OvJ niet-ontvankelijk in hoger beroep: e-mail aan griffie zonder elektronische handtekening kan niet worden gezien als een bijzondere schriftelijke volmacht in (art. 450 Sv)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 30 november 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:9790

Ingevolge artikel 450, eerste lid, aanhef en onder b Sv kan het aanwenden van de rechtsmiddelen, bedoeld in artikel 449, ook geschieden door tussenkomst van een vertegenwoordiger die daartoe persoonlijk, door degene die het rechtsmiddel aanwendt, bij bijzondere volmacht schriftelijk is gemachtigd. Deze bepaling geldt voor elke procespartij en dus ook voor de officier van justitie die door tussenkomst van een vertegenwoordiger een rechtsmiddel wil aanwenden. Niet alleen de raadsman namens de verdachte en de verdachte zelf maar ook de officier van justitie heeft zo de mogelijkheid om door middel van een bijzondere volmacht een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Advocaten die vragen, worden door de rechter-commissaris overgeslagen

Ter terechtzitting is de regel dat een toegewezen getuige die door de verdediging, à decharge, is opgeroepen en niet eerder is gehoord, door de verdediging wordt ondervraagd. Dat betekent dat zij ter terechtzitting met voorrang boven de andere procespartijen begint ‘haar’ getuige te ondervragen, zij de volgorde van de vragen bepaalt en ook vrij is te kiezen om vragen niet te stellen. Die regel zou ook moeten gelden voor getuigenverhoren bij de rechter-commissaris en wettelijk moeten worden verankerd. In de praktijk vist de verdediging in laatstgenoemde verhoren namelijk nog te vaak achter het net. Advocaten die vragen, worden door de rechter-commissaris overgeslagen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Uitsluiting bewijs na zonder bevoegdheid openen van bijrijdersportier van personenauto waar inbrekerswerktuigen werden aangetroffen

Gerechtshof Den Haag 12 oktober 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:2064

Door de verdediging is bepleit dat de verdachte van het tenlastegelegde wordt vrijgesproken, nu verscheidene bewijsmiddelen van het bewijs behoren te worden uitgesloten daar zij onrechtmatig verkregen zijn. Daartoe is aangevoerd dat de dwangmiddelen door welke deze zijn verkregen zijn toegepast zonder daartoe bestaande bevoegdheid, nu deze niet konden worden gebaseerd op een redelijk vermoeden van schuld dat enig strafbaar feit was gepleegd.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. de belangenafweging waarvan de motivering van de rechter blijk moet geven bij afwijzing van het verzoek

Hoge Raad 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1763

Voor het oordeel dat de omstandigheid die aan het verzoek ten grondslag is gelegd, niet aannemelijk is, volstaat echter niet steeds de vaststelling dat die omstandigheid onvoldoende is onderbouwd. Het is immers mede afhankelijk van de aard van de aangevoerde reden – in het bijzonder of het gaat om een omstandigheid die zich onverwacht aandient, bijvoorbeeld in verband met ziekte van de verdachte – of, alvorens wordt beslist op het verzoek, gelegenheid dient te worden geboden het verzoek van een nadere toelichting te voorzien en/of op een later moment (alsnog) bewijsstukken over te leggen.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt overwegingen omtrent de individuele aansprakelijkheid van tot een groep behorende personen (deelnemers) voor onrechtmatig vanuit de groep toegebrachte schade ex art. 6:166 BW

Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1726

Artikel 6:166 lid 1 BW bepaalt dat indien één van tot een groep behorende personen onrechtmatig schade toebrengt en de kans op het aldus toebrengen van schade deze personen had behoren te weerhouden van hun gedragingen in groepsverband, zij hoofdelijk aansprakelijk zijn indien deze gedragingen hun kunnen worden toegerekend.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Geslaagd beklag tegen beslag op vorderingen van klaagster op de NVWA

Hoge Raad 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1749

Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van de rechtbank dat voldoende aanwijzingen bestaan dat de inbeslaggenomen voorwerpen – vorderingen die de klaagster heeft op de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit – aan de klaagster zijn gaan toebehoren met het kennelijke doel de uitwinning van die voorwerpen te frustreren.

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR: Art. 74 AWR staat niet aan ontneming in de weg als er ook sprake is van niet fiscale delicten

Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1716

Het hof heeft geoordeeld dat artikel 74 AWR niet aan ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in de weg staat, omdat de betrokkene zich niet alleen aan een fiscaal delict, maar ook aan ‘valsheid in geschrift’ heeft schuldig gemaakt. In dat verband heeft het overwogen dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene correspondeert met de opbrengst van de door hem voor zijn diensten in rekening gebrachte prijs en niet met het belastingnadeel. Dit oordeel geeft, in het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, niet blijk van een onjuiste uitleg van artikel 74 AWR.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over toepassing ne bis in idem bij buitenlandse vonnissen

Parket bij de Hoge Raad 3 november 2020, ECLI:NL:PHR:2020:1021

Read More
Print Friendly and PDF ^

HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. verhoorbijstand

Hoge Raad 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1756

Het hof heeft geoordeeld dat in 2011 aan het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet het recht kon worden ontleend op aanwezigheid en bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie (de zogenoemde verhoorbijstand), nu het recht op verhoorbijstand eerst op een later in de tijd gelegen moment aan de verdachte is toegekend. Dat oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting gelet op wat de Hoge Raad in het arrest van 17 december 2019 heeft overwogen. Het middel klaagt daarover terecht.

Read More
Print Friendly and PDF ^

Artikel: Komt het zwijgrecht alleen toe aan formele bestuurders?

In de voorliggende zaak, waarin een boete is opgelegd vanwege het niet in overeenstemming met het werkplan op een veilige wijze verwijderen van asbest, meende de onderneming dat aan haar voorman de cautie had moeten worden gegeven omdat hij leiding gaf aan de werkzaamheden. De Afdeling houdt echter vast aan haar rechtspraak dat het zwijgrecht van een rechtspersoon uitsluitend toekomt aan haar bestuurders. Mocht de voorman zelf worden beboet als feitelijk leidinggever of als normadressaat, dan zouden zijn verklaringen alleen uitgesloten hoeven te worden van het bewijs tegen hem.

Read More
Print Friendly and PDF ^