Melding doen aan het bevoegde gezag van verandering (van de werking) van de inrichting

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2034

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

2: hij op of omstreeks 21 september, in elk geval in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, heeft veranderd (gehouden) en/of de werking daarvan heeft veranderd (gehouden) (door het (laten) plaatsen en/of laten staan van 2, in elk geval een of meer propaantanks/propaanreservoirs) al dan niet opzettelijk, er niet voor heeft zorggedragen hiervan tenminste vier weken voor die verandering (van de werking) van die inrichting aan burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlemmermeer, althans aan het bevoegd gezag , melding te doen, immers was (in ieder geval) op 21 september 2011 en/of op 12 december 2011 die melding nog niet gedaan;

3: hij op of omstreeks 21 september 2011 en/of 12 december 2011, in elk geval in of omstreeks de periode van 21 september 2011 tot en met 12 december 2011 te Vijfhuizen, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, als degene die een garage(bedrijf) (garage bedrijfsnaam) gelegen aan de adres 2, gemeente Haarlemmermeer, althans een inrichting type B als bedoeld in artikel 1.2 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer, dreef, al dan niet opzettelijk, niet heeft voldaan aan een of meer bij of krachtens dit besluit gestelde regels, immers was/waren in strijd met voorschrift 4.8.35 van de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 19 (PGS 19) twee, in elk geval een of meer propaanreservoir(s) en het/de vulpunt(en) niet goed bereikbaar voor de tankwagen en/of de tankwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 2

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij er niet voor heeft zorggedragen dat tenminste vier weken voordat zijn inrichting veranderd werd (gehouden) dan wel de werking daarvan werd veranderd, van die verandering (van de werking) van die inrichting melding werd gedaan aan het bevoegde gezag. Op grond van artikel 1.10 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer dient degene die een inrichting opricht, hiervan ten minste vier weken voor de oprichting melding te doen aan het bevoegde gezag. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing geacht met betrekking tot het veranderen van een inrichting en het veranderen van de werking daarvan. Voorts is in het tweede lid van voornoemd artikel opgenomen dat een dergelijke melding achterwege kan blijven indien eerder een melding overeenkomstig dit artikel is gedaan en door dit veranderen geen afwijking ontstaat van de bij die melding verstrekte gegevens en op grond van de in dit artikel genoemde artikelen geen andere gegevens zouden moeten worden verstrekt.

Door de raadsvrouw is gesteld dat de eigenaar van het terrein (hierna: eigenaar terrein) waarop het garagebedrijf van de verdachte staat, reeds op juiste wijze melding had gemaakt van de plaatsing van de propaantanks en dat de verdachte dientengevolge niet strafbaar is. De advocaat-generaal heeft deze stelling als zodanig niet betwist. Het dossier biedt geen aanknopingspunten op grond waarvan aangenomen zou moeten worden dat de stelling van de raadsvrouwe niet juist kan zijn. Nu niet valt uit te sluiten dat reeds een melding in de zin van de Wet milieubeheer (nader uitgewerkt bij het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer) was gedaan door eigenaar terrein en dat de verdachte conform het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer daarom niet was gehouden melding te doen van het laten staan van voornoemde propaantanks, moet de verdachte van het hem ter zake ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het hof is met de raadsvrouw en de advocaat-generaal van oordeel dat op grond van het dossier niet is komen vast te staan of de propaantanks behorende bij de inrichting van de verdachte nog in gebruik waren in de ten laste gelegde periode en derhalve bereikbaar dienden te zijn voor de tankwagen en de chauffeur daarvan. Het hof zal de verdachte daarom tevens vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Het hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF