Heeft OM gehandeld in strijd met Protocol AAFD en Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) door verdachte te vervolgen?

Hoge Raad 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:237

HR gaat in op Protocol AAFD en BBBB. Protocol AAFD regelt afstemming tussen Belastingdienst en OM in gevallen waarin zowel oplegging van bestuurlijke boete als strafrechtelijke afdoening openstaat. BBBB is besluit van staatssecretaris van Financiën, waarin beleid van Belastingdienst is neergelegd voor opleggen van bestuurlijke boeten bij heffing van rijksbelastingen. Hof heeft geoordeeld dat OM niet in strijd met Protocol AAFD en BBBB heeft gehandeld en dat daarom het mede op vertrouwensbeginsel gestoelde verweer dat strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van OM in vervolging van verdachte moet worden verworpen. Hieraan heeft hof ten grondslag gelegd dat tlgd. feit voldoet aan criteria voor aanmelding voor mogelijke strafrechtelijke afhandeling a.b.i. Protcol AAFD. Daarbij heeft hof betrokken dat de zaak zich leent voor strafrechtelijke afdoening onder ‘thematische aanpak’ a.b.i. Protocol AAFD. Daarnaast heeft hof overwogen dat par. 15.6 BBBB niet aan ontvankelijkheid OM in de weg staat, omdat die par. betrekking heeft op het melden door Belastingdienst-ambtenaar van vermoeden van strafbaar feit bij boete-fraudecoördinator en het dus gaat om meldingen binnen Belastingdienst, waarmee geen afbreuk wordt gedaan aan of nadere beperkingen worden aangebracht in wijze waarop, overeenkomstig Protocol AAFD, afstemming tussen Belastingdienst en OM plaatsvindt in gevallen waarin zowel oplegging van bestuurlijke boete als strafrechtelijke afdoening openstaat. Mede gelet op wat is overwogen over regelingen in Protocol AAFD en BBBB geeft dit oordeel niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wanneer is het aannemelijk dat een getuige niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord (art. 288 lid 1 sub a Sv)?

Hoge Raad 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:8

Het hof heeft het voorwaardelijk verzoek tot het horen van Betrokkene 1 als getuige afgewezen. Aan die afwijzing heeft het hof kennelijk ten grondslag gelegd dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, omdat in eerste aanleg is geprobeerd om Betrokkene 1 als getuige te horen, maar dit niet is gelukt omdat hij - zoals volgt uit het proces-verbaal van de rechter-commissaris - onvindbaar is gebleken. Die afwijzende beslissing is niet zonder meer begrijpelijk, omdat niet blijkt dat het hof heeft onderzocht of de getuige in hoger beroep, bijna viereneenhalf jaar na het oproepen en dagvaarden van Betrokkene 1 om te worden gehoord als getuige door de rechter-commissaris, wel binnen een afzienbare termijn kan worden gehoord.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Veroordeling van voormalig Arubaanse minister wegens onder meer ambtelijke corruptie blijft in stand

Hoge Raad 7 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:168

De veroordeling van de voormalig minister van Sociale Zaken, Jeugdbeleid en Arbeid van Aruba wegens onder meer ambtelijke omkoping, het medeplegen van verduistering en witwassen, blijft in stand. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld. Artikel 476 van het Wetboek van Strafvordering van Aruba schrijft voor dat als een minister wordt verdacht van ambtsmisdrijven, de bevoegdheden van het Openbaar Ministerie (OM) bij de opsporing, vervolging en berechting worden uitgeoefend door de procureur-generaal. Maar de procureur-generaal mag ook andere leden van het OM een bijzondere aanwijzing geven om deze bevoegdheden namens hem uit te oefenen. Het gerechtshof oordeelde dat in deze zaak sprake was van zo’n bijzondere aanwijzing en dat is voldaan aan de wettelijke vereisten omdat de procureur-generaal “in het bijzonder” een bepaalde officier van justitie had aangewezen om de aan de procureur-generaal op grond van de wet toekomende bevoegdheden uit te oefenen. Dit oordeel van het hof acht de Hoge Raad juridisch juist en niet onbegrijpelijk.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR schetst kader beklag ex art. 552a Sv over ‘hoogst onwaarschijnlijk’-maatstaf, proportionaliteit en subsidiariteit voortzetting beslag, hernieuwd beklag en inrichting stelsel van rechtsmiddelen

Hoge Raad 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128

Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. begrip ‘ambtenaar’

Hoge Raad 17 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:32

De term ‘ambtenaar’ moet aldus worden uitgelegd dat daaronder ook is begrepen degene die onder toezicht en verantwoording van de overheid is aangesteld in een functie waaraan een openbaar karakter niet kan worden ontzegd. De verdachte was algemeen directeur/statutair bestuurder van N.V. A. A hield zich bezig met de distributie van gas en elektriciteit via een eigen netwerk in een aantal gemeenten in Drenthe en Overijssel. A voerde daarnaast de publieke taak van netbeheer uit. Als bestuurder van A droeg de verdachte de (eind)verantwoordelijkheid voor de daaronder ressorterende bv’s en stuurde hij de directeur van A Netbeheer B.V. aan. Ook was de verdachte in opdracht van de aandeelhoudende gemeenten belast met de uitvoering van de Wet onafhankelijk netbeheer (Splitsingswet) en moest hij in dat verband bewerkstelligen dat de energieleveringstak van A werd afgestoten.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Wanneer is voldaan aan het klachtvereiste (art. 66 lid 1 Sr)

Hoge Raad 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:13

De klachtgerechtigde kan zijn bevoegdheid slechts gedurende de in de wet genoemde klachttermijn uitoefenen. Dat betekent dat wanneer voor het instellen van een vervolging een klacht is vereist en de klacht niet is ingediend binnen drie maanden nadat de klachtgerechtigde heeft kennis genomen van het gepleegde delict, de vervolging daarop afstuit. In het geval dat de klacht weliswaar niet voldoet aan alle formele wettelijke eisen of niet is ingediend bij de bevoegde ambtenaar, maar vaststaat dat de klachtgerechtigde de vervolging heeft gewenst, zal van die wens binnen die termijn van drie maanden moeten zijn gebleken.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Verzwaarde bewijslast bij boetes geldt ook in geval van grove schuld

Hoge Raad 13 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:26

Indien na verwijzing komt vast te staan dat belanghebbende aan de toenmalige gemachtigde niet de bedoelde benodigde informatie voor het opstellen van de aangifte IB/PVV 2010 heeft verstrekt, verdient voorts het volgende opmerking. De waarborgen die belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, van het EVRM brengen mee dat de aanwezigheid van een bestanddeel van een beboetbaar feit, zoals in dit geval grove schuld, alleen kan worden aangenomen als de daarvoor vereiste feiten en omstandigheden overtuigend zijn aangetoond.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR over opzet & Sanctiewet 1977

Hoge Raad 10 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:2

De verdenking in deze zaak betreft overtreding van een voorschrift gesteld krachtens art. 2 Sanctiewet 1977, opzettelijk begaan, door het overmaken van een geldbedrag dat op indirecte wijze is terechtgekomen bij terroristische organisatie(s) in Syrië. Moet het opzet van de verdachte erop zijn gericht dat geld terecht zou komen bij terroristische organisatie(s)? HR: De opvatting dat het opzet van de verdachte (ook) moet zijn gericht op het niet naleven van de in de bewezenverklaring bedoelde wettelijke regelingen, vindt geen steun in het recht. ‘Hofs oordeel dat bij een tenlastelegging als deze niet is vereist dat het opzet van de verdachte erop is gericht dat het geld op indirecte wijze bij (een) terroristische organisatie(s) zou terechtkomen, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Uit de bewijsvoering van hof kan ook niet zondermeer volgen dat het opzet van de verdachte daarop was gericht. De bewezenverklaring is daarom in zoverre ontoereikend gemotiveerd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: geen beroep op inkeerregeling wanneer derde (in dit geval rancune voormalige partner) op eigen initiatief en niet namens Verdachte naar de belastingdienst gaat

Hoge Raad 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900

Het hof heeft vastgesteld dat de voormalige partner van Verdachte op eigen initiatief, uit rancune, en niet namens of als vertegenwoordiger van verdachte, administratie van de eenmanszaak van Verdachte m.b.t. niet opgegeven omzet heeft aangeleverd bij de belastingdienst. Op grond daarvan heeft het hof geoordeeld dat Verdachte geen beroep toekomt op toepassing van de inkeerbepaling met betrekking tot het ten laste geleden en bewezenverklaarde doen van onjuiste en onvolledige belastingaangiften voor haar eenmanszaak. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat (zoals volgt uit ’s hofs vaststellingen) Verdachte niet zelf juiste en volledige administratie heeft verstrekt, noch dit op enigerlei wijze heeft bevorderd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Belastingfraude: mag bij straftoemeting rekening gehouden worden met belastingaangiften die niet in de tenlastelegging zijn opgenomen?

Hoge Raad 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1900

De HR herhaalt relevante overwegingen uit met betrekking tot het betrekken van niet ten laste gelegde feiten bij de strafoplegging. Het Hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de in de tenlastelegging genoemde periode opzettelijk 2 onjuiste aangiften heeft ingediend. Het Hof heeft verder overwogen dat o.g.v. het verhandelde op de terechtzitting het grootschalige karakter van het handelen van de verdachte aannemelijk is geworden en heeft in dat verband bij de strafoplegging (naast 2 in bewezenverklaring opgenomen aangiften) ook andere zich in het dossier bevindende aangiften over periode van (gedeelte van) 2009 tot en met oktober 2013 betrokken, waarbij hof is uitgegaan van totaal fiscaal nadeel van € 804.785. In dat verband heeft het hof overwogen dat aangiften omzetbelasting die niet in tenlastelegging en bewezenverklaring zijn genoemd, kunnen worden beschouwd als omstandigheden waaronder de 2 in bewezenverklaring genoemde onjuiste belastingaangiften zijn begaan en dat daardoor uit die andere aangiften het grootschalige karakter van bewezenverklaarde fiscale delicten blijkt.

Read More
Print Friendly and PDF ^