Grootschalige fraude: Bewezenverklaring medeplegen gewoontewitwassen & deelneming aan criminele organisatie

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11 juli 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:5596

In de periode december 2008 tot mei 2012 zijn diverse personen en bedrijven benadeeld voor een bedrag van ongeveer 1,3 miljoen euro. Daarnaast is getracht nog meer mensen en/of bedrijven op te lichten voor eveneens hoge bedragen. Verdachte had binnen de organisatie een prominente rol. Hij is bij een groot aantal oplichtingen en pogingen daartoe betrokken geweest en had een belangrijk aandeel in het wegsluizen van het geld via allerlei BV’s.

Er is op vergaande wijze (onder meer door verdachte) getracht te voorkomen dat de feiten zouden worden opgehelderd en de deelnemers van de organisatie konden worden getraceerd. De criminele organisatie maakte op grote schaal gebruik van BV’s die ingezet werden om het verkregen geld weg te sluizen en het zicht op de eindbestemming weg te nemen. Deze BV’s werden veelal op naam gezet van katvangers, mensen die vaak vanwege de problematische situatie waarin zij verkeren bereid zijn één of meer BV’s op hun naam te zetten in verband met de (kleine) vergoeding die zij hiervoor krijgen, maar die door hun aansprakelijkheid voor de schulden van de BV’s nog verder in de problemen kunnen komen. Ook is gebruik gemaakt van bankrekeningen van mensen die wel traceerbaar zijn en die daardoor in de financiële problemen zijn geraakt of konden raken. Verder had de organisatie mensen nodig die bereid waren facturen van of aan hun bedrijven te verstrekken aan de organisatie. De mist die door organisatie was gecreëerd heeft er toe geleid dat het onderzoek door de FIOD tijdrovend was en dus veel (belasting)geld heeft gekost. Een dergelijk tijdrovend onderzoek leidt er verder toe dat de FIOD andere onderzoeken moet laten liggen en er dus minder fraudegevallen kunnen worden opgehelderd. Ook dit is schadelijk voor de maatschappij. De gecreëerde mist heeft er verder toe geleid dat, ondanks het uitgebreide onderzoek van de FIOD, lang niet alles is opgehelderd. Zo is geen (volledig) zicht gekregen op de eindbestemming van het door oplichting verkregen geld en op alle deelnemers van de organisatie en mogelijk zelfs op nog meer slachtoffers.

Doorzoeking kast

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat bij de medeverdachten van verdachte onder valse voorwendselen, op basis van een boekhoudkundige controle, een kast vol materiaal (onrechtmatig) in beslaggenomen is. Van dit inbeslaggenomen materiaal mag in de zaak van verdachte geen gebruik gemaakt worden. Dat er geen schending zou zijn van de Schutznorm doet daar niet aan af, gelet op de context van de zaak, aldus de raadsman.

Het hof stelt vast de dat kast, waarin zich de later in beslag genomen administratie bevond, niet in de woning van verdachte stond. Niet verdachte, maar medeverdachten medeverdachte 2 en medeverdachte 1 hadden als enige toestemming kunnen geven voor een doorzoeking van de kast. Indien deze toestemming niet zou zijn gegeven, zijn daarmee niet de belangen van verdachte geschonden. Daarom behoeft, in lijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad, in de zaak van verdachte geen rechtsgevolg aan enig in dit verband zich voordoende vormverzuim te worden verbonden. Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

(Deelname aan) criminele organisatie

Namens verdachte is aangevoerd dat hij weliswaar de criminele organisatie heeft gefaciliteerd door het aanleveren van templates aan medeverdachten 2 en 1, maar dat hij daarvan geen deel heeft uitgemaakt.

Het hof verwerpt het verweer. Door de criminele organisatie werden bedrijven, overheidsinstanties en personen valselijk bewogen grote bedragen over te maken naar rekeningen waarover één of meer deelnemers van de criminele organisatie de beschikking hadden. Vervolgens werden die bedragen (een aantal malen) doorgeboekt naar rekeningen van (andere) BV’s die eveneens in handen waren van de criminele organisatie, waarna het geld uiteindelijk veelal contant werd opgenomen. Uit het onderstaande en de later uit te werken bewijsmiddelen blijkt dat verdachte een zodanige betrokkenheid had, dat bewezen kan worden dat hij deel uit maakte van de criminele organisatie.

Bewezenverklaring

Het in de zaak met parketnummer 16-990302-12 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Het in de zaak met parketnummer 16-990302-12 onder 2 primair bewezen verklaarde levert op:

  • medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

Het in de zaak met parketnummer 16-992002-13 onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

  • handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafoplegging

De geraffineerde wijze waarop de strafbare feiten werden gepleegd vormt voor het hof een zwaarwegende factor bij het bepalen van de straf. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar. Het hof komt hiermee tot hogere straf dan de rechtbank en de advocaat-generaal.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

De medeverdachten zijn veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaar en 8 maanden resp. 2 jaar en 4 maanden.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF