hebben. Dat maakt zulke inspecties dan ook kostbaar. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Seveso III is op 1 juni 2015 van kracht, maar implementatie ervan loopt mogelijk vertraging op

Vanaf 1 juni 2015 is de Seveso III-richtlijn (volledig: Richtlijn 2012/18/EU van het Europees parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad) van kracht. Op 1 juni 2015 vervalt de Seveso II-richtlijn. Lidstaten zijn gehouden de richtlijn uiterlijk 31 mei 2015 te hebben geïmplementeerd. Nederland implementeert de richtlijn via een algemene maatregel van bestuur (het Besluit risico’s zware ongevallen 2015). Een ontwerp van dit besluit ligt thans voor advies bij de Raad van State. Het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 wordt nader uitgewerkt in een ministeriële regeling (de Regeling risico’s zware ongevallen 2015). Mogelijk zal de consultatie van het betrokken bedrijfsleven en de uitvoeringsinstanties over het concept van deze regeling leiden tot enige vertraging.

Bron: Tweede Kamer

 

Print Friendly and PDF ^

'Jaarplan BRZO+: weer meer aandacht voor strafrechtelijke handhaving'

Op 19 maart 2015 hebben de gezamenlijke BRZO+ partners het jaarplan 2015 vastgesteld. Dit eerste jaarplan van BRZO+ is in april openbaar gemaakt. In het jaarplan wordt beschreven hoe de partners van BRZO+ (de omgevingsdiensten, veiligheidsregio’s, Inspectie SZW, waterkwaliteitsbeheerders, ILT en het OM) uitvoering geven aan uniforme en integrale aanpak van vergunningverlening, handhaving en toezicht bij BRZO-bedrijven en bedrijven die behoren tot IPPC-categorie 4. Dit ziet totaal op ca. 460 bedrijven in Nederland. Het jaarplan 2015 bevat een hoofdstuk over de samenwerking met het OM. In het jaarplan 2015 wordt uitdrukkelijk aandacht gevraagd voor de bijkomende straffen en maatregelen, naast bijvoorbeeld een geldboete. Er wordt onder meer gewezen op:

    • Publicatie van vonnissen dan wel een bericht in branche/vakbladen (waarbij in het jaarplan 2015 imagoschade uitdrukkelijk wordt benoemd);
    • De ontzetting van ondernemersrechten/de ontzetting van voordelen, bijvoorbeeld dat een bepaalde tijd geen gebruik mag worden gemaakt van een vergunning;
    • Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit ziet op voordeel behaald door de strafbare feiten of de besparing van kosten door de strafbare feiten.

Volgens het jaarplan heeft het Functioneel Parket zichzelf als doel gesteld meer gebruik te gaan maken van dergelijke interventies. Zo wordt ook een accountant toegevoegd aan het ‘themateam’ om te borgen dat ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel of het afpakken daarvan op andere wijze, meer nadrukkelijk aan de orde komt.

De consequenties van (vermeende) overtredingen worden hiermee wederom zwaarwegender.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens opzettelijk inzamelen bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding op VIHB-lijst. Partiële nietigheid dagvaarding m.b.t. gevaarlijke afvalstoffen (onvoldoende feitelijk omschreven).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3041 Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 meermalen schuldig gemaakt aan het opzettelijk inzamelen van bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars. Verdachte heeft door zijn handelen meermalen een in de Wet milieubeheer gesteld voorschrift overtreden, welk voorschrift strekt tot bescherming van het milieu, te weten - in dit geval - het belang van controle op een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat: verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 in de gemeente en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten afgedankt wit- en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars.

Partiële nietigheid

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" niet voldoet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten. Immers, is niet vermeld op welke gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto het destijds vigerende artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, opgenomen in de lijst van afvalstoffen, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 maart 2002, nr. 62, bladzijde 22, wegens een fout opnieuw gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2002, nr. 76, pagina 9, de tenlastelegging het oog heeft. Hierdoor is het ten laste gelegde op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven. Op grond hiervan zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

Nadere bewijsoverweging

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1 het begrip bedrijfsafvalstoffen als: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1. het begrip afvalstoffen als: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In artikel 1 van die richtlijn wordt het begrip 'afvalstof' als volgt omschreven: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Indien een afvalstof niet valt onder de in genoemde bijlage I genoemde categorieën Q1 tot en met Q15, dan wordt de afvalstof aangemerkt als vallende onder de in de bijlage I vermelde categorie Q16.

In artikel 1 van genoemde richtlijn:

  • wordt het begrip 'houder' als volgt omschreven: de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft en
  • wordt het begrip 'inzameling' als volgt omschreven: het ophalen, sorteren en/of vermengen van afvalstoffen teneinde deze te vervoeren.

Inmiddels is genoemde richtlijn vervallen. De vervallenverklaring heeft, gelet op de definitie van afvalstoffen in het huidige artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (inhoudende dat afvalstoffen alle stoffen, preparaten of voorwerpen betreffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen), geen wijziging in de definitie tot gevolg gehad. Hetzelfde geldt voor de definitie van 'houder' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat een afvalstoffenhouder een afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft betreft) en voor de definitie van 'inzameling' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat inzameling een verzameling van afvalstoffen betreft, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie).

Uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie leidt het hof af dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de richtlijn; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt bij de bepaling of iets een afvalstof is, ligt bij de intentie en de gedragingen van de houder van de afvalstoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af de omstandigheden, dat de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet, er nog iets mee kan of die stoffen tegen betaling verkoopt aan een derde, welke derde die stoffen doorverkoopt. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zoals die, in geval van cassatie, zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest, bedoeld in artikel 415 juncto artikel 365, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat betrokkene 1 en betrokkene 2 bij verschillende (winkel)bedrijven afgedankt wit- en bruingoed, niet zijnde huishoudelijke of gevaarlijke afvalstoffen, om niet of tegen een geringe (geldelijke) vergoeding ophaalden en dit vervolgens doorverkochten aan verdachte, die dat afgedankt wit- en bruingoed vervoerde naar zijn bedrijf, aldaar sorteerde op de werking, en de nog bruikbare goederen vervolgens doorverkocht aan derden.

Op grond van het voorgaande acht het hof - anders dan de verdediging - bewezen dat dit wit- en bruingoed moet worden aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en dat verdachte deze bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens handel in afgedankt wit- en bruingoed, zonder tot die handel bevoegd te zijn. Partiële nietigheid dagvaarding m.b.t. gevaarlijke afvalstoffen. Ontslag van rechtsvervolging ter zake van witwassen.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3047 Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2008 tot en met 3 maart 2009 meermalen schuldig gemaakt aan het plegen van economische misdrijven, gelegen in de sfeer van de handel in afgedankt wit- en bruingoed, zonder tot die handel bevoegd te zijn en zonder over de daarvoor benodigde papieren en vergunningen te beschikken. Verdachte heeft door zijn handelen meermalen bij en krachtens de Wet milieubeheer gestelde voorschriften overtreden, welk voorschriften telkens strekten tot de bescherming van het milieu.

Verdenking

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 3, 5 en 7: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
  • Feit 4, 6 en 8: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.
  • Feit 9: Witwassen.

Partiële nietigheid dagvaarding

Het hof is van oordeel dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" telkens niet voldoet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten. Immers, is niet vermeld op welke gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto het destijds vigerende artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, opgenomen in de lijst van afvalstoffen, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 maart 2002, nr. 62, bladzijde 22, wegens een fout opnieuw gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2002, nr. 76, pagina 9, de tenlastelegging het oog heeft. Hierdoor is het onder 1 en 2 ten laste gelegde op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven. Op grond hiervan zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

Feit 9

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2008 tot en met 3 maart 2009 in Nederland geld ten bedrage van in totaal, volgens verdachtes verklaring ter terechtzitting van het hof, ongeveer € 20.000, en afgedankt wit- en bruingoed heeft verworven en voorhanden heeft gehad, en afgedankt wit- en bruingoed heeft overgedragen terwijl hij wist dat dit geld en afgedankt wit- en bruingoed afkomstig waren uit de onder 1 en 2 ten laste gelegde economische misdrijven.

Het hof stelt met betrekking tot het onder 9 bewezen verklaarde vast, dat het geld en het afgedankt wit- en bruingoed dat verdachte verworven en voorhanden heeft gehad, onmiddellijk afkomstig zijn van door verdachte zelf gepleegde misdrijven, te weten de feiten 1 en 2 Het overdragen van het afgedankte wit- en bruingoed hangt zozeer samen met feit 2 dat verdachte zich daarmee automatisch zou schuldig maken aan witwassen. Van handelingen van verdachte, gericht op het verhullen van de criminele herkomst of verbergen van deze voorwerpen is evenwel niet gebleken. Dit brengt, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2014, gepubliceerd op rechtspraak.nl, ECLI:NL:HR:2014:714 mee dat het onder 9. bewezen verklaarde niet kan worden gekwalificeerd als witwassen. Verdachte wordt ter zake ontslagen van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd;
  • Feit 3, 5 en 7: overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 8.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;
  • Feit 4, 6 en 8: overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Internetconsultatie: zware chemie moet zelf toezicht op arbeidsomstandigheden betalen

Op 28 april 2015 is het Wetsvoorstel doorberekenen toezichtkosten ter consultatie aangeboden. Dit wetsvoorstel tot wijziging van de Arbeidsomstandighedenwet maakt het mogelijk om de kosten van het toezicht door te berekenen aan bedrijven waarop het Besluit risico’s zware ongevallen 2015 (BRZO 2015) van toepassing is. 

Bij bedrijven die onder het BRZO 2015 vallen en met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen werken zijn de gevolgen bij ongevallen vaak ernstig. In de afgelopen jaren zijn een aantal ernstige ongelukken gebeurd bij deze bedrijven met grote gevolgen.

Vanwege de grote gevaren voor de samenleving en het maatschappelijk belang om ongelukken met ernstige gevolgen voor werknemers en omwonenden zoveel mogelijk te voorkomen is overheidsinterventie door intensief en frequent inspectie vereist bij deze bedrijven. Deze inspectie vergt bovendien specialistische kennis van het domein. De toezichtkosten zijn daarmee voor een relatief kleine groep bedrijven relatief hoog. De samenleving betaalt op deze wijze de kosten die veroorzaakt worden door de gevaren in de productie in de zware chemie. Het wordt redelijk en billijk geacht om de hogere kosten die gemoeid zijn met het extra toezicht op de productie van deze bedrijven niet geheel te laten betalen door de samenleving, maar deze kosten door te berekenen aan de veroorzaker.

Het doel van dit wetsvoorstel is de onevenredig hoge kosten van het toezicht te leggen waar deze horen en daarmee de uitgaven uit de algemene middelen te verlagen.

De wetswijziging is als instrument noodzakelijk om de toezichtkosten te kunnen doorbelasten.

 

Print Friendly and PDF ^

'Na Chemie-Pack minder fragmentatie in milieutoezicht'

  De hevige brand bij Chemie-Pack in Moerdijk vier jaar geleden maakte opnieuw duidelijk dat het stelsel van milieuvergunningen beter moet. Dit voorjaar buigt de Tweede Kamer zich over een wetsvoorstel daartoe. Dat legt in grote lijnen vast hoe de nieuwe regionale uitvoeringsdiensten moeten werken.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak intermediair categorie 3-bedrijf voor het afgeven van categorie 3-materiaal (vossenvet) aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. Gedraging levert geen overtreding van ten laste gelegde bepaling op.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2863 De verdachte rechtspersoon, een intermediair categorie 3-bedrijf uit Lexmond, wordt onder feit 1 t/3 verweten dat zij meermalen in strijd met artikel 6, derde lid Verordening (EG) nr. 1774/2002, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. 

Standpunt OM

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd tot:

    • bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in de opzetvariant;
    • veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vrijspraak

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman bepleit dat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het door de officier van justitie aan de verdachte rechtspersoon gestelde verwijt op een verkeerde grondslag is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,  beoogt een regeling te bieden voor de activiteiten die plaatsvinden in intermediaire categorie 3-bedrijven waarin het betrokken materiaal, in casu het vossenvet, tussentijds wordt gehanteerd of tijdelijk wordt opgeslagen.  Deze bepaling ziet bijgevolg niet op het afgeven van het vossenvet, aan een niet ex artikel 10 van genoemde Verordening erkend bedrijf.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte rechtspersoon een intermediair categorie 3-bedrijf is dat overeenkomstig artikel 10 van de Verordening is erkend. Aan haar wordt verweten dat zij  meermalen in strijd met artikel 6, derde lid van de Verordening, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat de afgifte van vossenvet door de verdachte rechtspersoon aan de rechtspersoon, ook al is dat bedrijf niet overeenkomstig artikel 10 van de Verordening erkend, geen overtreding oplevert van artikel 6, derde lid van de Verordening. In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald dat tussentijds hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend mag geschieden in intermediaire categorie 3-bedrijven die overeenkomstig artikel 10 zijn erkend.

Voor zover de afgifte van het vossenvet is aan te merken als het hanteren daarvan, heeft dit binnen de inrichting van de verdachte rechtspersoon plaatsgevonden en valt daarmee onder haar erkenning. Na afgifte van het vossenvet is de ontvanger, de rechtspersoon, aan te wijzen als verantwoordelijke om te voldoen aan de eisen die overeenkomstig de Verordening worden gesteld aan het hanteren en opslaan van het categorie 3- materiaal. Dat de rechtspersoon daaraan niet voldoet kan in dit geval aan de verdachte rechtspersoon niet worden verweten met een beroep op artikel 6, derde lid, van de Verordening.

De rechtbank verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^