Veroordeling verduistering van subsidiegelden: geen sprake van burgerpseudodienstverlening, geen niet-ontvankelijkheid o.g.v. gestelde schending cautieplicht

Gerechtshof Den Haag 22 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:1100

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie in strijd heeft gehandeld met aan aantal strafvorderlijke beginselen, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Er is volgens de raadsman sprake van een schending van het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM en een schending van artikel 8 EVRM. Dit dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging, aldus de raadsman.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt gevallen waarin en wijze waarop feitenrechter herstelbeslissing kan geven

Hoge Raad 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:932

Bij het geven van een herstelbeslissing gaat het om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de juiste executie van de uitspraak.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. genoten voordeel ingeval strafbare feit op zichzelf geen voordeel oplevert (valsheid), maar kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren

Hoge Raad 22 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:948

Onder wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kan ook worden begrepen daadwerkelijk genoten voordeel in het geval dat het strafbare feit op zichzelf geen rechtstreeks voordeel oplevert, maar kennelijk ertoe strekt en geëigend is voordeel te genereren (vgl. HR 25 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:AK1554).

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen m.b.t. redelijk vermoeden van schuld en verhoorsituatie

Hoge Raad 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:853

Wanneer door de politie aan een verdachte gestelde vragen gaan over zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit ten aanzien waarvan hij als verdachte is aangemerkt, is sprake van een verhoor. Op grond van artikel 27 lid 1 Sv wordt als verdachte aangemerkt degene te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit. Dat vermoeden betreft zowel de omstandigheid dat een strafbaar feit wordt of is begaan, als de betrokkenheid van een persoon bij dat feit. Daarom kan, ook als (nog) niet vaststaat dat een strafbaar feit plaatsvindt of heeft plaatsgevonden, sprake zijn van een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit en daardoor van een verhoorsituatie.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Samenloop van een tuchtrechtelijke en een strafrechtelijke procedure

Het komt voor dat over hetzelfde feitencomplex zowel een tuchtrechtelijke als een strafrechtelijke procedure wordt gevoerd. Volgens de jurisprudentie van het EHRM en de tuchtcolleges is dit niet in strijd met het ne bis in idem-beginsel. Toch is die samenloop niet zonder complicaties. Dit artikel gaat over een daarvan, namelijk de situatie dat de beroepsbeoefenaar zich, met het oog op een lopende of naderende strafrechtelijke procedure, niet vrij voelt om in de tuchtprocedure mondeling en schriftelijk te verklaren over de inhoud van de klacht.

Read More
Print Friendly and PDF ^