Oplichting Belastingdienst door het aanvragen van Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens

Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2609

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst, door het aanvragen van een Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens. Het naar aanleiding van de aanvraag ten onrechte uitgekeerde geldbedrag werd uitgegeven en daarmee witgewassen. De verdachte wist dat het kind/de kinderen niet buitenshuis bij een kinderopvang verbleef/verbleven, maar heeft desondanks de toeslag aangevraagd, dan wel laten aanvragen door een derde.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het haar ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Een persoon (betrokkene), dan wel ene medeverdachte heeft de verdachte voorgehouden dat zij recht had op Kinderopvangtoeslag. De verdachte heeft, gelet op haar opleidingsniveau en omstandigheden, zorgvuldig gehandeld door in haar omgeving navraag te doen met betrekking tot (haar recht op) (een eventuele uitkering door de Belastingdienst van) de genoemde toeslag. De raadsman is daarom van mening, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op oplichting van de Belastingdienst.

De raadsman heeft voorts betoogd, dat de verdachte weliswaar in samenwerking met medeverdachte bij de Belastingdienst Kinderopvang- toeslag heeft aangevraagd, maar dat het handelen van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van oplichting, nu geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met mede- verdachte.

Nu verdachte geen opzet had op het (medeplegen van) oplichting, heeft zij dientengevolge evenmin met opzet de verkregen geldbedragen witgewassen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat zij noch in 2008, noch in 2009 werkte. Haar kinderen werden thuis opgevangen. Aangezien zij wilde gaan werken, heeft zij door een ander, betrokkene, Kinderopvangtoeslag laten aanvragen. Toen bleek dat zij toch thuis zou blijven en kinderopvang daarom niet meer nodig was, heeft zij geprobeerd de aanvraag ongedaan te laten maken. De verdachte heeft verklaard dat dit niet meer mogelijk was en dat betrokkene het door de Belastingdienst uitgekeerde bedrag heeft opgestreken. De aanvraag door betrokkene is in deze strafzaak niet tenlastegelegd.

De verdachte heeft vervolgens belangrijke persoonlijke gegevens, waaronder haar bankrekeningnummer, haar BSN nummer, haar DigiD code en de gegevens van haar kinderen, verstrekt aan medeverdachte, een haar onbekende vrouw die zei dat ze bij de Belastingdienst werkte. Medever- dachte zou verdachte helpen, heeft voor haar een nieuwe DigiD-code aangevraagd en is vervolgens bij haar thuis geweest om de DigiD-code op te halen.

In januari 2010 is bij de Belastingdienst uit naam van de verdachte een digitale aanvraag Kinderopvangtoeslag gedaan met betrekking tot kin- deropvang in 2009 voor haar beide kinderen.

De verdachte heeft verklaard dat haar twee kinderen in 2009 geen opvang genoten bij de kinderopvang 1 en bij kinderopvang 2, gedurende het aantal uren zoals opgegeven in de aanvraag. Voorts is in de aanvraag een ander jaarinkomen (uit dienstbetrekking) opgegeven dan verdachte daadwerkelijk ontving aan uitkering. Gezien haar verklaring bij de FIOD, wist de verdachte uit de eerste aanvraag bij betrokkene dat Kinderopvangtoeslag bedoeld is voor ouders die werken en die als gevolg daarvan hun kinderen bij een kin- deropvang moeten brengen.

Zij wist daarom dat zij geen recht had op de genoemde toeslag.

Naar aanleiding van de aanvraag van de verdachte heeft de Belastingdienst op de bankrekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 17.708,00 gestort. De verdachte heeft verklaard dat zij van dit geldbedrag haar schulden heeft afbetaald.

Naar het oordeel van het hof is voorts voorafgaand en tijdens de aanvraag van de genoemde toeslag sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte, gericht op de planning en de uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

Onder de geschetste omstandigheden is het hof van oordeel, dat de verdachte met opzet in vereniging de Belastingdienst heeft opgelicht en dat zij vervolgens gebruik heeft gemaakt van het ten onrechte aan haar uitgekeerde geldbedrag, terwijl zij wist dat het van misdrijf afkomstig was.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan:

  1. medeplegen van oplichting
  2. witwassen

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Grootschalige fraude: Bewezenverklaring medeplegen gewoontewitwassen & deelneming aan criminele organisatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5596

In de periode december 2008 tot mei 2012 zijn diverse personen en bedrijven benadeeld voor een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen euro. Daarnaast is getracht nog meer mensen en/of bedrijven op te lichten voor eveneens hoge bedragen. Verdachte had binnen de organisatie een prominente rol. Hij is bij een groot aantal oplichtingen en pogingen daartoe betrokken geweest en had een belangrijk aandeel in het wegsluizen van het geld via allerlei BV’s.

Er is op vergaande wijze (onder meer door verdachte) getracht te voorkomen dat de feiten zouden worden opgehelderd en de deelnemers van de organisatie konden worden getraceerd. De criminele organisatie maakte op grote schaal gebruik van BV’s die ingezet werden om het verkregen geld weg te sluizen en het zicht op de eindbestemming weg te nemen. Deze BV’s werden veelal op naam gezet van katvangers, mensen die vaak vanwege de problematische situatie waarin zij verkeren bereid zijn één of meer BV’s op hun naam te zetten in verband met de (kleine) vergoeding die zij hiervoor krijgen, maar die door hun aansprakelijkheid voor de schulden van de BV’s nog verder in de problemen kunnen komen. Ook is gebruik gemaakt van bankrekeningen van mensen die wel traceerbaar zijn en die daardoor in de financiële problemen zijn geraakt of konden raken. Verder had de organisatie mensen nodig die bereid waren facturen van of aan hun bedrijven te verstrekken aan de organisatie. De mist die door organisatie was gecreëerd heeft er toe geleid dat het onderzoek door de FIOD tijdrovend was en dus veel (belasting)geld heeft gekost. Een dergelijk tijdrovend onderzoek leidt er verder toe dat de FIOD andere onderzoeken moet laten liggen en er dus minder fraudegevallen kunnen worden opgehelderd. Ook dit is schadelijk voor de maatschappij. De gecreëerde mist heeft er verder toe geleid dat, ondanks het uitgebreide onderzoek van de FIOD, lang niet alles is opgehelderd. Zo is geen (volledig) zicht gekregen op de eindbestemming van het door oplichting verkregen geld en op alle deelnemers van de organisatie en mogelijk zelfs op nog meer slachtoffers.

Doorzoeking kast

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij de medeverdachten van verdachte onder valse voorwendselen, op basis van een boekhoudkundige controle, een kast vol materiaal (onrechtmatig) in beslaggenomen is. Van dit inbeslaggenomen materiaal mag in de zaak van verdachte geen gebruik gemaakt worden. Dat er geen schending zou zijn van de Schutznorm doet daar niet aan af, gelet op de context van de zaak, aldus de raadsman.

Het hof stelt vast de dat kast, waarin zich de later in beslag genomen administratie bevond, niet in de woning van verdachte stond. Niet verdachte, maar medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 hadden als enige toestemming kunnen geven voor een doorzoeking van de kast. Indien deze toestemming niet zou zijn gegeven, zijn daarmee niet de belangen van verdachte geschonden. Daarom behoeft, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad, in de zaak van verdachte geen rechtsgevolg aan enig in dit verband zich voordoende vormverzuim te worden verbonden. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

(Deelname aan) criminele organisatie

Namens verdachte is aangevoerd dat hij weliswaar de criminele organisatie heeft gefaciliteerd door het aanleveren van templates aan medeverdachten 2 en 1, maar dat hij daarvan geen deel heeft uitgemaakt.

Het hof verwerpt het verweer. Door de criminele organisatie werden bedrijven, overheidsinstanties en personen valselijk bewogen grote bedragen over te maken naar rekeningen waarover één of meer deelnemers van de criminele organisatie de beschikking hadden. Vervolgens werden die bedragen (een aantal malen) doorgeboekt naar rekeningen van (andere) BV’s die eveneens in handen waren van de criminele organisatie, waarna het geld uiteindelijk veelal contant werd opgenomen. Uit het onderstaande en de later uit te werken bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een zodanige betrokkenheid had, dat bewezen kan worden dat hij deel uit maakte van de criminele organisatie.

Bewezenverklaring

Het in de zaak met parketnummer 16-990302-12 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het in de zaak met parketnummer 16-990302-12 onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

  • medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het in de zaak met parketnummer 16-992002-13 onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafoplegging

De geraffineerde wijze waarop de strafbare feiten werden gepleegd vormt voor het hof een zwaarwegende factor bij het bepalen van de straf. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar. Het hof komt hiermee tot hogere straf dan de rechtbank en de advocaat-generaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

De medeverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden resp. 2 jaar en 4 maanden.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Melding doen aan het bevoegde gezag van verandering (van de werking) van de inrichting

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2034

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

2: hij op of omstreeks 21 september, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd (gehouden) en/of de werking daarvan heeft veranderd (gehouden) (door het (laten) plaatsen en/of laten staan van 2, in elk geval een of meer propaantanks/propaanreservoirs) al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen hiervan tenminste vier weken voor die verandering (van de werking) van die inrichting aan burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, althans aan het bevoegd gezag , melding te doen, immers was (in ieder geval) op 21 september 2011 en/of op 12 december 2011 die melding nog niet gedaan;

3: hij op of omstreeks 21 september 2011 en/of 12 december 2011, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dreef, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan een of meer bij of krachtens dit besluit gestelde regels, immers was/waren in strijd met voorschrift 4.8.35 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 (PGS 19) twee, in elk geval een of meer propaanreservoir(s) en het/de vulpunt(en) niet goed bereikbaar voor de tankwagen en/of de tankwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij er niet voor heeft zorggedragen dat tenminste vier weken voordat zijn inrichting veranderd werd (gehouden) dan wel de werking daarvan werd veranderd, van die verandering (van de werking) van die inrichting melding werd gedaan aan het bevoegde gezag. Op grond van artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dient degene die een inrichting opricht, hiervan ten minste vier weken voor de oprichting melding te doen aan het bevoegde gezag. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing geacht met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Voorts is in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen dat een dergelijke melding achterwege kan blijven indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond van de in dit artikel genoemde artikelen geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de eigenaar van het terrein (hierna: eigenaar terrein) waarop het garagebedrijf van de verdachte staat, reeds op juiste wijze melding had gemaakt van de plaatsing van de propaantanks en dat de verdachte dientengevolge niet strafbaar is. De advocaat-generaal heeft deze stelling als zodanig niet betwist. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de stelling van de raadsvrouwe niet juist kan zijn. Nu niet valt uit te sluiten dat reeds een melding in de zin van de Wet milieubeheer (nader uitgewerkt bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) was gedaan door eigenaar terrein en dat de verdachte conform het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer daarom niet was gehouden melding te doen van het laten staan van voornoemde propaantanks, moet de verdachte van het hem ter zake ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan of de propaantanks behorende bij de inrichting van de verdachte nog in gebruik waren in de ten laste gelegde periode en derhalve bereikbaar dienden te zijn voor de tankwagen en de chauffeur daarvan. Het hof zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst, door het aanvragen van een Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens

Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2608

De verdachte heeft de Belastingdienst opgelicht, door met opzet een Kinderopvangtoeslag aan te (laten) vragen waarvan zij wist, dat zij er geen recht op had. Het geldbedrag dat zij vervolgens onterecht van de Belastingdienst heeft ontvangen, heeft zij naar eigen inzicht besteed. 

Standpunt raadsman

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het haar ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Een persoon genaamd medeverdachte 1 heeft de verdachte voorgehouden dat zij recht had op Kinderopvangtoeslag. De verdachte heeft, gelet op haar opleidingsniveau en omstandigheden, zorgvuldig gehandeld door in haar omgeving navraag te doen met betrekking tot (haar recht op) (een eventuele uitkering door de belastingdienst van) de genoemde toeslag. De raadsman is daarom van mening, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op oplichting van de Belastingdienst.

Nu verdachte geen opzet had op het (medeplegen van) oplichting, heeft zij dientengevolge evenmin met opzet de verkregen geldbedragen witgewassen.

Bespreking van het verweer

Het hof verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

Uit het dossier is het volgende naar voren gekomen.

De verdachte heeft belangrijke persoonlijke gegevens, waaronder haar bankrekeningnummer, haar BSN nummer, haar DigiD-code en de gegevens van haar kind, verstrekt aan een persoon genaamd medeverdachte 1, een haar onbekende vrouw die zij op straat tegenkwam. De verdachte heeft deze vrouw tevens toegezegd dat zij haar zou betalen na ontvangst van de Kinderopvangtoeslag die medeverdachte 1 digitaal voor haar zou aanvragen bij de Belastingdienst (proces-verbaal van verhoor, A-32-V-01 en verklaring ter zitting van de politierechter van 8 februari 2013).

De verdachte heeft verklaard dat haar kind in 2009 en 2010 geen opvang genoot bij de kinderopvang genaamd Villa Topido, gedurende het aantal uren zoals opgegeven in de aanvraag. Voorts is in de aanvraag een ander jaarinkomen opgegeven dan verdachte daadwerkelijk verdiende.

Naar aanleiding van de aanvraag van de verdachte heeft de Belastingdienst op de bankrekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 14.432,00 gestort. De verdachte heeft verklaard dat zij van dit geldbedrag € 4.500,00 aan medeverdachte 1 heeft gegeven, verschillende goederen heeft gekocht, een vakantie heeft betaald en € 7.000,00 in bewaring heeft gegeven aan een derde.

Het hof is van oordeel dat de verdachte, door zonder meer haar relevante persoonlijke gegevens waaronder haar DigiD-code aan een onbekende te verstrekken en deze onbekende tegen betaling van een bedrag – waarvan de hoogte volgens de verdediging niet van tevoren tussen de verdachte en deze op straat tegengekomen onbekende was afgesproken – een toeslag voor haar te laten aanvragen, zonder navraag te doen bij de Belastingdienst (de aangewezen informatiebron in dit geval), bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat in haar naam en op grond van onjuiste gegevens de Belastingdienst zou overgaan tot uitbetaling van de aangevraagde Kinder- opvangtoeslag. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel, dat de verdachte minst genomen met voorwaardelijk opzet de Belastingdienst heeft opgelicht.

De raadsman heeft nog betoogd dat het handelen van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van oplichting, vanwege het geringe aandeel van de verdachte bij de aanvraag. Het hof verwerpt het verweer.

Naar het oordeel van het hof is voorafgaand, tijdens en na afloop van de aanvraag van de genoemde toeslag sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de persoon genaamd medeverdachte 1, gericht op de planning en de uitvoering van het feit en de verdeling van het uitgekeerde geldbedrag, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd. Verdachte heeft door het beschikbaar stellen van haar gegevens en haar DigiD-code een essentiële rol gespeeld bij de op- lichting van de Belastingdienst. Zij heeft verder het geld van haar bank- rekening gehaald en met haar mededader gedeeld. Daarbij heeft de verdachte het grootste deel van de buit ontvangen.

Voor zover de raadsman nog heeft bedoeld te bepleiten dat vrijspraak zou moeten volgen omdat het dossier niet volledig is en de verdediging daarom niet heeft kunnen doen wat de verdediging moet doen, namelijk het toetsen van de inhoud van het dossier, wordt dit verweer verworpen. Het dossier bevat voldoende informatie om de schuld of de onschuld van de verdachte ten aanzien van het haar ten laste gelegde op verantwoorde wijze te kunnen beoordelen, en overigens kan op grond daarvan het ten laste gelegde worden bewezen als hierna weergegeven, zodat er voor vrijspraak geen aanleiding is.

Bewezenverklaring

  • Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op: medeplegen van oplichting;
  • Het onder 2 bewezen verklaarde levert op: witwassen.

Strafoplegging

Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 19 juni 2014 is zij eerder ter zake van een aan fraude met gemeen- schapsgeld gerelateerd delict onherroepelijk veroordeeld. Deze omstan- digheid heeft de verdachte er niet van weerhouden opnieuw op strafbare wijze misbruik te maken van het vertrouwen dat in haar gesteld werd.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 160 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Anonieme informatie als startinformatie voor een opsporingsonderzoek

Gerechtshof Amsterdam 30 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:1963 (gepubliceerd op 4 juli 2014)

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 20 juli 2011 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, een wapen van categorie III, te weten revolver (merk Nagant), en/of munitie van categorie III, te weten 4, althans één of meer patro(o)n(en) (kaliber .32 S&W L), voorhanden heeft gehad.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep onder meer betoogd - zakelijk weergegeven - dat het gebruik van informatie die is verkregen van een anoniem gebleven persoon als basis om dwangmiddelen toe te passen, primair dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dan wel tot bewijsuitsluiting van het door de inzet van die dwangmiddelen verkregen bewijs zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde. Volgens de raadsman is de informatie niet op haar betrouwbaarheid getoetst en daardoor is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim.

Voorts heeft de raadsman betoogd dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Een redelijk vermoeden van de aanwezigheid van wapens en munitie als bedoeld in artikel 49 van de Wet wapens en munitie (WWM) kan worden aangenomen op basis van een anonieme melding. Voorts kan de politie anonieme informatie gebruiken als startinformatie voor een opsporingsonderzoek. Aangezien de melder of tipgever in beginsel anoniem blijft en diens betrouwbaarheid niet of nauwelijks kan worden getoetst, dient naar de inhoud van de melding nader onderzoek plaats te vinden. Het resultaat van dat onderzoek kan er vervolgens toe leiden dat er een zodanige verdenking ontstaat dat dwangmiddelen gebruikt kunnen worden. In de onderhavige zaak gaat het om het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 20 juli 2011 van de verbalisanten verbalisant 1, verbalisant 2 en verbalisant 3 blijkt onder meer dat het onderzoek in de onderhavige strafzaak is gestart nadat verbalisant 1 op 20 juli 2011 te 16:00 uur op het Bijlmerplein te Amsterdam Zuidoost sprak met een hem ambtshalve van gezicht bekende man, die hem verklaarde:

“Die verdachte bewaart in zijn grijze Lexus een vuurwapen achter het dashboard. Het zit vlak boven zijn radio, je moet het dashboard daar een beetje loswrikken.”

Vervolgens zag verbalisant 1 aan het politiebureau Flierbosdreef in de hem ter beschikking gestelde politiesystemen dat verdachte van 18/09/1983, regelmatig zou rijden in een Lexus voorzien van kenteken.

Hierop ging verbalisant 1 omstreeks 19:35 uur samen met de verbalisanten verbalisant 2, verbalisant 4 en verbalisant 3 naar het basketbalveldje nabij de flat Hoptille. Het was verbalisant 1 ambtshalve bekend dat verdachte daar regelmatig zou komen. Hierop zagen de verbalisanten om 19:38 uur voornoemde Lexus staan, geparkeerd bij garage Huigenbos. Zij zagen dat verdachte in de Lexus wilde stappen. Verbalisant 1 hield verdachte staande op grond van de Wet wapens en munitie en zag dat verdachte de autosleutel in zijn hand had. Vervolgens vroeg verbalisant 1 aan verdachte of hij verdachte was en of het zijn auto was. Verbalisant 1 hoorde verdachte zeggen: “Ja”, en zei vervolgens dat hij van de politie was en dat zij informatie hadden dat hij in het bezit zou zijn van een vuurwapen.

Hierop stapte verbalisant 1 in de Lexus en bekeek samen met verbalisant 3 de plek boven de autoradio. Zij zagen vervolgens dat het dashboard losraakte nadat verbalisant 1 dit heen en weer wrikte. Hierop zagen zij achter het dashboard een zwart kleurige sok liggen met daarin een voorwerp met de vorm van een revolver. Hierop deelde verbalisant 1 zijn collega verbalisant 2 mede dat verdachte kon worden aangehouden op grond van de Wet wapens en munitie. De revolver is vervolgens veiliggesteld door verbalisant 4, waarbij is vastgesteld dat het vermoedelijk gaat om een revolver van het type Nagant.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 april 2014 heeft het hof verbalisant 1 als getuige gehoord en deze heeft onder meer verklaard dat hij, nadat hij met de tipgever op straat had gesproken, het belangrijk vond om de gekregen informatie te onderzoeken nu verdachte een prominent lid van de groep is.

Gelet op hetgeen hiervoor is gerelateerd is het hof van oordeel dat de stelling van de raadsman dat de anonieme informatie niet inhoudelijk en op haar betrouwbaarheid is getoetst, niet juist is. Het hof is van oordeel dat de inhoud van de informatie verkregen van de anoniem gebleven persoon tamelijk concreet is en in combinatie met de nader verkregen gegevens een voldoende grondslag vormden voor een verdenking van overtreding van de WWM om toepassing te geven aan de bevoegdheid verdachte staande te houden en op grond van de WWM de auto te doorzoeken. Een verdenking tegen verdachte op grond van art. 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is eerst later ontstaan, zoals in het proces-verbaal van bevindingen is gerelateerd

Ten overvloede overweegt het hof dat uit de stukken van het geding en het onderzoek ter terechtzitting duidelijk is geworden dat de Lexus met het kenteken op 7 januari 2011 voor het eerst voorkomt in het systeem van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en dat het voertuig op naam van de verdachte wordt gesteld. Op 14 januari 2011 wordt voornoemd voertuig op naam gesteld van familielid verdachte en op 7 juli 2011 wordt het voertuig op naam gesteld van betrokkene. Gedurende de periode tussen 22 januari 2011 en 20 juli 2011 zijn er negen politiemutaties, waarin wordt beschreven dat de verdachte de bestuurder/eigenaar van voornoemd voertuig was ondanks dat het voertuig niet op zijn naam stond.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat het vuurwapen in Nederland op enig moment in de Lexus is gestopt. Nu de verdachte bij de politie onder meer heeft verklaard dat hij de enige bestuurder van de Lexus is en dat alleen hij in het bezit is van de sleutel van de Lexus, is het hof van oordeel dat de verdachte minst genomen zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het vuurwapen met munitie in de Lexus. De verklaring van de verdachte dat als hij naar een coffeeshop gaat de mensen met wie hij in de auto was dan in de auto blijven zitten, maken dit naar het oordeel van het hof niet anders.

Het alternatieve scenario van de raadsman, te weten dat het vuurwapen mogelijk al in de auto lag voordat de verdachte over de auto kon beschikken, acht het hof niet aannemelijk en overigens onvoldoende onderbouwd, nu de tip zeer specifiek was en direct in de richting van de verdachte wees.

De verweren van de raadsman worden dan ook verworpen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak witwassen: Onvoldoende bewijs dat de verdachte wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de geldbedragen uit enig misdrijf afkomstig waren

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2054

Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 28 augustus 2009 de panden adres te Axel heeft verkocht aan haar ex-partner (medeverdachte) voor een bedrag van 75.000 euro k.k. Het aankoopbedrag van in totaal 80.561,74 euro is op 26 augustus 2009 overgeboekt van een bankrekening op naam van betrokkene 1 h/o bedrijf naar de bankrekening van de notaris. Vervolgens is op 1 september 2009 een bedrag van 75.018,28 euro overgeboekt van de bankrekening van de notaris naar de bankrekening van de verdachte. Op 3 september 2009 heeft de verdachte van deze bankrekening een contante geldopname gedaan van 50.000 euro. Volgens de verklaring van de verdachte heeft zij dit geldbedrag vervolgens aan medeverdachte gegeven, naar zij aannam ten behoeve van de aflossing van een eerdere, door het echtpaar betrokkene 2 verstrekte geldlening, welke destijds door medeverdachte zou zijn geregeld.

Het hof stelt voorop dat aan het dossier geen aanwijzingen zijn te ontlenen dat de verdachte ten aanzien van de in de tenlastelegging genoemde panden enig strafrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Het hof stelt vast dat een gedeelte van het aankoopbedrag van 80.561,74 euro uit enig misdrijf afkomstig was. In de periode van 31 juli 2009 tot 10 augustus 2009 werden zeven contante stortingen op de bankrekening op naam van betrokkene 1 h/o bedrijf gedaan tot een totaalbedrag van 85.000 euro. Deze gestorte geldbedragen waren afkomstig van een bankrekening in Luxemburg, die volgens de verklaring van medeverdachte van hem was en spaartegoeden betrof afkomstig uit zijn autohandel. Omdat medeverdachte deze spaartegoeden niet bij de belasting had aangegeven en daarover geen belasting had betaald, dient in ieder geval een gedeelte van het aankoopbedrag te worden aangemerkt als van enig misdrijf afkomstig als bedoeld in artikel 420bis/420quater van het Wetboek van Strafrecht.

Gelet op het vorenstaande staat vast dat de verdachte in de ten laste gelegde periode een bedrag van 75.000 euro (het bedrag ontvangen uit de verkoop van de panden adres) voorhanden heeft gehad en een bedrag van 50.000 euro (het bedrag contant betaald aan medeverdachte) heeft overgedragen, terwijl in ieder geval een gedeelte van deze geldbedragen afkomstig was uit enig misdrijf, namelijk het door medeverdachte ontduiken van de belasting.

Met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat geen bewijs voorhanden is dat de verdachte wist dat de hiervoor genoemde geldbedragen gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig waren, zodat de verdachte van het onder 2 primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, maar met de verdediging, is het hof voorts van oordeel dat op basis van het dossier evenmin kan worden geconcludeerd dat de verdachte redelijkerwijs moest vermoeden dat de hiervoor genoemde geldbedragen gedeeltelijk uit enig misdrijf afkomstig waren. De omstandigheid dat medeverdachte twee jaar voordien niet over voldoende financiële middelen beschikte om toen de panden aan te kopen, brengt naar het oordeel van het hof niet zonder meer met zich dat verdachte, door geen nader onderzoek te doen naar de herkomst van de gelden, in de gegeven omstandigheden zodanig heeft gehandeld dat sprake is van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Verdachte heeft verklaard dat medeverdachte, voor zover aan haar bekend was, zich bezig hield met autohandel. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat op het moment van de verkoop van de panden aan medeverdachte de relatie tussen de verdachte en medeverdachte inmiddels was verbroken en de verdachte geen contact meer had met medeverdachte. Ook de omstandigheid dat de verdachte het geldbedrag van 50.000 niet rechtstreeks aan het echtpaar betrokkene 2 heeft overgemaakt maar contant aan de verdachte heeft gegeven, maakt naar het oordeel niet dat sprake is van grove of aanmerkelijke onvoorzichtigheid aan de zijde van de verdachte, in aanmerking genomen dat zij voordien ook op geen enkele wijze bemoeienis had gehad bij de totstandkoming van de vermeende geldlening en zij nadien ook geen contact had met het echtpaar betrokkene 2. Een en ander vindt bevestiging in de verklaring van de getuige betrokkene 2.

Mitsdien is het hof van oordeel dat de verdachte eveneens van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Feitelijk leiding geven aan verduistering van gelden die het bedrijf van verdachte onder zich had

Gerechtshof Den Haag 9 juli 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2267

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan verduistering van gelden die zijn bedrijf onder zich had. Het bedrijf van verdachte heeft in opdracht van anderen openstaande vorderingen bij derden geïncasseerd, maar heeft deze geïncasseerde gelden niet naar haar opdrachtgevers overgemaakt, zoals afgesproken, maar voor eigen doeleinden gebruikt.

Voorts heeft verdachte opzettelijk een vervalste cheque bij de Rabobank willen incasseren. Tot slot heeft verdachte niet voldaan aan de verplichting om als bestuurder een juiste administratie van een besloten vennootschap te voeren en na sommatie aan de curator over te leggen. Hierdoor heeft de verdachte een goede afhandeling van het faillissement moeilijk gemaakt met (onbekend) nadeel voor crediteuren.

Bewezenverklaring

1. Verduistering, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

8. Opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

9. Als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, aan hem te wijten zijn dat aan de in artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek omschreven verplichtingen niet is voldaan en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers, waarmee volgens artikel 10, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek administratie is gevoerd, niet in ongeschonden staat worden te voorschijn gebracht.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Faillissementsfraude: Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan / opdrachtgeven tot bedrieglijke bankbreuk

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 25 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2019

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van:

  1. als feitelijk leidinggever aan het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement was verklaard plegen van eenvoudige bankbreuk (feit 1 subsidiair),
  2. als feitelijk leidinggever aan het als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement was verklaard plegen van bedrieglijke bankbreuk (niet verantwoorden van baten en onttrekken van enig goed aan de boedel: feit 2 primair),
  3. oplichting (feit 3 primair) en
  4. valsheid in geschrift (feit 4)

veroordeeld tot taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest alsmede tot een voor- waardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft de rechtbank beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen.

De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Standpunt OM en verdediging

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste is gelegd en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij benadeelde zal worden toegewezen.

Door de verdediging is primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair, in ge- val van een bewezenverklaring, is bepleit om aan verdachte een lagere straf op te leggen. Ten aanzien van de benadeelde partij heeft de verdediging bepleit dat deze niet-ontvankelijk zal worden verklaard dan wel wordt afgewezen.

Beoordeling Hof

Deelvrijspraak feit 2 primair

Het hof is van oordeel dat niet bewezen kan worden dat verdachte het opzet heeft gehad om de tien mobiele telefoons en de laptop aan de failliete boedel te onttrekken en spreekt verdachte van dat onderdeel vrij. Verdachte heeft aangevoerd dat de mobiele telefoons in 2006 zijn aangeschaft en in bezit waren van personeelsleden en dat hij denkt dat deze ten tijde van het faillissement al kapot waren. Ten aanzien van de laptop heeft de verdachte aangevoerd dat deze bij een ander personeelslid in gebruik was, hij niet meer weet bij wie en hij niet eraan heeft gedacht de laptop ter beschikking te stellen aan de curator. Het hof acht deze verklaring niet onaannemelijk.

Tevens acht het hof niet bewezen dat verdachte de opbrengst uit de verkoop van de Ford Clipper, te weten € 150,-, opzettelijk aan de failliete boedel heeft onttrokken. Verdachte heeft dit geringe bedrag voor de auto ontvangen bij de inruil voor een vervangende auto voor een andere BV. Het hof acht het om die reden voorstelbaar dat verdachte, zoals hij heeft aangevoerd, er niet aan heeft gedacht deze – niet contant ontvangen - geringe opbrengst aan de curator op- en af te geven.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

De verdediging heeft bepleit dat verdachte zal worden vrijgespro- ken. Daartoe heeft de verdediging ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad, ook niet in voorwaardelijke zin, op het verkorten van de rechten van de schuldeisers. Met betrekking tot het voeren van een ondeugdelijke administratie is aangevoerd dat het een en ander verdachte boven zijn hoofd is gegroeid en ten aanzien van het ter beschikking stellen van de administratie meende de verdachte dat de achterliggende (bewijs)stukken niet ter beschikking hoefde te worden gesteld aan de curator.

Ten aanzien van feit 2 is aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het onttrekken van de goederen aan de boedel.

Met betrekking tot de feiten 3 en 4 heeft de verdediging betoogd dat het wel degelijk de intentie is geweest dat betrokkene werkzaamheden zou gaan verrichten en deze ook heeft verricht voor rechtspersoon. De arbeids- overeenkomst was derhalve niet valselijk opgemaakt. Nu betrokkene wel als werkneemster van rechtspersoon kon worden beschouwd, mocht zij ook aangemeld worden bij benadeelde en had zij recht op een maandelijkse uitkering.

Het hof overweegt als volgt.

Ten aanzien van feit 1

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en het voorhanden zijnde dossier is het volgende gebleken. Rechtspersoon is bij vonnis van de rechtbank te Utrecht van 11 juli 2007 in staat van faillissement verklaard. Verdachte was bestuurder van stichting. Deze Stichting was sinds 21 november 2006 enig aandeelhouder/bestuurder van rechtspersoon.

Ten aanzien van het niet te voorschijn brengen van alle bestaande administratie

De bestuurder van een failliete rechtspersoon dient op vordering van de curator alle dan bestaande administratie, inclusief de bewijsstukken daarbij, terstond en ongeschonden aan de curator te overhandigen.

De curator heeft verklaard dat hij enkele malen zowel schriftelijk als mondeling aan verdachte heeft verzocht alle aanwezige administratie te overhandigen. In het bijzonder de stukken die snel inzicht konden geven in de posten van de debiteuren en crediteuren ontbraken in de administratie. De curator heeft de door verdachte beschikbaar gestelde administratie meegegeven aan verbalisant van de politie Brabant Zuid-Oost. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen heeft verbalisant op 28 augustus 2008 van de curator vier verhuisdozen met de administratie van rechtspersoon ontvangen. Op 3 september 2008 heeft verbalisant nog wat aanvullende administratieve bescheiden van de curator ontvangen.

Tijdens een later verhoor van verdachte op 29 oktober 2008 heeft verdachte verklaard dat er op het kantoor aan de adres te Tiel nog belangrijke administratie aanwezig zou zijn. Deze administratie bleek zich bij navraag te bevinden op het bedrijfsadres van de pandeigenaar, pandeigenaar te ’s-Hertogenbosch. Op 30 oktober 2008 is er een onderzoek ingesteld naar deze administratie. Uit onderzoek is gebleken dat de inhoud van de aan- getroffen ordners en mappen administratieve bescheiden bevatte welke betrekking hadden op rechtspersoon. Zo werden onder andere aangetroffen: huur-, lease-, en zakelijke contracten, belastingaanslagen, aanmaningen van de Belastingdienst, administratie met betrekking tot het UWV, een agenda over het jaar 2007, omzetgegevens, reserveringsadministratie en personeelsadministratie. Voorts werden op 13 november 2008 op aanwijzing van verdachte bij het bezoek aan het pand adres te Tiel nog zeven ordners met administratie van rechtspersoon aangetroffen. Deze ordners bevatte onder meer de dagstaten 2006 en de dagstaten 2007.

Gelet op het voorgaande is komen vast te staan dat verdachte ondanks de vordering van de curator om alle administratie aan hem af te geven, niet alle aanwezige administratie aan de curator ter beschikking heeft gesteld. De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat de vordering van de curator zich uitstrekte tot deze stukken en dat hij niet wist dat de curator deze stukken nodig had, acht het hof hoogst onaannemelijk. Bij dit oordeel heeft het hof acht geslagen op de inhoud en aard van de niet aan de curator afgedragen administratie. Hiertoe behoorde belangrijke correspondentie van en met de Belastingdienst, terwijl de failliete BV grote belastingschulden had (waarover het hof hierna nog nader overweegt), en belangrijke bescheiden betreffende de omzet en het personeel. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze bescheiden onderdeel uitmaken van de administratie, zodat het – bij gebrek aan contra-indicaties - niet anders kan dan dat verdachte opzettelijk een belangrijk deel van de administratie niet aan de curator ter beschikking heeft gesteld.

Artikel 343 van het Wetboek van Strafrecht vereist dat de daarin opgenomen gedragingen moeten zijn verricht “ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers”. Hiermee wordt tot uitdrukking gebracht dat de bestuurder van de failliete BV, te weten stichting waarvan verdachte weer de bestuurder was, ten tijde van de gedraging het opzet moet hebben gehad op de benadeling van de schuldeisers. Voorwaardelijk opzet is in dat verband voldoende. Dit betekent dat voor het bewijs van dat opzet tenminste is vereist dat de gedraging van de bestuurder de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan en dat deze bestuurder ten tijde van de gedraging deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard (zie onder andere Hoge Raad 11 mei 2010, RvdW 2010, 652).

Gezien het feit dat het faillissement een aanzienlijke tekort bevat (volgens de curator in zijn in eerste aanleg ingediende voegingsformulier ten bedrage van 426.274,33 euro) en gezien de aard van de niet aan de curator afgedragen administratie, heeft het niet afdragen daarvan een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers veroorzaakt en kan het - bij gebreke aan contra-indicaties- niet anders dan dat verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard.

De verdachte heeft derhalve opzettelijk niet de gehele administratie ter beschikking gesteld aan de curator, ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers.

De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit als bedoeld in artikel 343 aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever / opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Ten aanzien van het niet voldoen aan de verplichting tot het voeren van een administratie in de zin van artikel 10, eerste lid, van Boek 2 BW

Daarnaast is het hof van oordeel dat de stichting in strijd met de verplichting uit artikel 2:10 van het Burgerlijk Wetboek niet een zodanige administratie heeft gevoerd dat daaruit te allen tijde de rechten en de verplichtingen van rechtspersoon konden worden gekend. Het hof overweegt in dit verband dat verdachte als bestuurder van de Stichting eind 2006 wist dat rechtspersoon in ernstige financiële problemen verkeerde. Op de terechtzitting in eerste aanleg heeft hij verklaard “dat rechtspersoon eind 2006 al in financiële nood verkeerde”. Vanaf medio 2006 werd geen loonbelasting meer betaald aan de Belastingdienst en vanaf februari 2007 werd er geen omzetbelasting meer betaald. In oktober 2006 heeft verdachte nog een faillissement weten af te wenden door de vordering van de aanvragers, het UWV en het College Zorgverzekeringen, te voldoen. De vordering van de Belastingdienst is destijds niet voldaan. Verdachte heeft hierover zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard. In hoger beroep heeft verdachte aanvullend verklaard dat de financiële situatie in 2007 verergerde. Zo waren er verschillende incassodreigingen van crediteuren en de Belastingdienst. Tevens zijn er meerdere faillissementsaanvragen geweest in 2007, onder andere door de verhuurder van het pand waar rechtspersoon gevestigd was.

Gelet op deze omstandigheden kan het niet anders zijn dat verdachte zich vanaf eind 2006 tot de datum van het faillissement moet hebben ge- realiseerd dat rechtspersoon op een faillissement afkoerste.

Het hof is van oordeel dat verdachte in de periode vanaf eind 2006 tot de datum van het faillissement een ondeugdelijke administratie heeft gevoerd en dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan. Verdachte heeft met behulp van fictieve annuleringen de dagopbrengst verlaagd. Hierdoor vielen de dagstaten lager uit. Met het geld dat werd verkregen door de fictieve annuleringen werd bijvoorbeeld de schoonmaakster zwart uitbetaald. Het hof heeft hierbij acht geslagen op de getuigenverklaringen van getuige 1, getuige 2 en getuige 3.

Daarnaast werden er betalingen gedaan zonder deugdelijke onderbouwing waardoor die betalingen niet konden worden gecontroleerd. Zo werden er uit de kassa loon of voorschotten betaald zonder toelichting of een onder- liggende factuur. administrateur, administrateur van rechtspersoon, heeft verklaard dat sommige facturen dubbel zijn betaald. Begin juni 2007 had hij een bedrag van € 100.000,- op kruisposten open staan en € 30.000,- op vraagposten.

Tevens is uit een overzicht van de inkoopfacturen 2007 gebleken dat op de facturen niet was aangegeven of ze al dan niet betaald waren.

Zoals gezegd moet verdachte in de periode vanaf eind 2006 tot het faillissement hebben geweten dat rechtspersoon op een faillissement afkoerste. Door in deze periode op bovenstaande wijze geen deugdelijke ad- ministratie te voeren, heeft verdachte een aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers doen ontstaan, doordat aldus een aanmerkelijke kans in het leven werd geroepen dat in het latere faillissement het inzicht in de rechten en de plichten van de schuldeisers werd verminderd en onrechtmatige en paulianeuze gedragingen met (meer) moeite aan het licht zouden kunnen komen. Nu verdachte voornoemde gedragingen heeft verricht c.q. laten verrichten terwijl hij wist dat rechtspersoon afkoerste op faillissement, kan het niet anders dan dat hij ten tijde van deze gedragingen de aanmerkelijke kans op deze benadeling bewust heeft aanvaard.

Dit alles betekent dat verdachte deze gedragingen heeft verricht, althans laten verrichten ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van rechtspersoon. De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit als bedoeld in artikel 343 aanhef en onder 4 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever/opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 1 wordt verworpen.

Ten aanzien van feit 2

Verdachte was als bestuurder van de bestuurder van de failliete BV verplicht de curator alle boedelactiva op- en af te geven.

Uit diverse getuigenverklaringen is gebleken dat in april/ mei 2007 kantoormeubilair en kantoorapparatuur is verhuisd van het kantoor aan de adres te ’s-Hertogenbosch naar het kantoor aan de adres te Tiel. Het betrof onder meer een faxapparaat, twee computers, een printer, een lamineer- apparaat, bureaus en archiefkasten. Gelet op de aangifte van de curator en de daarbij behorende bijlagen is deze inventaris niet ter beschikking gesteld aan de curator. Deze verhuizing heeft plaatsgevonden op een moment - gelet op hetgeen is overwogen onder feit 1 - dat verdachte reeds moeten hebben geweten dat rechtspersoon afkoerste op een faillissement. Gelet op de waarde van het meubilair en de apparatuur tezamen, acht het hof het niet aannemelijk dat verdachte, zoals hij heeft aangevoerd, deze goederen vergeten was te verantwoorden en af te dragen aan de curator.

Voorts is uit het voorhanden zijnde dossier gebleken dat in april 2006 door rechtspersoon LCD schermen zijn aangekocht. Drie van deze schermen stonden in het restaurant rechtspersoon te Tiel, aldus verdachte. De simpele mededeling van verdachte dat hij vergeten was de LCD schermen te verantwoorden bij de curator omdat ze in het restaurant te Tiel stonden, acht het hof onaannemelijk. Verdachte wist namelijk dat die schermen tot de inboedel van de failliete Bv behoorden.

Gelet op het voorgaande acht het hof bewezen dat verdachte ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers baten niet heeft verantwoord en goederen aan de boedel heeft onttrokken. Verdachte heeft namelijk drie LCD-monitoren, kantoormeubilair en kantoorapparatuur niet aan de curator verantwoord en afgedragen. De gedraging en het opzet van verdachte als bestuurder van stichting, kan aan laatstgenoemde worden toegerekend. Hierdoor geldt stichting als pleger van dit strafbare feit uit artikel 343 aanhef en onder 1 van het Wetboek van Strafrecht en kan verdachte als feitelijk leidinggever/opdrachtgever ter zake van dit door de Stichting gepleegd feit worden veroordeeld.

Het verweer van de verdediging ten aanzien van feit 2 wordt verworpen.

Ten aanzien van de feiten 3 en 4

Op 1 januari 2006 is een ‘arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd’ getekend door rechtspersoon als ‘werkgever’, vertegenwoordigd door verdachte, en betrokkene als ‘werknemer’. Ex-werknemer, een toenmalige werknemer van rechtspersoon, heeft verklaard dat hij deze overeenkomst in opdracht van verdachte heeft klaargemaakt. Blijkens de artikelen 3, 4 en 6 van deze ‘arbeidsovereenkomst’ zou betrokkene vanaf 1 januari 2006 werkzaam zijn als vestigingsmanager.

Haar werkzaamheden zouden gaan bestaan uit het zorgdragen voor het tapasrestaurant. De gemiddelde wekelijkse arbeidstijd zou 38 uren bedragen en betrokkene zou hiervoor een salaris van € 2950,- bruto per maand ontvangen.

De verdachte heeft op 11 november 2008 bij de politie verklaard dat betrokkene bij rechtspersoon in dienst is getreden, maar dat zij feitelijk geen dag heeft gewerkt. De arbeidsovereenkomst zou een opzet zijn om via het salaris verdachtes schuld aan betrokkene af te betalen. Het was niet de bedoeling dat betrokkene 38 uren per week voor rechtspersoon ging wer- ken. De verklaring van verdachte wordt ondersteund door een schriftelijke verklaring van verdachte van 3 juli 2007 waarin hij schrijft dat betrokkene geen werkzaamheden verrichte voor rechtspersoon en dat de arbeids- overeenkomst dan ook niet in overeenstemming was met de werkelijke situatie. De maandelijks te verrichten salarisbetalingen strekten uitsluitend tot de betaling van de aflossing van de door hem aan betrokkene verschuldigde bedragen.

Het verweer van de raadsman dat verdachte zich gedwongen zou hebben gevoeld om de verklaring op 11 november 2008 bij de politie af te leggen, slaagt niet, omdat daar op geen enkele manier van is gebleken, en verdachte bovendien al op 3 juli 2007 op eigen initiatief (ter verwijdering van een onder rechtspersoon gelegd derdenbeslag) een gelijkluidende schriftelijke verklaring had opgemaakt.

Voorts vinden de verklaringen van verdachte steun in verschillende getuigenverklaringen. betrokkene heeft verklaard dat zij de ‘arbeids- overeenkomst’ heeft ondertekend en niet op de werkvloer van rechtspersoon heeft gewerkt.

Getuige 4 heeft verklaard dat betrokkene niet in dienst was van rechtspersoon, nooit voor rechtspersoon heeft gewerkt en dat verdachte door haar onder druk zou worden gezet. Het salaris voor het fictieve dienstverband van betrokkene, zou worden verminderd op het saldo van verdachtes schuld aan haar.

Ook andere werknemers van rechtspersoon zoals getuige 2 hebben ver- klaard dat zij betrokkene nooit werkzaamheden hebben zien uitvoeren.

Het hof overweegt dat een arbeidsovereenkomst een meerzijdige rechtshandeling inhoudt waarbij beide partijen een bepaald rechtsgevolg beogen, namelijk dat de ene partij (in casu betrokkene) zich jegens een andere partij (in casu rechtspersoon, vertegenwoordigd door verdachte) verbindt om in dienst van die andere partij tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten.

Uit voorgaande volgt dat nimmer sprake is geweest van een echte arbeidsovereenkomst waarmee door beide partijen werd beoogd dat betrokkene bij rechtspersoon in dienst zou treden en daadwerkelijk de in die ‘arbeidsovereenkomst’ opgenomen werkzaamheden tegen het daarin bepaalde salaris zou verrichten. Uit de hierboven aangehaalde bewijsmiddelen volgt dat dit niet de werkelijke bedoeling was van de partijen, maar dat partijen onder het mom van een ‘arbeidsovereenkomst’ via het overeengekomen ‘salaris’ de schuld van verdachte aan betrokkene wilde aflossen. Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte, zoals is ten laste gelegd onder 4, het arbeidscontract valselijk heeft opgemaakt.

Tevens is het hof van oordeel dat verdachte het oogmerk bezat om het valselijk opgemaakte arbeidscontract als echt en onvervalst te doen gebruiken. Zo heeft verdachte het arbeidscontract opgenomen in zijn eigen bedrijfsadministratie met het gevolg dat rechtspersoon een salarisbetaling verrichtte aan betrokkene, terwijl het in werkelijkheid een afbetaling betrof van verdachtes privé-schuld aan betrokkene.

Hiermee heeft t verdachte zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrift zoals bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Voort is het hof van oordeel dat verdachte, zoals is ten laste gelegd onder 3, zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting.

Na het opmaken van voornoemde valse arbeidsovereenkomst heeft verdachte betrokkene op 5 april 2006 als ‘werknemer’ van rechtspersoon bij verzekeringsmaatschappij benadeelde ziek gemeld, terwijl betrokkene feitelijk geen werkneemster was van rechtspersoon. Na afwijzing van die ziekmelding door benadeelde heeft verdachte contact opgenomen met benadeelde via de tussenpersoon bank met de mededeling dat hij vergeten was betrokkene aan te melden op de Werkattentpolis en dat hij daar pas achter was gekomen toen zij ziek werd. benadeelde schade is akkoord gegaan dat de ziekmelding van betrokkene alsnog in behandeling zou worden genomen.

Medewerker heeft namens aangever benadeelde verklaard dat als benadeelde vooraf had geweten dat betrokkene slechts een fictieve werkneemster was, betrokkene niet voor de verzekering Werkattent in aanmerking zou zijn gekomen. Doordat benadeelde van de door verdachte verstrekte informatie is uitgegaan, heeft benadeelde ten onrechte een bedrag van € 20.507,20 aan rechtspersoon uitgekeerd.

Het hof is van oordeel dat verdachte door een of meer listige kunstgrepen benadeelde heeft bewogen tot afgifte van geld. Verdachtes handelen is naar het oordeel van het hof te kwalificeren als oplichting in de zin van artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

De verweren van de verdediging worden verworpen.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een voorwaardelijke gevangenis- straf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het feitelijk leidinggeven aan/opdrachtgeven tot bedrieglijke bankbreuk, oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten niets aangetrokken van de belangen van de benadeelden. Hij heeft het werk van de curator bemoeilijkt door het niet (tijdig) ter beschikking stellen van een behoorlijke administratie. Door dit handelen was het voor de curator niet alleen onmogelijk om correct te kunnen vaststellen wat er onder wie moest worden verdeeld, ook het kunnen onderkennen van eventuele onregel- matigheden in het zicht van het faillissement om daarna via acties als de Pauliana of onrechtmatige daad de daardoor veroorzaakte schade op te heffen of te verminderen, is aldus ernstig bemoeilijkt c.q. gefrustreerd. Voorts heeft verdachte door de oplichting van benadeelde financiële schade berokkend en door deze oplichting en de gepleegde valsheid in geschrifte het vertrouwen beschaamd dat men in het verzekeringsverkeer en dergelijke geschriften moet kunnen hebben. Verdachte heeft kennelijk slechts gehandeld uit eigen financieel gewin.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Politieagent veroordeeld voor valsheid in geschrifte

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 6 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1810

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van vervalsen, nu de door verdachte aangebrachte wijzigingen geen onwaarheden bevatten. Voorts heeft verdachte geen oogmerk van misleiding gehad, doch juist een oogmerk van juiste en integere informatieverstrekking aan het openbaar ministerie.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep stelt het hof het volgende vast.

Er vindt door het team, waar verdachte deel van uitmaakte, op 28 augustus 2012 een aantal aanhoudingen plaats, die dezelfde dag worden gerelateerd in een proces-verbaal van bevindingen met nummer PL2400 20122090064-50. Dit is het in de tenlastelegging bedoelde proces-verbaal, gedateerd op 28 augustus 2012 en ondertekend door vijf verbalisanten onder wie medeverbalisant (als eerste ondertekenaar) en verdachte.

Door verdachte is bij de aanhoudingen enig geweld gebruikt, met name tegen de verdachte naam 1. Verdachte heeft dit geweld gemeld bij zijn superieuren, met name de hulpofficier van justitie inspecteur inspecteur en dit geweld is gerelateerd in het reeds genoemde proces-verbaal. Door een andere aangehouden verdachte, naam 2, wordt ook melding gemaakt van enig geweld, gepleegd door verdachte. Hiervan heeft verdachte geen melding gemaakt in het proces-verbaal, naar verdachte heeft verklaard omdat het een lichte tik was die hij niet ziet als geweld. inspecteur heeft nog aan verdachte gevraagd of deze nader wilde relateren met betrekking tot het gebruikte geweld - naar later blijkt ten aanzien van de verdachte naam 2 - maar verdachte heeft verklaard dat hij dit begreep als betrekking hebbend op het geweld tegen naam 1 waarover hij reeds had gerapporteerd.

Op 30 augustus 2012, na een dag verlof, bekijkt verdachte in het digitale systeem het opgemaakte proces-verbaal nogmaals omdat hij meent dat inspecteur mogelijk nog zal ingaan op de zaak naam 1. Omdat verdachte van oordeel is dat hetgeen rondom de wederspannigheid van naam 1 niet zorgvuldig genoeg in het proces-verbaal is opgenomen, vult hij het proces-verbaal in het digitale systeem op dat punt aan.

Verdachte kijkt vervolgens waar het originele ondertekende proces-verbaal is. Dit proces-verbaal blijkt zich nog in de map bij de dossiersamensteller te bevinden. De dossiersamensteller is niet aanwezig en verdachte, die, zoals later blijkt ten onrechte, denkt dat het proces-verbaal nog niet is ingestuurd naar het openbaar ministerie, vervangt de bladzijde met de oude tekst in het proces-verbaal door de bladzijde met de door hem vervaardigde nieuwe tekst.

Verdachte heeft de veranderingen aan medeondertekenaar medeverbalisant, die aanwezig was bij de wederspannigheid van naam 1, laten zien.

Het gaat om de volgende cursief gezette aanvulling. Na de zin “Ik, medeverbalisant kreeg de verdachte (hof: naam 1) niet uit het voertuig op dat moment.”, zijn toegevoegd de volgende zinnen:

“Ik schreeuwde dat hij zich niet moest verzetten en dat ik anders geweld zou gebruiken. Ik zag dat hij zich schrap zette door zich uit te strekken in zijn autostoel, waardoor ik hem niet uit de stoel kreeg. Ik, verdachte, hoorde mijn collega medeverbalisant schreeuwen tegen de verdachte dat hij zich niet moest verzetten en mee moest werken. Ik, (…), zag dat mijn collega medeverbalisant de verdachte niet terstond onder controle kreeg doordat deze zich verzette.”

Voorts is de volgende cursief gezette wijziging aangebracht. De oorspronkelijke passage “Ik (hof: verdachte)  gaf de verdachte (hof: naam 1) derhalve één (1) vuistslag in zijn gelaat. Ik, medeverbalisant voelde direct hierna dat de verdachte zijn verzet staakte en mee werkte.” is gewijzigd in:

“Ik (hof: verdachte) gaf de verdachte (hof: naam 1) derhalve één (1) vuistslag in zijn gelaat. Wij, verbalisanten zagen dat de verdachte hierna zijn verzet staakte en mee werkte.”

De eerste vraag waar het hof zich voor gesteld ziet, is of sprake is geweest van vervalsen als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het hof beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt. Verdachte heeft aan een door verschillende verbalisanten op ambtseed/ambtsbelofte opgemaakt en op 28 augustus 2012 ondertekend proces-verbaal op 30 augustus 2012 eigenhandig iets wezenlijks toegevoegd waardoor de oorspronkelijke inhoud van het proces-verbaal gewijzigd is. Dit levert naar het oordeel van het hof vervalsen op. Hierbij is niet van belang of de aanpassingen zelf al dan niet op waarheid berusten. Het gaat erom dat het oorspronkelijke geschrift als zodanig van inhoud is gewijzigd. Dát levert op het plegen van een materiële valsheid. Dat verdachte de wijzigingen aan medeverbalisant heeft laten zien en dat deze met de wijzigingen akkoord was, is dus niet van belang voor het antwoord op de vraag of het oorspronkelijke proces-verbaal is vervalst.

Voorts dient het hof de vraag te beantwoorden of de verdachte het voor bewezenverklaring van valsheid in geschrifte benodigde oogmerk van misleiding heeft gehad. Ook deze vraag wordt door het hof bevestigend beantwoord.

Met de wettelijke term oogmerk in artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht – een geschrift vervalsen “met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken” – wordt bedoeld het oogmerk tot misleiding (aldus de Memorie van Toelichting, Smidt II, p. 254). Dit oogmerk behelst doelbewustheid. Dit houdt in dat het de bedoeling moet zijn geweest van de vervalser dat het vervalste geschrift zou worden gebruikt als echt en onvervalst.

Het was de bedoeling van de verdachte, zo heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep verklaard, dat het door hem gewijzigde proces-verbaal door anderen als echt en onvervalst zou worden gebruikt. Door aldus te handelen, heeft verdachte de indruk gewekt dat er immer één oorspronkelijk proces-verbaal is geweest – namelijk het proces-verbaal zoals dat tot stand was gekomen na de door verdachte aangebrachte wijzigingen – dat als origineel proces-verbaal heeft te gelden. Hiermee staat naar het oordeel van het hof het oogmerk van misleiding vast.

Het hof ziet in het feit dat de verdachte de in zijn ogen waarheidsgetrouwe aanpassingen van het oorspronkelijke proces-verbaal niet heeft neergelegd in een aanvullend proces-verbaal, op te maken en te ondertekenen door hemzelf en medeverbalisant als de verbalisanten op wier bevindingen de aanpassingen betrekking hadden, een aanwijzing dat de verdachte minst genomen niet de aandacht wilde vestigen op deze aanpassingen.

Het hof verwerpt het verweer.

Beroep op gelijkheidsbeginsel

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van verdachte de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit wegens schending van het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing van dat standpunt heeft de raadsman, op gronden zoals verwoord in de overgelegde pleitnota, het volgende aangevoerd. De beslissing om alleen verdachte te vervolgen en niet ook medeverbalisant, de medeverbalisant die de wijzigingen in het proces-verbaal heeft gezien en heeft goedgekeurd, levert een zodanig ernstige schending van het gelijkheidsbeginsel en daarmee van de goede procesorde op dat zulks dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Het hof overweegt als volgt.

Het verweer berust op de veronderstelling dat de strafrechtelijke positie van de verdachte en medeverbalisant gelijk is. Deze veronderstelling is echter niet juist. Het hof stelt vast dat het handelen van verdachte wezenlijk anders is geweest dan het handelen van de medeverbalisant. medeverbalisant heeft immers geen proces-verbaal aangepast noch de oorspronkelijke bladzijde 2 van het origineel vervangen door de aangepaste bladzijde 2. De wijzigingen zijn eigenhandig, op zijn eigen initiatief en uitsluitend door de verdachte aangebracht en aan de papieren versie van het originele proces-verbaal toegevoegd. medeverbalisant heeft enkel de gewijzigde tekst gelezen “ter goedkeuring” (verklaring medeverbalisant, dossierpagina 38). Reeds daarom kan niet worden gesproken van gelijke of sterk vergelijkbare gevallen. Dat medeverbalisant van de door verdachte aangebrachte wijzigingen op de hoogte was, doet hieraan niet af.

Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

  • Valsheid in geschrifte

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 30 uren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Hof Den Haag over waarom rechters niet gebonden zijn aan de LOVS-richtlijnen

Gerechtshof Den Haag 20 juni 2014, ECLI:NL:GHDHA:2014:2173

De verdachte heeft tezamen met zijn medeverdachten via de Rotterdamse haven 20,9 kilogram cocaïne ingevoerd.

Door de officier van justitie is in deze en daarmee samenhangende zaken – kort samengevat - een strafmaatappel ingesteld. De achtergrond hiervan is dat het openbaar ministerie in eerste aanleg om oplegging van een gevangenisstraf heeft verzocht voor een duur die is afgestemd op de richtlijnen van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. De rechtbank is hiervan afgeweken en heeft een beduidend lagere straf opgelegd dan gevorderd, met een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak”. De advocaat-generaal heeft zich op deze grond in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het hof om een oordeel over “een principieel punt” wordt gevraagd op grond van de stelling van de advocaat-generaal dat de rechtbank onvoldoende gemotiveerd heeft waarom zij (sterk) naar beneden is afgeweken van de LOVS-oriëntatiepunten.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het LOVS heeft al geruime tijd geleden een eerste aanzet gegeven om te komen tot een consistent landelijk straftoemetingsbeleid. Besloten is om in de loop van de tijd voor een aantal vaak voorkomende delicten een oriëntatiepunt te ontwikkelen waarop de rechter zich kan richten bij het bepalen van de op te leggen straf; zo ook voor de invoer van harddrugs. Een oriëntatiepunt geeft weer welke straf rechters voor het delict plegen op te leggen. Daarbij is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden die zich in een concreet geval kunnen voordoen, zoals daad- en daderfactoren. Die omstandigheden dient de rechter alsnog mee te wegen als hij in een strafzaak een straf oplegt.

Ten aanzien van de status van de LOVS-oriëntatiepunten is het volgende van belang. Vooropgesteld wordt dat de rechter in een concrete zaak niet gebonden is aan even genoemde oriëntatiepunten. In het verlengde hiervan heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de straftoemetings-oriëntatiepunten niet als recht in de zin van artikel 79 van de Wet op de rechterlijke organisatie kunnen worden beschouwd; bedoelde oriëntatiepunten zijn niet afkomstig van een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden “wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte”, aldus de Hoge Raad in zijn arrest van 3 december 2002, NJ 2003, 570. De gevolgtrekking die aan een en ander moet worden verbonden is dat noch de verdediging noch het openbaar ministerie met vrucht kan klagen over de strafmotivering van rechters en rechterlijke colleges in relatie tot de LOVS-oriëntatiepunten. De grief van de advocaat-generaal behoeft daarom geen verdere bespreking.

Het hof overweegt nog ambtshalve dat tegenover het voorgaande staat dat zich het geval kan voordoen dat de door de rechter opgelegde straf dermate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn (vgl. HR 2 juni 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH8313 en HR 3 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX5479, NJ 2006, 549). Een enkele verwijzing naar “bestendige rechtspraak” volstaat dan onder omstandigheden niet, wanneer die rechtspraak niet zo evident en eenduidig is dat daaruit zonder meer heldere conclusies ten aanzien van de strafmaat kunnen worden getrokken.

Ten aanzien van de jurisprudentie constateert het hof (in het ressort) verschillen in de straftoemeting in het bijzonder in zaken betreffende zeer grote en mega grote hoeveelheden verdovende middelen (hard drugs) enerzijds en kleinere (handels)hoeveelheden anderzijds. Niet ondenkbaar is, dat dit mede een gevolg is van de volgende omstandigheid. IJkpunten rond de straftoemeting bij dergelijk grote hoeveelheden verdovende middelen - welke steeds vaker plegen te worden ingevoerd door grotere internationale nauw met elkaar samenwerkende functionele verbanden, via onder meer de grotere internationaal opererende havens - met een ondergrens van 20 kilogram zijn thans (nog) niet onder de LOVS-oriëntatiepunten begrepen. Wat daar ook van zij, de voorliggende strafzaak voldoet naar het oordeel van het hof bij nadere beschouwing niet aan even bedoelde kwantitatieve normering. Zulks en in onderlinge samenhang beschouwd gelet op de onder verdachte en zijn medeverdachten aangetroffen hoeveelheid ingevoerde verdovende middelen, welke maar nauwelijks de ondergrens van 20 kilogram overstijgt, de beperkte mate waarin zicht is ontstaan op de samenwerking tussen de diverse netwerken en de mate waarin verdachte en zijn medeverdachten daarin participeerden alsmede de omstandigheid dat het slechts één enkel bewezenverklaard transport van verdovende middelen via de Rotterdamse haven betreft.

Het hof neemt op grond van het voorgaande in deze zaak de LOVS-oriëntatiepunten als uitgangspunt van reflectie en houdt voorts rekening met alle bijzondere omstandigheden van elk concreet geval, waaronder de diverse daad- en daderfactoren.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^