Verdachte heeft afvalstoffen vanuit Nederland naar Duitsland vervoerd, zonder kennisgeving aan en toestemming van de betrokken bevoegde autoriteit

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3582 De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij gesteld dat de als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie dient te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EG-verordening Overbrenging Van Afvalstoffen en dat voor de vraag of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan „illegale overbrenging” in de zin van artikel 2 onder 35 van die verordening irrelevant is of op haar in dit geval de verplichting rustte om van de overbrenging van deze afvalstof kennis te geven aan de betrokken bevoegde autoriteit dan wel voor de vereiste toestemming te zorgen. Daarbij heeft de advocaat-generaal verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012, ECLI: BX5023, waaruit volgens hem volgt dat het verbod op overbrenging zonder kennisgeving dan wel toestemming geldt voor eenieder en niet alleen voor de vervoerder of kennisgever. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de advocaat-generaal gesteld dat verdachte had moeten nagaan of de vereiste omgevingsvergunning aanwezig was. De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten opzettelijk heeft gepleegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde. Ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft hij het volgende aangevoerd. De als zuiveringsslib of bruine eimix aangeduide substantie is geen afvalstof in de zin van de EVOA, maar een dierlijk bijproduct. Op de overbrenging van dierlijke bijproducten is de afvalstoffenwetgeving niet van toepassing, zodat er geen kennisgevingsplicht of toestemmingsvereiste geldt. In elk geval mocht verdachte erop vertrouwen dat de betreffende substantie geen afvalstof was, zodat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft gehandeld. Bovendien heeft verdachte, die enkel transporteur was van de betreffende substantie, niet te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA. Verdachte was dus niet gehouden om kennis te geven en toestemming te krijgen, zodat ook om die reden vrijspraak dient te volgen. Hierbij merkte de raadsman op dat het door de advocaat-generaal genoemde arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 2012 in dezen geen betekenis toekomt omdat het betrekking heeft op de oude EVOA. Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde heeft de raadsman aangevoerd dat betrokkene een milieuvergunning had die de mogelijkheid kende om dierlijke bijproducten op te slaan. Dat is wat verdachte bij betrokkene heeft gedaan. Van het oprichten of veranderen van de inrichting is dan ook geen sprake.

Oordeel van het hof

Het hof is van oordeel dat het door en namens verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. In het bijzonder overweegt het hof -grotendeels met de rechtbank- als volgt.

De vraag die in deze strafzaak centraal staat, is of de substantie, aangeduid als zuiveringsslib of bruine eimix, die verdachte van het bedrijf B.V. naar biogasinstallaties op diverse plaatsen in Duitsland heeft afgevoerd, aangemerkt moet worden als een afvalstof in de zin van de EVOA.

Het hof neemt bij de beantwoording van deze vraag als uitgangspunt de definitie van het begrip afvalstoffen zoals deze is opgenomen in artikel 1.1. van de Wet milieubeheer. Ingevolge dit artikel wordt onder afvalstoffen verstaan: “alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moest ontdoen”. Deze definitie komt overeen met het uitgangspunt van de Kaderrichtlijn afvalstoffen (Richtlijn 2008/98/EG) (zie considerans 10). De vraag of er sprake is van een afvalstof moet worden beoordeeld met in achtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. In de Kaderrichtlijn afvalstoffen zijn, over de vraag wanneer (niet langer) sprake is van een afvalstof, enkele criteria opgenomen. Ingevolge artikel 5 van voornoemde Kaderrichtlijn is een voorwerp of stof een productresidu of een (dierlijk) bijproduct en derhalve geen afvalstof, als ten minste aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  1. het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt;
  2. de stof of het voorwerp kan onmiddellijk worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is;
  3. de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces; en
  4. verder gebruik is rechtmatig (de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften inzake producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en leidt niet tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid).

Het hof stelt voorop dat uit het dossier blijkt dat houder bedrijf B.V. zich van de betreffende substantie, die voor haar een negatieve waarde had, wilde ontdoen. Daarmee is volgens het hof sprake van een afvalstof (vgl. Hof EU 18 april 2002 Palin Granit ECLI:EU:2002:232). Bovendien stelt het hof vast dat niet is voldaan aan de voorwaarden 2 en 3 gesteld in artikel 5 van de Kaderrichtlijn afvalstoffen. Het zuiveringsslib of de bruine eimix waarom het in dit geval gaat, is immers niet een integraal onderdeel van de productie van eieren zoals die bij bedrijf B.V. plaatsvindt, maar het resultaat van een zuiveringsproces van (al) het water dat vrijkomt bij de bedrijfsprocessen van bedrijf en dat hiertoe in een zuiveringsinstallatie wordt gevoerd. In deze installatie wordt het water behandeld met ijzer(III)chloride en een flocculant, teneinde de organische fractie uit het water te scheiden dan wel te verminderen. Hiermee is deze substantie volgens het hof ook niet te vergelijken met het separatorslib uit de melkverwerking, bedoeld in artikel 10, onder e, of de bijproducten van eieren, met inbegrip van eierschalen, bedoeld in artikel 10, onder k sub ii, van Verordening (EG) nr. 1069/2009 inzake dierlijke bijproducten, waarnaar de raadsman in zijn pleidooi heeft verwezen.

Voor zover de raadsman heeft gesteld dat er eveneens geen sprake is van een afvalstof nu er sprake is van een nuttige toepassing, is het hof van oordeel dat daarmee wordt miskend dat zelfs wanneer een stof een volledige nuttige toepassing krijgt, zij toch als afvalstof kan worden beschouwd wanneer de houder zich ervan ontdoet of het voornemen of de verplichting heeft zich ervan te ontdoen. Van ontdoen door bedrijf was in dit geval sprake. Naar het oordeel van het hof dient de betreffende substantie te worden aangemerkt als een afvalstof in de zin van de EVOA, zodat voor de overbrenging van deze stof van Nederland naar Duitsland kennisgeving aan en/of toestemming van de bevoegde autoriteit noodzakelijk was.

De (meer) subsidiaire stelling van de raadsman dat verdachte enkel transporteur was van de betreffende substantie en niet heeft te gelden als “kennisgever” in de zin van artikel 2, vijftiende lid, van de EVOA, zodat niet kan worden bewezen dat zij geen kennis heeft gegeven aan dan wel geen toestemming heeft verkregen van de betrokken autoriteiten, faalt om de volgende redenen.

Volgens de Hoge Raad in zijn door de advocaat-generaal aangehaalde arrest van 30 oktober 2012 richt het in artikel 10.60 Wet milieubeheer in verbinding met artikel 26 EVOA-oud vervatte verbod zich niet exclusief op "de kennisgever". Volgens de Hoge Raad houden die artikelen in dat het aan een ieder is verboden om afvalstoffen over te brengen, wanneer niet de voorgeschreven kennisgeving is verricht door de kennisgever dan wel de instemming van de bevoegde autoriteiten ontbreekt. Deze uitleg strookt volgens de Hoge Raad niet alleen met de bewoordingen van artikel 26 EVOA-oud maar ook met de strekking van die bepaling. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat deze uitleg ook gelding heeft voor het begrip illegale overbrenging in artikel 2 onder 35 van de huidige EVOA. Bij vergelijking van de boven aangehaalde definities van respectievelijk sluikhandel en illegale overbrenging en ook overigens blijkt uit niets dat de Europese wetgever het verbod van illegale overbrenging heeft willen beperken tot een kleinere groep van normadressaten dan onder de oude EVOA het geval was. Dit zou immers afbreuk doen aan de effectiviteit van het verbod.1 Aan het woordje ‘elke’ in art. 26 EVOA-oud moet volgens het hof in dezen geen bijzondere betekenis worden gehecht. Voor het bewijs van het aan verdachte tenlastegelegde is dus irrelevant of zij in dezen als “kennisgever” is aan te merken.

Geen medeplegen

Het hof is met de rechtbank, de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat uit het bewijsmateriaal niet kan worden afgeleid dat de verdachte zo nauw en bewust met een of meer anderen heeft samengewerkt, dat van medeplegen kan worden gesproken. In zoverre zal de verdachte van het tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Opzet

De volgende vraag is of de feiten al dan niet opzettelijk zijn gepleegd. In dat kader acht het hof het volgende van belang.

Verdachte drijft een onderneming die zich al jaren op een bedrijfsmatige wijze bezighoudt met de handel in en het transport van stoffen uit de agrarische industrie, waaronder de door haar zo genoemde “bruine eimix”. Op een gegeven moment werd duidelijk dat deze substantie niet meer kon worden afgezet in de diervoedingsindustrie. Verdachte wist dat bedrijf B.V. zich ervan wilde ontdoen en bereid was om voor de afvoer ervan te betalen. Gezien deze omstandigheden had het op de weg van verdachte gelegen en rustte op haar de plicht om op dat moment na te (doen) gaan of het een afvalstof in de zin van de EVOA betrof. Door ieder onderzoek na te laten, heeft verdachte naar het oordeel van het hof minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat de door haar vervoerde substantie een afvalstof in de zin van de EVOA betrof, voor de overbrenging waarvan kennisgeving aan en toestemming van de bevoegde autoriteit was vereist. Dat die kans aanmerkelijk was, blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Feit 4

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is geen sprake van een dierlijk bijproduct maar van een bedrijfsafvalstof. Voor het opslaan en overslaan daarvan was ingevolge het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning vereist. Vaststaat dat verdachte de “bruine eimix” bij betrokkene opsloeg en dat zij niet over een omgevingsvergunning beschikte. Op verdachte rustte bij de gegeven stand van zaken de plicht na te gaan of de betrokken substantie, die niet meer als diervoeder bruikbaar was, (inmiddels) moest worden aangemerkt als afval en of de opslag ervan een vergunningplichtige activiteit betrof. Door ieder onderzoek na te laten en mede gelet op haar positie als professioneel handelaar en transporteur in agrarische stoffen, heeft verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat het een vergunningplichtige activiteit betrof. Dat die kans aanmerkelijk was blijkt uit de omstandigheid dat de “bruine eimix” bij toepassing van de maatstaven voor de beantwoording van de vraag of stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn een afvalstof is.

Bewezenverklaring

  • Feit 1, 2 en 3: opzettelijk overtreden van een voorschrift gesteld krachtens artikel 10.60, tweede lid, van de Wet Milieubeheer, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.
  • Feit 4: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht gesteld verbod, begaan door een rechtspersoon.

Strafoplegging

De rechtbank heeft verdachte ter zake van het bewezen verklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 40.000,00.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 40.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF