Oplichting Belastingdienst door het aanvragen van Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens

Gerechtshof Amsterdam 7 juli 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2609

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting van de Belastingdienst, door het aanvragen van een Kinderopvangtoeslag onder vermelding van valse gegevens. Het naar aanleiding van de aanvraag ten onrechte uitgekeerde geldbedrag werd uitgegeven en daarmee witgewassen. De verdachte wist dat het kind/de kinderen niet buitenshuis bij een kinderopvang verbleef/verbleven, maar heeft desondanks de toeslag aangevraagd, dan wel laten aanvragen door een derde.

De raadsman heeft het hof verzocht de verdachte vrij te spreken van het haar ten laste gelegde wegens gebrek aan bewijs en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Een persoon (betrokkene), dan wel ene medeverdachte heeft de verdachte voorgehouden dat zij recht had op Kinderopvangtoeslag. De verdachte heeft, gelet op haar opleidingsniveau en omstandigheden, zorgvuldig gehandeld door in haar omgeving navraag te doen met betrekking tot (haar recht op) (een eventuele uitkering door de Belastingdienst van) de genoemde toeslag. De raadsman is daarom van mening, dat niet kan worden bewezen dat de verdachte het opzet heeft gehad op oplichting van de Belastingdienst.

De raadsman heeft voorts betoogd, dat de verdachte weliswaar in samenwerking met medeverdachte bij de Belastingdienst Kinderopvang- toeslag heeft aangevraagd, maar dat het handelen van de verdachte niet kan worden gekwalificeerd als het medeplegen van oplichting, nu geen sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met mede- verdachte.

Nu verdachte geen opzet had op het (medeplegen van) oplichting, heeft zij dientengevolge evenmin met opzet de verkregen geldbedragen witgewassen.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

De verdachte heeft verklaard dat zij noch in 2008, noch in 2009 werkte. Haar kinderen werden thuis opgevangen. Aangezien zij wilde gaan werken, heeft zij door een ander, betrokkene, Kinderopvangtoeslag laten aanvragen. Toen bleek dat zij toch thuis zou blijven en kinderopvang daarom niet meer nodig was, heeft zij geprobeerd de aanvraag ongedaan te laten maken. De verdachte heeft verklaard dat dit niet meer mogelijk was en dat betrokkene het door de Belastingdienst uitgekeerde bedrag heeft opgestreken. De aanvraag door betrokkene is in deze strafzaak niet tenlastegelegd.

De verdachte heeft vervolgens belangrijke persoonlijke gegevens, waaronder haar bankrekeningnummer, haar BSN nummer, haar DigiD code en de gegevens van haar kinderen, verstrekt aan medeverdachte, een haar onbekende vrouw die zei dat ze bij de Belastingdienst werkte. Medever- dachte zou verdachte helpen, heeft voor haar een nieuwe DigiD-code aangevraagd en is vervolgens bij haar thuis geweest om de DigiD-code op te halen.

In januari 2010 is bij de Belastingdienst uit naam van de verdachte een digitale aanvraag Kinderopvangtoeslag gedaan met betrekking tot kin- deropvang in 2009 voor haar beide kinderen.

De verdachte heeft verklaard dat haar twee kinderen in 2009 geen opvang genoten bij de kinderopvang 1 en bij kinderopvang 2, gedurende het aantal uren zoals opgegeven in de aanvraag. Voorts is in de aanvraag een ander jaarinkomen (uit dienstbetrekking) opgegeven dan verdachte daadwerkelijk ontving aan uitkering. Gezien haar verklaring bij de FIOD, wist de verdachte uit de eerste aanvraag bij betrokkene dat Kinderopvangtoeslag bedoeld is voor ouders die werken en die als gevolg daarvan hun kinderen bij een kin- deropvang moeten brengen.

Zij wist daarom dat zij geen recht had op de genoemde toeslag.

Naar aanleiding van de aanvraag van de verdachte heeft de Belastingdienst op de bankrekening van de verdachte een bedrag van in totaal € 17.708,00 gestort. De verdachte heeft verklaard dat zij van dit geldbedrag haar schulden heeft afbetaald.

Naar het oordeel van het hof is voorts voorafgaand en tijdens de aanvraag van de genoemde toeslag sprake geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en medeverdachte, gericht op de planning en de uitvoering van het feit, dat is voldaan aan de voorwaarden voor de strafbare vorm van samenwerking die als medeplegen kan worden gekwalificeerd.

Onder de geschetste omstandigheden is het hof van oordeel, dat de verdachte met opzet in vereniging de Belastingdienst heeft opgelicht en dat zij vervolgens gebruik heeft gemaakt van het ten onrechte aan haar uitgekeerde geldbedrag, terwijl zij wist dat het van misdrijf afkomstig was.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan:

  1. medeplegen van oplichting
  2. witwassen

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 160 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF