Vrijspraak intermediair categorie 3-bedrijf voor het afgeven van categorie 3-materiaal (vossenvet) aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. Gedraging levert geen overtreding van ten laste gelegde bepaling op.

Rechtbank Rotterdam 23 april 2015, ECLI:NL:RBROT:2015:2863 De verdachte rechtspersoon, een intermediair categorie 3-bedrijf uit Lexmond, wordt onder feit 1 t/3 verweten dat zij meermalen in strijd met artikel 6, derde lid Verordening (EG) nr. 1774/2002, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft. 

Standpunt OM

De officier van justitie mr. L.W. Boogert heeft gerekwireerd tot:

    • bewezenverklaring van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde in de opzetvariant;
    • veroordeling van de verdachte rechtspersoon tot een geldboete van € 20.000, waarvan € 10.000 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vrijspraak

Namens de verdachte rechtspersoon heeft de raadsman bepleit dat de verdachte rechtspersoon moet worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat het door de officier van justitie aan de verdachte rechtspersoon gestelde verwijt op een verkeerde grondslag is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 6, derde lid, van de Verordening (EG) nr. 1774/2002,  beoogt een regeling te bieden voor de activiteiten die plaatsvinden in intermediaire categorie 3-bedrijven waarin het betrokken materiaal, in casu het vossenvet, tussentijds wordt gehanteerd of tijdelijk wordt opgeslagen.  Deze bepaling ziet bijgevolg niet op het afgeven van het vossenvet, aan een niet ex artikel 10 van genoemde Verordening erkend bedrijf.

De rechtbank stelt vast dat de verdachte rechtspersoon een intermediair categorie 3-bedrijf is dat overeenkomstig artikel 10 van de Verordening is erkend. Aan haar wordt verweten dat zij  meermalen in strijd met artikel 6, derde lid van de Verordening, categorie 3-materiaal, te weten vossenvet, heeft afgegeven aan een bedrijf dat die erkenning niet heeft.

De rechtbank volgt de raadsman in zijn betoog dat de afgifte van vossenvet door de verdachte rechtspersoon aan de rechtspersoon, ook al is dat bedrijf niet overeenkomstig artikel 10 van de Verordening erkend, geen overtreding oplevert van artikel 6, derde lid van de Verordening. In artikel 6, derde lid, van de Verordening is bepaald dat tussentijds hanteren of tijdelijk opslaan van categorie 3-materiaal uitsluitend mag geschieden in intermediaire categorie 3-bedrijven die overeenkomstig artikel 10 zijn erkend.

Voor zover de afgifte van het vossenvet is aan te merken als het hanteren daarvan, heeft dit binnen de inrichting van de verdachte rechtspersoon plaatsgevonden en valt daarmee onder haar erkenning. Na afgifte van het vossenvet is de ontvanger, de rechtspersoon, aan te wijzen als verantwoordelijke om te voldoen aan de eisen die overeenkomstig de Verordening worden gesteld aan het hanteren en opslaan van het categorie 3- materiaal. Dat de rechtspersoon daaraan niet voldoet kan in dit geval aan de verdachte rechtspersoon niet worden verweten met een beroep op artikel 6, derde lid, van de Verordening.

De rechtbank verklaart niet bewezen, dat de verdachte rechtspersoon de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte rechtspersoon daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF