Veroordeling wegens opzettelijk inzamelen bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding op VIHB-lijst. Partiële nietigheid dagvaarding m.b.t. gevaarlijke afvalstoffen (onvoldoende feitelijk omschreven).

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 29 april 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3041 Verdachte heeft zich in de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 meermalen schuldig gemaakt aan het opzettelijk inzamelen van bedrijfsafvalstoffen zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars. Verdachte heeft door zijn handelen meermalen een in de Wet milieubeheer gesteld voorschrift overtreden, welk voorschrift strekt tot bescherming van het milieu, te weten - in dit geval - het belang van controle op een doelmatig beheer van bedrijfsafvalstoffen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat: verdachte op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2008 tot en met 2 maart 2009 in de gemeente en/of (elders) in Nederland, al dan niet opzettelijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, bedrijfsafvalstoffen en/of gevaarlijke afvalstoffen, te weten afgedankt wit- en/of bruingoed, heeft ingezameld zonder vermelding op de VIHB-lijst van inzamelaars.

Partiële nietigheid

Het hof is van oordeel dat het ten laste gelegde voor zover betrekking hebbende op "gevaarlijke afvalstoffen" niet voldoet aan de in artikel 261, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering gestelde vereisten. Immers, is niet vermeld op welke gevaarlijke afvalstoffen als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer juncto het destijds vigerende artikel 3 van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, opgenomen in de lijst van afvalstoffen, zoals gepubliceerd in de Staatscourant van 28 maart 2002, nr. 62, bladzijde 22, wegens een fout opnieuw gepubliceerd in de Staatscourant van 19 april 2002, nr. 76, pagina 9, de tenlastelegging het oog heeft. Hierdoor is het ten laste gelegde op dit punt onvoldoende feitelijk omschreven. Op grond hiervan zal het hof de dagvaarding in zoverre nietig verklaren.

Nadere bewijsoverweging

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1 het begrip bedrijfsafvalstoffen als: afvalstoffen, niet zijnde huishoudelijke afvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen.

Ten tijde van het ten laste gelegde omschreef de Wet milieubeheer in artikel 1.1. het begrip afvalstoffen als: alle stoffen, preparaten of producten die behoren tot de categorieën die zijn genoemd in bijlage I bij richtlijn nr. 2006/12/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 april 2006 betreffende afvalstoffen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

In artikel 1 van die richtlijn wordt het begrip 'afvalstof' als volgt omschreven: elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Indien een afvalstof niet valt onder de in genoemde bijlage I genoemde categorieën Q1 tot en met Q15, dan wordt de afvalstof aangemerkt als vallende onder de in de bijlage I vermelde categorie Q16.

In artikel 1 van genoemde richtlijn:

  • wordt het begrip 'houder' als volgt omschreven: de producent van de afvalstoffen of de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in bezit heeft en
  • wordt het begrip 'inzameling' als volgt omschreven: het ophalen, sorteren en/of vermengen van afvalstoffen teneinde deze te vervoeren.

Inmiddels is genoemde richtlijn vervallen. De vervallenverklaring heeft, gelet op de definitie van afvalstoffen in het huidige artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (inhoudende dat afvalstoffen alle stoffen, preparaten of voorwerpen betreffen waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen), geen wijziging in de definitie tot gevolg gehad. Hetzelfde geldt voor de definitie van 'houder' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat een afvalstoffenhouder een afvalstoffenproducent dan wel de natuurlijke of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft betreft) en voor de definitie van 'inzameling' in het huidige artikel 1.1. van de Wet milieubeheer (inhoudende dat inzameling een verzameling van afvalstoffen betreft, met inbegrip van de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie).

Uit jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie leidt het hof af dat het begrip afvalstof niet zo beperkt moet worden opgevat dat daaronder niet de stoffen vallen die voor hergebruik geschikt zijn. De enkele omstandigheid dat stoffen waarvan afstand wordt gedaan nog commerciële waarde hebben, betekent niet dat die stoffen niet als afvalstoffen kunnen worden beschouwd. Het toepassingsgebied van het begrip afvalstof hangt samen met de betekenis van de term zich ontdoen. Bij de uitleg van die term moet rekening worden gehouden met de doelstellingen van de richtlijn; voorkomen moet worden dat daaraan afbreuk wordt gedaan.

Het zwaartepunt bij de bepaling of iets een afvalstof is, ligt bij de intentie en de gedragingen van de houder van de afvalstoffen die daarvan afstand doet. Daaraan doet niet af de omstandigheden, dat de ontvanger van de stoffen die stoffen al dan niet als afvalstoffen ziet, er nog iets mee kan of die stoffen tegen betaling verkoopt aan een derde, welke derde die stoffen doorverkoopt. Een andere opvatting zou een effectieve controle op de naleving van de onderhavige regelgeving illusoir maken.

Op grond van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen zoals die, in geval van cassatie, zullen worden opgenomen in de aanvulling op dit arrest, bedoeld in artikel 415 juncto artikel 365, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, stelt het hof vast dat betrokkene 1 en betrokkene 2 bij verschillende (winkel)bedrijven afgedankt wit- en bruingoed, niet zijnde huishoudelijke of gevaarlijke afvalstoffen, om niet of tegen een geringe (geldelijke) vergoeding ophaalden en dit vervolgens doorverkochten aan verdachte, die dat afgedankt wit- en bruingoed vervoerde naar zijn bedrijf, aldaar sorteerde op de werking, en de nog bruikbare goederen vervolgens doorverkocht aan derden.

Op grond van het voorgaande acht het hof - anders dan de verdediging - bewezen dat dit wit- en bruingoed moet worden aangemerkt als bedrijfsafvalstoffen in de zin van de Wet milieubeheer en dat verdachte deze bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld.

Bewezenverklaring

Overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 10.45, eerste lid, onderdeel a, van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 30 dagen hechtenis.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF