Veroordeling rechtspersoon en feitelijk leidinggever: Ondanks huur met BTW werd ontvangen, is geen BTW afgedragen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6034 (rechtspersoon) Verdachte, een stichting, heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Al die jaren is er telkens een nihilaangifte ingediend, terwijl uit het dossier blijkt dat de Stichting gedurende deze jaren wel degelijk belaste huurinkomsten ontving. Stichting bracht bij de huurder de omzetbelasting in rekening en kreeg deze ook betaald, maar heeft deze gelden vervolgens niet aan de Belastingdienst afgedragen. De Belastingdienst dient erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Door de Stichting is op grove wijze misbruik gemaakt van dit stelsel. Voorts wordt het handelen van Stichting in de maatschappij als zeer verwerpelijk ervaren. Door zo te handelen zijn de Belastingdienst en dus de Staat willens en wetens benadeeld. Daarbij komt dat de administratie van de Stichting niet aan de Belastingdienst is overgelegd en er geen inzicht in de financiële huishouding van de Stichting werd gegeven. Door zo te handelen heeft de verdachte de Nederlandse Staat voor een bedrag van ongeveer €100.000 benadeeld.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Daarbij overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt dat op 1 mei 1993 een beschikking ex artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de belastingdienst is afgegeven met betrekking tot het pand te Duiven. Afschrift van die beschikking is verstuurd naar de verhuurder, Stichting en de huurder, bedrijf B.V. Zowel verhuurder als huurder wisten derhalve dat over de huur omzetbelasting moest worden betaald (en vervolgens dan ook afgedragen aan de belastingdienst). De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2012 verklaard dat niet hij maar de Stichting verdachte de verhuurder was van het pand te Duiven. Uit het dossier is niet gebleken dat het huurcontract van Stichting verdachte is overgedragen aan een andere partij. In het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte door de FIOD op 15 november 2006 heeft deze verklaard dat er bij verdachte twee bestuurders zijn, maar dat de zaken aan hem, betrokkene, zijn overgelaten. Voorts heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij de aangiften heeft ingevuld, dat zijn handtekening eronder staat en dat hij ze daarna op de bus heeft gedaan. Nu over de huur BTW is berekend volgt hieruit dat de omzetbelasting had moeten worden aangegeven op de aangiften.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De onjuiste aangiften voor de omzetbelasting van de Stichting verdachte zijn door de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder van de stichting opgemaakt en verzonden. Verdachte heeft als doel de exploitatie van onroerend goed. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot het doen van de aangiften en de bij de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Het door de vertegenwoordiger van verdachte en de verdediging geschetste scenario als zou niet verdachte de verhuurder zijn en de huurpenningen zou hebben ontvangen wordt als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde geschoven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €72.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6029 (feitelijk leidinggever)

De feitelijk leidinggever wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Fiscale constructie met Antilliaanse Stichting Particulier Fonds (SPF): Veroordeling belastingadviseur voor frauduleuze handelingen

Rechtbank Oost-Brabant 21 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:3916

De rechtbank Oost-Brabant heeft een 63-jarige man uit Breda veroordeeld tot een taakstraf van 50 uur en een geldboete van 10.000 euro voor onder meer belastingfraude en valsheid in geschrift. Zijn 54-jarige zwager uit België en zijn 49-jarige schoonzus uit Eindhoven krijgen voor hun aandeel een taakstraf van 50 uur, de schoonzus krijgt deze geheel voorwaardelijk opgelegd. De rechtbankspreekt de verdachten vrij van witwassen, net als de 83-jarige schoonvader van de Bredanaar.

De 2 mannen en de vrouw hebben zich tussen 2002 en 2010 schuldig gemaakt aan het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften, namelijk het nalaten van het “kruisen” van de trustvraag. In mei 2008 verstrekten ze, per brief, opnieuw onjuiste inlichtingen aan de belastingdienst en tussen 2000 en 2010 werden er onder meer volmachten en notulen vals opgemaakt.

De 63-jarige man was werkzaam als belastingadviseur en partner bij een accountantskantoor en gespecialiseerd in internationaal belastingrecht. Zo regelde hij alles en maakte alle valse documenten op.

De rechtbank honoreerde het beroep op afwezigheid van alle schuld van de zwager en schoonzus maar ten dele. Ondanks dat zij minder deskundig waren dan hun zwager/belastingadviseur, vond de rechtbank dat zij, vanaf mei 2008, niet zondermeer mochten blijven afgaan op zijn belastingadviezen. Een accountant had hen namelijk toen duidelijk gemaakt dat de juistheid van die adviezen geenzins vaststond. Zij hadden toen nader moeten informeren, al dan niet bij de belastingdienst zelf. Aan de verdachten werd ook verweten dat zij ten onrechte niet hadden opgeven dat zij, ondanks een andere juridische structuur, toch feitelijk de beschikking hadden over vermogen dat door de schoonvader was weggezet in een Antilliaanse stichting (SPF). Hier achtte derechtbank de opzet tot het doen van onjuiste aangifte echter niet aanwezig en sprak de verdachten daarvan vrij.

Bij het bepalen van zijn straf weegt de rechtbank mee dat de man uit Breda een leidinggevende rol speelde. Hij had, gelet op zijn opleiding en vakgebied, de aangiften op een juiste wijze moeten invullen en bij twijfel had moeten voorleggen aan de belastingdienst. De man, zijn zwager en schoonzus handelden puur uit winstbejag en zij wilden voorkomen dat de gebruikte constructie ter ontwijking van belastingheffing bekend zou worden bij de fiscus. Anderzijds weegt de rechtbank mee dat de 3 verdachten niet eerder zijn veroordeeld en dat deze zaak jarenlang boven hun hoofd heeft gehangen. Tot slot houdt de rechtbank er bij het bepalen van de straf rekening mee dat de redelijke termijn is overschreden waarbinnen de behandeling van de strafzaak moet zijn afgerond.  Weliswaar kan een deel van de 43 maanden overschrijding worden gerechtvaardigd omdat op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord bij de rechter-commissaris en er rechtshulpverzoeken in het buitenland zijn gedaan. Desondanks blijft er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een behoorlijke overschrijding.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Miljoenenbeslag bij Maastrichtenaar in onderzoek naar belastingfraude

De FIOD heeft op 13 juli jl. in samenwerking met de Belastingdienst beslag gelegd op ruim 60 onroerend goed objecten in Nederland en Duitsland in een onderzoek naar belastingfraude, valsheid in geschrifte en witwassen door een verdachte uit Maastricht. De man is aangehouden. Het strafrechtelijk nadeel door de vermoedelijke fraude is onderwerp van onderzoek maar het gaat vermoedelijk om meer dan 2.000.000 euro. Het fiscale nadeel ligt hoger, ruim 5.000.000 euro.

De verdachte staat aan het hoofd van een groep vennootschappen die investeert in onroerend goed in Nederland en Duitsland. Per vastgoedtransactie zou de groep vennootschappen een bemiddelingsfee betalen aan een Cypriotische vennootschap. Op papier voor ‘makelaarsadvieskosten’, maar het vermoeden is dat er geen werkelijke dienst voor is geleverd. De begunstigde van de vennootschap op Cyprus is via een verhullende constructie vermoedelijk de man die aan het hoofd staat van de groep vennootschappen. Hij had over de bemiddelingsfee inkomstenbelasting moeten afdragen, maar de verdenking is dat dit tussen 2006 en 2014 niet is gebeurd.

De FIOD heeft gezocht in een woning, drie bedrijfspanden en een accountantskantoor in Maastricht.  Er is naast beslag op administratie, ook beslag gelegd op waardevolle goederen, omdat misdaad niet mag lonen. Er zijn in samenwerking met de belastingdienst kunst, sieraden, dure horloges en luxe auto’s in beslag genomen. Er is daarnaast beslag gelegd op tegoeden op circa 30 bankrekeningen en ruim 60 onroerend goed objecten zoals panden en parkeerplaatsen.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

OM ontvankelijk in vervolging: onrechtmatig handelen van Belastingdienst in fiscale procedure raakt positie OM niet

Rechtbank Den Haag 5 juli 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:7506 De raadsman heeft ter terechtzitting een aantal preliminaire verweren gevoerd. Volgens de raadsman is er door het OM en de belastingdienst (te) nauw samengewerkt, met als doel te voorkomen dat ontlastende informatie uit het dossier van het OM resp. de FIOD in het dossier van de Belastingdienst zou terechtkomen.

De raadsman heeft ter onderbouwing van dit standpunt aangevoerd dat de FIOD, onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie, onvoldoende dan wel onvolledige informatie heeft verstrekt aan de verdediging en dat de verdediging niet weet welke informatie er vervolgens aan de belastingdienst is verstrekt. Zo zijn de zogenoemde artikel 55 AWR-vorderingen die de belastingdienst in het kader van de fiscale procedure heeft gedaan niet in het fiscale dossier gevoegd.

De officier van justitie heeft aangegeven dat deze vorderingen - na tussenkomst van de rechter-commissaris - aan de verdediging zijn verstrekt en dat het gehele dossier aan de belastingdienst ter beschikking is gesteld voor inzage.

De rechtbank overweegt dat genoemde vorderingen thans deel uitmaken van het strafdossier. Het gegeven dat bij de verdediging niet bekend is welke informatie uit het dossier aan de belastingdienst is verstrekt is niet van belang voor enige in de strafzaak te nemen beslissing en raakt de belangen van de verdachte in de strafzaak dan ook niet. Evenmin wordt hierdoor het recht op een eerlijk strafproces gefrustreerd. Dit gegeven kan daarom geen rol spelen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van de officier van justitie in onderhavige strafzaak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraf voor belastingfraude, valsheid in geschrift en onttrekken van gelden aan het pandrecht van de Belastingdienst

Rechtbank Limburg 24 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:5514 De verdachte heeft zich in zijn functie van feitelijk leidinggevende bij drie rechtspersonen ingelaten met handelingen die kwalificeren als frauduleuze aangiften, valsheid in geschrifte en het negeren van het pandrecht van de Belastingdienst. De strafbare gedragingen van de rechtspersonen hebben tot een aanzienlijk strafrechtelijk fiscaal nadeel geleid, waarvan tot op heden niet is gebleken dat het door het betalen van naheffingen of het verminderen van terug te krijgen bedragen is rechtgezet. Ook loopt het bedrag hoog op dat ten onrechte aan de g‑rekeningen is onttrokken.

Voorvragen

De verdediging heeft (preliminair) naar voren gebracht dat de dagvaarding nietig moet worden verklaard ten aanzien van de feiten 1 en 2, wegens het ontbreken van administratieve bescheiden en naheffingsaanslagen in het dossier. De administraties van de bedrijven waar het om gaat, zijn niet integraal onderzocht door de Belastingdienst en de FIOD en bevatten veel meer dan de stukken die door het openbaar ministerie als bewijs in het dossier zijn opgenomen. Bovendien ontbreken naheffingsaanslagen en is dus niet bekend wat nu de uiteindelijk vast te stellen fiscale verplichtingen van de bedrijven zijn over de tijdvakken genoemd in de tenlastelegging. De tenlastelegging kan zo niet getoetst worden, aldus de verdediging.

De rechtbank heeft dit verweer ter terechtzitting verworpen, omdat zij van oordeel is dat dit verweer betrekking heeft op de bewijsvraag en niet tot de conclusie kan leiden dat de dagvaarding niet voldoet aan de daar krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering aan te stellen eisen. De dagvaarding is geldig.

De verdediging heeft vervolgens bij pleidooi de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie bepleit, eveneens wegens het ontbreken van meergenoemde administratieve bescheiden en naheffingsaanslagen in het dossier.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. Dat er stukken niet zijn opgenomen in het dossier die de verdediging van belang vindt voor een beoordeling van de bewijsvraag, betekent niet automatisch dat de verdedigingsbelangen door het openbaar ministerie zo grof geschonden zijn, dat het recht op vervolging verspeeld is. De niet-ontvankelijkheid is pas aan de orde als er grove vormverzuimen zijn begaan en/of andere belangrijke processuele beginselen zijn geschonden, waardoor de verdachte geen eerlijk proces krijgt. Dit is door de verdediging niet aangevoerd.

Er is een omvangrijk dossier, dat klaarblijkelijk is gebaseerd op een zeer uitvoerig onderzoek en voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak zijn verzoeken van de verdediging inzake nadere onderzoeken ingewilligd. Zo zijn er stukken aan het dossier toegevoegd, aanvullende processen-verbaal opgemaakt en getuigen gehoord door de rechter-commissaris. Voor zover er verzoeken zijn geweigerd en er in de visie van de verdediging nog relevante stukken ontbreken, kan dat naar het oordeel van de rechtbank in dit geval hooguit tot de conclusie leiden dat bepaalde feiten bewijs ontberen.

Tot slot heeft de verdediging de rechtbank verzocht de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren wegens een onaanvaardbare schending van de redelijke termijn waarbinnen een strafzaak moet zijn afgerond. De officier van justitie heeft daarop naar voren gebracht dat de redelijke termijn in deze zaak weliswaar is geschonden, maar dat dit alleen gevolgen kan hebben voor de strafmaat. Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is niet aan de orde, aldus de officier van justitie.

De rechtbank is met de verdediging en de officier van justitie van oordeel dat de redelijke termijn voor de behandeling van een strafzaak als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) is overschreden in deze zaak. De verdachte is voor het eerst op 20 juni 2011 (als verdachte) verhoord. Die datum houdt de rechtbank aan als startpunt voor de berekening van de in aanmerking te nemen termijn. Dat betekent dat een termijn van vijf jaren is verstreken voordat in de eerste aanleg een eindbeslissing wordt gegeven, terwijl in het algemeen een periode van maximaal twee jaren nog wel als redelijk wordt beschouwd.

Volgens de aanwijzingen die de Hoge Raad heeft gegeven, leidt overschrijding van de redelijke termijn echter niet tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Het verweer wordt daarom verworpen. De schending van de redelijke termijn zal de rechtbank wel, zoals hierna uit een te zetten, betrekken bij de overwegingen omtrent het bepalen van de strafmaat.

De beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht alle feiten bewezen. De verdachte kan als feitelijke leidinggever worden aangemerkt van de bedrijven B.V. 1, B.V. 2 en van B.V. 3

Volgens de officier van justitie heeft B.V. 1 onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting en de loonheffing. B.V. 2 heeft onjuiste aangiften gedaan voor de omzetbelasting en valse facturen opgenomen in de administratie. Door B.V. 3 is in strijd met de regels een bedrag van €150.000 overgemaakt naar een ander bedrijf vanaf een rekening die door middel van een pandrecht van de Belastingdienst was geblokkeerd.

Deze feiten kunnen strafrechtelijk aan de verdachte worden toegerekend. De fiscus is door de tenlastegelegde fraude volgens de officier van justitie voor meer dan €500.000 benadeeld.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van alle feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank is van oordeel dat de feiten bewezen zijn, met uitzondering van het onder 4. tenlastege legde (onjuiste aangifte loonheffing). De rechtbank zal hierna eerst de rechtspersonen beschrijven en de functie die de verdachte heeft vervuld in deze bedrijven. Daarna zal zij het bewijs van de afzonderlijke feiten bespreken, waarbij ook de verweren van de verdediging aan de orde zullen komen.

Daarbij zij nog opgemerkt dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is geweest van enige vorm van medeplegen. De officier van justitie heeft daar bij zijn requisitoir ook geen aandacht aan besteed. De rechtbank zal de verdachte op dat punt dus partieel vrijspreken en er niet verder op ingaan bij de afzonderlijke feiten.

De rechtspersonen en de functie van de verdachte

B.V. 2

Deze besloten vennootschap was volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op het adres adres 1. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld uitzenden en detacheren. De verdachte was met ingang van 1 december 2008 bestuurder van deze vennootschap. Van 6 januari 2005 tot 1 december 2008 stonden de zonen van de verdachte, naam zoon 1 en naam zoon 2, als bestuurder ingeschreven.

De verdachte was in de periode van de tenlastelegging formeel pas per 1 december 2008 bestuurder, maar de verdachte was over de gehele in de tenlastelegging opgenomen periode wel degene die bepaalde wat er gebeurde in het bedrijf. Daarover heeft de verdachte namelijk het volgende verklaard:

De B.V. had eigen machines en die werden verhuurd aan derden. Naam zoon 1 en naam zoon 2 zorgden ervoor dat de machines in orde waren en dat ze verhuurd konden worden. Ze waren aandeelhouder en directeur. Ik was erbij betrokken. In 2007 of 2008 is naam zoon 2 meer naar het buitenland gegaan voor de paardensport en naam zoon 1 ging meubels en bubbelbaden leveren via zijn Belgische vennootschap. Ik ben er toen ingesprongen en mijn vrouw heeft de aandelen overgenomen. Ik ben directeur/bestuurder geworden. Ik heb toen de activiteiten veranderd met uitzenden en detacheren. Ik ben een uitzendbureau begonnen in B.V. 2. De verhuur van machines ging gewoon door.

Ik ben leidinggevende van B.V. 2, B.V. 1 en B.V. 3 Met betrekking tot B.V. 2 ingaande het derde kwartaal 2007 of 2008. Ik ben de baas. Ik neem de beslissingen. Ik neem de werken aan, zowel winst als verlies. Ik ben degene die zegt wie er betaald wordt, crediteuren en loontrekkenden en ZZP-ers. Ik bepaal ook de prijzen voor het inlenen. Ik verdeel de taken onder het personeel.

Ook tegenover de belastingambtenaren die op 14 oktober 2008 ter plaatse een controle hebben verricht bij het bedrijf, heeft de verdachte zich als leidinggevende opgesteld. Daarover heeft controleambtenaar naam controleambtenaar 1 verklaard:

Op de dag van het boekenonderzoek op 14 oktober ben ik met collega naam controleambtenaar 2 naar B.V. 2 op de adres 1 gegaan. Wij troffen daar verdachte.

Verdachte zei dat hij alles wist van B.V. 2. Wij hebben verder met verdachte gesproken. Hij gaf aan zeer nauw betrokken te zijn bij de gang van zaken bij B.V. 2. De activiteiten zouden bestaan uit het uitlenen van personeel in de bouw en ook zouden personeelsleden nog aan andere uitleners worden uitgeleend.

Ook ter zitting heeft verdachte bevestigd dat hij feitelijk leidinggevende was van B.V. 2 in de tenlastegelegde periode.

B.V. 1

Deze besloten vennootschap was in de periode zoals genoemd in de tenlastelegging volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op het adres adres 2. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld het verrichten van uitzendwerkzaamheden en het detacheren van technisch personeel. De verdachte was van 26 maart 2007 tot 1 oktober 2008 algemeen directeur. Zoals hiervoor al weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij ook bij B.V. 1 de leiding had hetgeen hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

B.V. 3

Deze besloten vennootschap was in de periode van de tenlastelegging volgens de gegevens van de Kamer van Koophandel gevestigd op de adressen adres 3 en adres 4. Als bedrijfsactiviteiten staan onder meer vermeld het ontwikkelen van windmolens en het detacheren van personen op dit gebied. De verdachte staat vermeld als functionaris in de periode van 21 augustus 2008 tot 30 december 2008. Zoals hiervoor al weergegeven, heeft de verdachte verklaard dat hij ook bij B.V. 3 de leiding had, hetgeen hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd.

Conclusies van de rechtbank

De conclusie van de rechtbank uit het voorgaande is dat de verdachte bij de drie rechtspersonen aangemerkt kan worden als de feitelijke leidinggevende ten aanzien van de gedragingen van deze rechtspersonen als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte was niet alleen op papier betrokken bij de bedrijven, maar nam ook de voor elk bedrijf de relevante beslissingen en stuurde het personeel aan. Bij de bespreking van de feiten zal naar voren komen dat de verdachte ook persoonlijk gegevens aanleverde voor aangiften bij de Belastingdienst. Dat alles betekent dat de verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor verboden gedragingen van deze rechtspersonen.

Tot slot zij nog vermeld dat het doen van belastingaangiften, het maken en bewaren van facturen, alsmede het doen van overboekingen van bankrekeningen gedragingen zijn die aan de rechtspersonen kunnen worden toegerekend. Deze handelingen passen immers in de normale bedrijfsvoering.

De tenlastegelegde feiten

Feit 1 en feit 3: Onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrift door B.V. 2

B.V. 2 heeft aangiften voor de omzetbelasting gedaan over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2008. De aangiften werden feitelijk gedaan door Accountantskantoor B.V. 4 te Sittard via internet, op 18 juli 2008, 28 oktober 2008 en 30 januari 2009. De aangegeven bedragen waren respectievelijk €0, €9.916 en €25.672.

De verdachte heeft over deze aangiften verklaard dat hij de gegevens voor de aangiften omzetbelasting telkens heeft aangeleverd op een A4-tje. De verdachte schreef de gegevens handmatig op een A4-tje en faxte deze vervolgens naar Accountantskantoor B.V. 4. Het A4-tje waarop de cijfers voor de aangifte over het derde kwartaal 2008 werden genoteerd is opgenomen in het dossier.

Uit het onderzoek van de FIOD komt naar voren dat de aangiften onjuist waren. De FIOD heeft tientallen facturen verkregen van de bedrijven Works International Nederland B.V. (handelsnaam Flexwork) en Janssen de Jong Infra B.V., hierna aan te duiden met Flexwork en Janssen de Jong. Uit deze facturen bleek dat B.V. 2 bij deze bedrijven omzetbelasting, BTW, in rekening heeft gebracht en heeft geïncasseerd, maar deze BTW niet heeft aangegeven. Ook werd op het adres adres 1 een USB-schijf aangetroffen met eveneens tientallen facturen van B.V. 2 aan andere bedrijven, waarin BTW in rekening was gebracht.

In totaal gaat het bij genoemde drie kwartalen om de volgende bedragen:

  • €103.273,92 BTW bij Flexwork;
  • €72.739,60 BTW bij Janssen de Jong;
  • €32.829,65 BTW bij overige ondernemingen.

Opgeteld levert dit een BTW-bedrag op van €208.843,17 dat is gefactureerd. In de aangiften is in totaal slechts een bedrag ad €35.588 opgegeven. Uit een aanvullend proces-verbaal blijkt dat in één van de facturen van Flexwork een rekenfout is gemaakt, die door de FIOD in het onderzoek over het hoofd is gezien. Het verschil tussen het bedrag van de aangiften en de BTW-bedragen van de facturen bedraagt na correctie €166.080. Dat bedrag is derhalve niet opgegeven bij de fiscus en vormt het strafrechtelijk fiscale nadeel.

Dat bedrag had opgegeven moeten worden, omdat een onderneming die BTW in rekening brengt, die ook moet afdragen aan de Belastingdienst overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het niet opgeven van dit bedrag strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven; daarvoor is het verzwijgen van zo’n bedrag op zichzelf geëigend. Naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders zijn dan dat dit bedrag opzettelijk niet in de aangiften is meegenomen. Dit opzet ligt niet alleen bij de rechtspersoon, maar ook bij de feitelijke leidinggevende, nu het om meer dan 100 facturen ging en het niet aannemelijk is dat per abuis zoveel facturen/bedragen niet zijn meegeteld of zijn vergeten, zoals de verdachte in eerste instantie tegenover de controlerende ambtenaren heeft verklaard.

Bij het onderzoeken van de facturen kwam meer aan het licht dan het niet opgeven van omzetbelasting. Geconstateerd werd dat een aantal facturen afkomstig van Flexwork en van Janssen de Jong afweken van de daarmee corresponderende verkoopfacturen die de verdachte uit eigen beweging bij de controle op 14 oktober 2008 heeft verstrekt aan de controlerend ambtenaar. Bij die controle heeft de verdachte 627 verkoopfacturen van B.V. 2 (digitaal) overhandigd, gedateerd op verschillende data in de periode van 7 januari 2008 tot en met 6 oktober 2008, waarna deze facturen vergeleken zijn met de facturen van de andere ondernemingen. Duidelijk is dat de overgelegde verkoopfacturen, die dus deel uitmaakten van de administratie van B.V. 2, bestemd waren om tot bewijs te dienen. Deze dienen immers ter onderbouwing van de (te controleren) aangiften omzetbelasting.

Het verschil bestond daarin dat op de digitale facturen van B.V. 2 vermeld staat “BTW verlegd”, terwijl op de feitelijk verzonden facturen, zoals deze werden aangetroffen in de administraties van Flexwork en Janssen de Jong, de BTW wel in rekening is gebracht. Opvallend daarbij is dat in de facturen die naderhand digitaal zijn aangeleverd het verschuldigde totaalbedrag van de facturen steeds hetzelfde is gebleven. In totaal werden in de digitale facturen vier verkoopfacturen met verlegde BTW gericht aan Janssen de Jong aangetroffen en elf verkoopfacturen met verlegde BTW gericht aan Flexwork. De daarmee corresponderende facturen uit de administratie van Flexwork zijn ook door dat bedrijf betaald. De directeur van Flexwork, genaamd naam directeur, heeft verklaard dat de bedrijven van de verdachte altijd BTW in rekening brengen.

Dat alles betekent dat vijftien digitale verkoopfacturen vals zijn. Niet alleen werd in strijd met de waarheid vermeld dat de BTW verlegd was, ook het factuurbedrag was telkens onjuist. Als de BTW verlegd zou zijn, dan had het door Flexwork en Janssen de Jong totaal te betalen bedrag op deze digitale facturen immers lager moeten zijn dan de bedragen op de facturen uit de administraties van Flexwork en Janssen de Jong, te weten: het bedrag van deze BTW à 19 procent minder. En dat was telkens niet het geval. Daarmee heeft B.V. 2 voorgewend dat zij geen BTW rekent aan haar afnemers over de aan de factuur ten grondslag liggende uitzendarbeid, terwijl zij in werkelijkheid dit wel doet. De door de verdachte aan de controlerend ambtenaar verstrekte facturen zijn dus vervalst.

De verweren

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend dat er sprake is van valse facturen. De door hem overgelegde digitale facturen met verlegde BTW zijn volgens de verklaringen van de verdachte in overeenstemming met de facturen die aan de afnemers zijn verstuurd. Deze verkoopfacturen zijn volgens de verdachte gemaakt als correctie op eerder aan Flexwork en Janssen de Jong verstuurde gelijkluidende facturen, maar dan met BTW. Volgens de verklaringen van de verdachte is er, telkens op verzoek van Flexwork, een corrigerende creditnota gemaakt, gevolgd door een nieuwe factuur met de aanduiding “BTW verlegd”. Die gang van zaken impliceert dat in dat geval Flexwork frauduleus te werk is gegaan door bij de belasting voor te wenden dat het BTW had betaald, dat dan als terug te krijgen voorbelasting kon gelden.

De rechtbank acht een verloop van de zaken volgens dat scenario niet aannemelijk. Het zou voor de hand hebben gelegen dat de verdachte bij de controle dit verloop van de zaken meteen al naar voren zou hebben gebracht of in elk geval uiterlijk bij zijn verhoor op 20 juni 2011, maar daarvan is niet gebleken. De controleambtenaren hebben hem immers ter plaatse gevraagd waarom er wel BTW werd uitgeschreven op de facturen, maar bijna niets werd aangegeven, waarop de verdachte heeft geantwoord dat men vergeten was dat in de aangiften te vermelden.

Bij zijn verhoor door de ambtenaren van de FIOD gaf de verdachte er verder blijk van dat hij op dat moment besefte dat de BTW in de relatie met Flexwork niet verlegd kan worden, wat fiscaal ook juist is, omdat Flexwork een uitzendorganisatie is die in dit geval op haar beurt weer personeel inleent bij B.V. 2. B.V. 2 was daarom verplicht BTW aan Flexwork in rekening te brengen: de verleggingsregeling van de Wet op de omzetbelasting 1968 bij onderaanneming of uitlening van personeel was niet van toepassing. De verdachte wist op dat moment geen andere verklaring te geven voor de facturen met verlegde BTW dan dat een medewerker van B.V. 2, genaamd naam medewerker, deze facturen buiten zijn medeweten om moet hebben gemaakt. De verdachte nam daarbij aan dat meergenoemde naam directeur, directeur van Flexwork, daarover met naam medewerker zou hebben gebeld, maar verklaarde niet over het in dat kader opmaken van creditnota’s ter correctie op andere facturen. Toen vervolgens de facturen van Janssen de Jong ter sprake werden gebracht, heeft de verdachte met een beroep op het recht daartoe geen verdere verklaring meer willen geven.

naam medewerker heeft tegenover ambtenaren van de FIOD verklaard dat Flexwork één van de klanten was waar BTW in rekening moest worden gebracht en dat hij perplex stond door de hem getoonde facturen met verlegde BTW. Ook de facturen uit de administratie van Janssen de Jong duidde hij als correct. De heer naam directeur heeft tegenover de FIOD eveneens verklaard dat hij de facturen met BTW verlegd zo niet kent en dat B.V. 2 altijd BTW in rekening brengt. De beweringen van de verdachte worden dus duidelijk weersproken in deze verklaringen van getuigen.

Daar komt bij dat, in tegenstelling tot wat de verdachte ter terechtzitting heeft volgehouden, naam directeur niet later verklaard heeft dat de door de verdachte geschetste gang van zaken de juiste is. Bij zijn verhoor bij de rechter-commissaris in 2015 sloot naam directeur het bestaan van creditnota’s niet geheel uit. Bij onderzoek dat daarop is gedaan in de administratie van Flexwork naar de aanwezigheid van creditnota’s uit 2008 zijn de door verdachte benoemde creditnota’s, als ook de nota’s met BTW verlegd niet gevonden. Verder blijkt uit onderzoek naar de metadata van de digitale facturen met verlegde BTW dat deze vrijwel alle op één en dezelfde datum zijn aangemaakt en vermoedelijk niet in een regulier administratief proces, wat je echter wel zou mogen verwachten, als Flexwork verdeeld over een periode van 7 juli 2008 tot 15 september 2008 (de periode waarin de factuurdata liggen) telkens aan de bel had getrokken om een ontvangen factuur te doen corrigeren. Dat is geen doorslaggevend bewijs van fraude als het op zichzelf had gestaan, maar gelet op alle overige feiten, omstandigheden en verklaringen, is niet aannemelijk geworden dat er gecrediteerd is en dat niet zijn bedrijf, maar anderen valsheid in geschrift en/of belastingfraude hebben gepleegd.

Ook op overige onderdelen verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging in het kader van het bewijs van de feiten 1 en 3. Aangevoerd is - kort samengevat - dat de strafrechter geen oordeel kan vellen over deze feiten, omdat hij niet weet wat nu uiteindelijk het bedrag is geweest waarvoor de fiscus is benadeeld en dat onbekend is wat B.V. 2 nog moet betalen aan of terugkrijgen van de Belastingdienst. Volgens de verdediging kan alleen de bestuursrechter dit bedrag vaststellen en pas als die beslissing definitief is, zou de strafrechter dit oordeel kunnen overnemen.

Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de rechtbank een de beslissing van de belastingrechter niet behoeft af te wachten; de strafrechter moet de vraag beantwoorden of het voorhanden bewijs tot de overtuiging leidt dat onjuist of onvolledig aangifte omzetbelasting is gedaan en of het misdrijf van valsheid in geschrift is gepleegd. De strafrechter kan aan de hand van het procesdossier zelfstandig deze bewijsvragen beantwoorden. Evenmin is vereist dat de strafrechter beschikt over de in de onderhavige zaak opgelegde (naheffings)aanslagen. De tenlastelegging dwingt de rechtbank er niet toe om een specifiek bedrag met bewijs te onderbouwen. Voldoende is dat uit de bewijsmiddelen volgt dat er (veel) te weinig omzetbelasting is opgegeven door B.V. 2 en dat erstrafrechtelijk nadeel is geweest. Dat is volgens de rechtbank het geval en zij heeft hiervoor dat bewijs specifiek weergegeven. Het strafrechtelijk nadeel staat los van de uiteindelijke betalingsverplichting aan de Belastingdienst in het kader van naheffingen of aanslagen.

Verder wordt het bewijsoordeel niet anders omdat er geen volledige administratie beschikbaar is van B.V. 2. Ook daarvan heeft de verdediging een punt gemaakt. Ten tijde van de aangiften was er kennelijk een complete administratie. Er zijn namelijk geen aanwijzingen dat de administratie van B.V. 2 onvolledig was op 14 oktober 2008 en daar is de verdediging het mee eens. Bovendien beschikte de FIOD over de facturen die uit de administraties van Flexwork en Janssen de Jong afkomstig waren en die dus door B.V. 2 kennelijk aan hen zijn verstuurd. De rechtbank neemt tot uitgangspunt dat de facturen, zowel die uit de administratie van Flexwork, respectievelijk Janssen de Jong, als de door de verdachte uit de administratie overgelegde facturen, een adequate afspiegeling vormen van de gegevens uit onderliggende administratieve bescheiden, zoals inkoop-, verkoop- en kasboek, overzichten van debiteuren en crediteuren en wat dies meer zij, met uitzondering dan van de valse facturen. Niet vereist is dat in het kader van de strafzaak in extenso moet kunnen worden onderzocht of die afspiegeling niet mogelijk fouten bevat die de bewijsconclusies uit de (vele) wél beschikbare stukken onderuit zouden halen. Wanneer men daarnaar op zoek gaat moet worden gesproken van een ‘fishing expedition’. Zo’n onderzoek zou nodig kunnen zijn als de verdediging daarvoor goede argumenten had aangedragen, maar voor die noodzaak wordt geen nadere concrete onderbouwing gegeven door de verdediging, anders dan dat is aangevoerd dat er creditnota’s móéten zijn. Voor zover er onderzoek is gedaan naar het bestaan van zulke creditnota’s, is daar niets gevonden dat als décharge van de verdachte kan worden aangemerkt. Uit het onderzoek is het bewijs naar voren gekomen dat bepaalde bedragen aan ontvangen BTW niet zijn opgegeven. Dat alleen al strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven waardoor de belastingplichtige te weinig betaalt of teveel terugkrijgt. Zoals gezegd staat dat los van de vraag of de uiteindelijke betalingsverplichting op basis van naheffing hetzelfde bedrag zal omvatten als het strafrechtelijk nadeel.

Feit 2: Onjuiste aangiften omzetbelasting door B.V. 1

B.V. 1 heeft aangiften voor de omzetbelasting gedaan over het eerste en over het tweede kwartaal van 2008. De aangiften werden gedaan via internet, op 25 april 2008 respectievelijk op 18 juli 2008. De aangegeven bedragen aan ontvangen BTW waren op nihil gesteld.

De verdachte heeft geen vragen willen beantwoorden bij zijn verhoor door de ambtenaren van de FIOD over deze aangiften. naam 1 heeft verklaard dat hij in opdracht van B.V. 1 de omzetbelastingaangiften heeft gedaan. Dat deed naam 1 via internet vanuit zijn woonplaats woonplaats. naam 1 kreeg de gegevens voor het doen van deze aangiften omzetbelasting door van het kantoor van de verdachte, dat was gevestigd aan de adres 1 meestal per fax. Op basis van die gegevens stelde hij de aangiften op en verzond deze aan de Belastingdienst. Dat gebeurde zowel bij aangiften die hij voor B.V. 2 verzorgde, als bij de aangiften voor B.V. 1.

Uit het onderzoek door de ambtenaren van de FIOD komt naar voren dat de aangiften onjuist zijn. Uit facturen die zijn verkregen van de bedrijven Flexwork en Janssen de Jong blijkt namelijk dat B.V. 1 bij deze bedrijven BTW in rekening heeft gebracht, maar dat deze BTW vervolgens niet is aangegeven. Op het adres adres 1 werd een USB-schijf aangetroffen met verkoopfacturen van B.V. 1. Deze facturen zijn gedateerd op data in de periode van 7 januari 2008 tot 18 augustus 2008. Op een deel van die facturen wordt BTW in rekening gebracht aan nog weer andere bedrijven.

In totaal ging het bij genoemde twee kwartalen in 2008 om de volgende bedragen:

  • €47.952,95 BTW bij Flexwork;
  • €25.270 BTW bij Janssen de Jong;
  • €18.832,65 BTW bij overige ondernemingen.

Opgeteld levert dit een BTW-bedrag op van €92.055,60 dat is gefactureerd. In de aangiften omzetbelasting is echter opgegeven dat de geïnde BTW nihil was. In een aanvullend proces-verbaal wordt aangegeven dat dit bedrag ook door de Belastingdienst als strafrechtelijk nadeel wordt beschouwd.

Voornoemd bedrag had opgegeven moeten worden, omdat een onderneming die BTW in rekening brengt, die ook moet afdragen aan de Belastingdienst overeenkomstig artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Het niet opgeven van zo’n groot bedrag strekt ertoe dat er te weinig belasting wordt geheven; daarvoor is het verzwijgen van een bedrag van die omvang op zichzelf geëigend. Het kan ook niet anders dan dat dit bedrag opzettelijk niet in de aangiften is meegenomen, aangezien het om tientallen facturen gaat waardoor niet aannemelijk is dat per abuis van zoveel facturen de betaalde BTW niet werd doorgegeven aan naam 1.

Gelet op de intensieve bemoeienis van de verdachte bij de gang van zaken in de ondernemingen, niet alleen bij B.V. 2, maar ook bij B.V. 1, die bovendien dezelfde bedrijfsactiviteiten ontplooiden, moet worden aangenomen dat de feitelijke leiding van de verdachte ook betrekking heeft gehad op het tot stand komen van de onjuiste of onvolledige aangiften voor de omzetbelasting.

De verdachte heeft over dit feit geen verklaring afgelegd, maar tegenover de controlerende belastingambtenaren heeft de verdachte wel wat gezegd, dat in dit verband als relevant moet worden aangemerkt. Tijdens die bewuste controle op 14 oktober 2008 heeft de verdachte verklaard dat B.V. 2 een voortzetting is van B.V. 1 en dat hij de BTW van twee facturen die B.V. 1 aan B.V. 2 heeft verstuurd toen B.V. 1 nog van hem was, in de aangifte van B.V. 1 heeft vermeld. De verdachte was algemeen directeur van B.V. 1 tot 1 oktober 2008 en de factuurdata zijn 28 april 2008 en 26 mei 2008. Dat betekent in elk geval dat de verdachte ook bij de aangiften omzetbelasting van B.V. 1 betrokken is geweest, waaronder die van het eerste en tweede kwartaal van 2008, gelet op voormelde factuurdata. Daaraan doet niet af dat uit het dossier blijkt dat deze BTW buiten beschouwing is gebleven, omdat er sprake was van een vrijstelling en B.V. 1 de BTW niethad aangegeven en B.V. 2 het niet als voorbelasting had opgevoerd.

De verweren

Ook bij dit feit acht de rechtbank niet aannemelijk dat er sprake is geweest van creditnota’s en dat de BTW niet op de facturen in rekening behoefde te worden gebracht omdat deze verlegd zou zijn. De rechtbank verwijst voor de motivering naar wat zij bij de feiten 1 en 3 heeft vermeld.

Ook de andere verweren, het ontbreken van administratie en (naheffings)aanslagen en de gebondenheid van de strafrechter aan het oordeel van de belastingrechter, verwerpt de rechtbank op dezelfde gronden als welke hiervoor bij de bespreking van de feiten 1 en 3 werden gerelateerd.

Feit 4: Onjuiste aangifte loonheffing van B.V. 1 : vrijspraak

In de in de tenlastegelegde aangiftetijdvakken, te weten: het zevende en het achtste tijdvak van 2008, heeft B.V. 1 een groot aantal personen aan het werk gehad. Dat valt op te maken uit bij de doorzoeking op de adres 1 aangetroffen uren- en planningsoverzichten van B.V. 1. Daarin is weergegeven dat in de administratie van B.V. 1 een onderscheid werd gemaakt tussen personen met een vast dienstverband en personen die werden ingeleend. Uit het onderzoek van de FIOD blijkt dat B.V. 1 aangifte heeft gedaan voor de loonbelasting in relatie tot de vaste werknemers, maar niet of nauwelijks in relatie tot de personen die volgens het overzicht werden ingeleend.

Indien deze inleen zou hebben plaatsgevonden via andere detacheerders of uitzendbureaus zou dat een verklaring hebben gevormd voor het feit dat in de aangifte voor de loonheffing deze personen niet waren betrokken. Uit het onderzoek is echter naar voren gekomen dat deze personen niet via andere detacheerders of uitzendbureaus werden ingeleend. Bovendien bleek uit het onderzoek dat de ingeleende personen niet bij de Belastingdienst bekend waren als zzp-er en dat slechts een enkeling inkomsten heeft opgegeven bij de Nederlandse Belastingdienst. Voorts zijn er feiten vastgesteld die sterke aanwijzingen vormen voor het feit dat deze ingeleende personen contant werden uitbetaald. Dat alles zou kunnen betekenen dat B.V. 1 zich heeft ingelaten met zwart werk. De officier van justitie is van oordeel dat dit het geval is geweest en dat B.V. 1 ten onrechte een bedrag van €161.153 niet heeft opgegeven, omdat de op de uren- of planningsoverzichten onder ‘inleen’ vermelde personen feitelijk in dienst zijn geweest bij B.V. 1.

Dat laatste heeft de officier van justitie niet alleen gebaseerd op voornoemde omstandigheden, maar ook op de stelling van de FIOD dat vele van de als ingeleend vermelde mensen op het urenoverzicht een schriftelijke arbeidsovereenkomst hadden met B.V. 1. Dat zou blijken uit digitale kopieën van die overeenkomsten en enkele ontslagbrieven, aangetroffen bij de doorzoeking van het bedrijfspand aan de adres 1. Het zou dan gaan om 30 arbeidsovereenkomsten.

De rechtbank heeft uit het dossier niet kunnen opmaken welke van die 30 arbeidsovereenkomsten betrekking hadden op B.V. 1, omdat dit getal van 30 ziet op aangetroffen arbeidsovereenkomsten van twee bedrijven: B.V. 1 én B.V. 3 samen. Op aangiften voor de loonheffing van laatst genoemde bedrijf heeft de tenlastelegging echter geen betrekking. Voor zover op de 74 arbeidsovereenkomsten van B.V. 1 die aan het dossier zijn toegevoegd namen voorkomen van als ingeleend vermelde personen, heeft de rechtbank maar in enkele gevallen met zekerheid kunnen vaststellen dat de betreffende personen in de voor de tenlastelegging relevante tijdvakken ten onrechte als ingeleend staan vermeld en niet zijn betrokken in de betreffende belastingaangiften. Dat betreft de personen genaamd naam 2, naam 3 en naam 4. Van anderen is te zien dat hun inkomsten wel zijn betrokken in de aangiften of is te zien dat hun contract voordien al beëindigd was, dan wel dat de ingangsdatum van het contract gelegen is na de voor de tenlastelegging relevante tijdvakken.

Die enkele gevallen waarin kan worden vastgesteld dat de betreffende personen ten onrechte niet in de belastingaangifte voor de loonheffing zijn betrokken leveren naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijs voor de stelling dat opzettelijk een strafrechtelijk relevant bedrag aan loon niet is opgegeven door B.V. 1. De overige omstandigheden, zoals het ontbreken van var-verklaringen en aangiften inkomstenbelasting van als ingeleend vermelde personen, bewijzen niet onomstotelijk dat B.V. 1 gehouden was belasting in te houden en op te geven voor die personen. Ook de omstandigheid dat B.V. 1 contant uitbetaalde, wat de verdachte niet heeft ontkend, wil nog niet zeggen dat er zwart werk werd verricht, waarvoor B.V. 1 aansprakelijk kan worden gehouden. De rechtbank is daarom niet overtuigd dat het onder 4. tenlastegelegde feit is begaan en moet de verdachte daarvan vrijspreken.

Feit 5: Onttrekking van geld aan het pandrecht van de Belastingdienst

B.V. 3 hield een geblokkeerde bankrekening aan bij de Rabobank te Stein en Beek met rekeningnummer rekeningnummer 1, een zogenoemde g-rekening.

Dit type rekening wordt geopend op basis van een specifieke overeenkomst met de Belastingdienst en dient ter verzekering van de afdracht van BTW, loonheffingen en/of sociale premies. Daartoe wordt aan de Belastingdienst een pandrecht op het saldo van deze rekening verleend. Bedrijven kunnen voorkomen dat zij daarvoor worden aangesproken door de Belastingdienst indien de uitlener BTW, loonheffing of sociale premies verzuimd af te dragen door een dienovereenkomstig gedeelte van het aan hen gefactureerde bedrag te voldoen op de g-rekening van de uitlener. Alleen met vooraf verkregen toestemming na onderzoek van de Belastingdienst mag er van een (hoog) saldo op een g-rekening worden opgenomen door de onderneming (deblokkeren). Overboeken van de ene naar een andere g-rekening is onder bepaalde omstandigheden toegestaan.

In het dossier wordt beschreven dat het overmaken van een percentage van 30 à 40 procent van een factuur naar een g-rekening gebruikelijk is bij uitleen- en detacheringsactiviteiten in de bouw, de branche van de onderhavige rechtspersonen. Op zichzelf is dat geen strikt vastgelegd percentage, maar een factuur volledig voldoen met op een g-rekening gestorte gelden is zonder voorafgaande toestemming van de Belastingdienst niet toegestaan.

Vanaf de g-rekening van B.V. 3 zijn op 24 oktober 2008 bedragen tot een totaal van €150.000 overgemaakt naar een g-rekening van Janssen de Jong (met nummer rekeningnummer 2 ). Deze overboeking werd om 17.00 uur gedaan in vier bedragen: tweemaal €50,000, eenmaal €20.000 en eenmaal €30,000.

De betalingen vanaf de g-rekening van B.V. 3 hadden kennelijk betrekking op twee facturen van Janssen de Jong van respectievelijk €80.000 en €70.000. De factuurnummers op de facturen komen namelijk overeen met de bij de overboeking vermelde factuurnummers.

De facturen vermelden grond- en asfaltwerkzaamheden als door Janssen de Jong geleverde diensten en goederen en dat de BTW wordt ‘verlegd’. De facturen bevatten niet meer dan summier aangeduide werkzaamheden. Dat betekent dat deze facturen voor deze diensten en goederen volledig zijn voldaan door B.V. 3 uit het tegoed op de g-rekening. Van het bestaan van die bepaalde omstandigheden die voldoening van facturen met gelden die op de g-rekening zijn gestort rechtvaardigen is niet gebleken. Voorts moet worden geconstateerd dat volledige voldoening van het factuurbedrag met op de g-rekening gestorte gelden in elk geval niet is toegestaan, in tegenstelling tot hetgeen de verdachte daarover ter zitting heeft verklaard, omdat in alle gevallen het deel dat met op de g‑rekening gestorte gelden wordt voldaan in relatie moet staan tot de door het leveren van de diensten en goederen verschuldigde BTW of loonheffingen. Deze betalingen vanaf de g-rekening zijn daarom in strijd met het doel en de regels voor betalingen op en vanaf een g-rekening, waardoor opzettelijk geld is onttrokken aan het pandrecht van de Belastingdienst.

B.V. 3 schond daarmee de overeenkomsten met De Rabobank en de Belastingdienst, welke overeenkomsten door de verdachte namens het bedrijf getekend werden.

De verdachte is hiervoor als feitelijke leidinggevende strafrechtelijk aansprakelijk, niet alleen gelet op wat hiervoor in paragraaf 4.3.2 is beschreven, maar ook gelet op zijn verklaring ter terechtzitting. Op vragen van de rechtbank heeft de verdachte namelijk verklaard dat hij de opdracht heeft gegeven tot deze betaling vanaf de g-rekening van B.V. 3.

 

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;
  • Feit 3: valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;
  • Feit 5:  opzettelijk zijn eigen goed onttrekken aan een pandrecht, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

Gevangenisstraf van 15 maanden.

Het fiscale nadeel van de belastingfraude van de feiten 1 en 2 bedraagt afgerond €258.135. De onttrekkingen aan de g-rekeningen als beschreven in het dossier bedragen afgerond €373.000. Deze onttrekkingen zijn weliswaar niet allemaal tenlastegelegd, maar de rechtbank houdt bij de bepaling van de strafmaat met de omvang van dat bedrag rekening.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Belangenafweging bij het delen van informatie door de Belastingdienst'

De Belastingdienst deelt allerlei vertrouwelijke gegevens van burgers en bedrijven met andere toezichthouders. In deze bijdrage wordt betoogd dat het delen van fiscale gegevens op gespannen voet staat met de eigen doelstelling: het heffen en innen van belastingen. Het risico van verminderde effectiviteit voor de Belastingdienst wordt belicht vanuit de rechtvaardigheidsbeleving van burgers en bedrijven in het delen van ‘hun’ toezichtgegevens. Geconcludeerd wordt dat een gerechtvaardigde belangenafweging als voorwaarde geldt voor het kunnen delen van fiscale gegevens; transparantie en (aanvullende) rechtsbescherming zijn daarbij onontbeerlijk. Hier ligt een verantwoordelijkheid voor zowel de Belastingdienst als de ontvangende toezichthouder. Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor opzettelijk doen van onvolledige belastingaangifte. Verwerping verweren niet-ontvankelijkheid vanwege onmogelijkheid uitvoeren tegenonderzoek. Geen sprake van pleitbaar standpunt.

Gerechtshof Amsterdam 14 juni 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2260 De verdachte is eind 2006 overeengekomen om garnalen in Marokko te laten pellen waarmee hij inkomen kon verdienen. De verdachte heeft, tot het moment waarop een vennootschap in Liechtenstein is opgericht, en daaraan het pelcontract en de aandelen in een Marokkaanse vennootschap zijn overgedragen, opzettelijk geen inkomen in Nederland in zijn aangiften inkomstenbelasting 2007 en 2008 laten opnemen. De verdachte, die reeds jarenlang als ondernemer werkzaam is, heeft daarmee opzettelijk inkomen dat hij in het buitenland verdiende buiten het zicht van de Nederlandse fiscus gehouden.

De verdachte heeft op eigen initiatief diverse landen bezocht en adviezen ingewonnen om de winstgevende activiteiten in Marokko te verhullen. De verdachte heeft er, ook toen hij wist dat de Belastingdienst onderzoek deed en vragen stelde over het pelstation in Marokko en de Liechtensteinse vennootschap, niet voor gekozen om de Belastingdienst volledig te informeren, terwijl hij daarvoor ruimschoots de tijd heeft gehad.

Bespreking formele verweren

De verdediging heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat door het Openbaar Ministerie is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De verdediging heeft aan dit verweer ten grondslag gelegd de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, de schending van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en de stelling dat het Openbaar Ministerie doelbewust ontlastend materiaal niet aan het dossier heeft toegevoegd en niet aan de verdachte heeft geretourneerd. Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 5 en 6 is daarnaast aangevoerd dat sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel. Voorts heeft de verdediging betoogd dat ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde feit onder het tweede gedachtestreepje het bepaalde in artikel 69, vierde lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) in de weg staat aan strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid Sr.

Beoordeling hof

Naar het hof begrijpt, beroept de verdediging zich ten aanzien van het niet-ontvankelijkheidsverweer op het in de jurisprudentie ontwikkelde Zwolsman-criterium (vgl. HR 19 december 1995, NJ 1996, 249). Deze jurisprudentie richt zich op een schending van het verdragsrechtelijke recht op een eerlijk proces. Het hof stelt voorop dat uit de hier bedoelde jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie alleen dan plaats is, indien sprake is van een ernstige schending van beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Onthouden ontlastend materiaal en zorgvuldigheidsbeginsel

De raadsman heeft betoogd dat de in zijn pleitnotities onder het kopje ‘(ontlastend) bewijsmateriaal’ genoemde stukken, te weten e-mailcorrespondentie tussen naam 1 en naam 2, e-mailcorrespondentie tussen naam 1 en de verdachte en een advies van naam 1 aan de verdachte, bewust niet aan het dossier zijn toegevoegd en niet aan de verdachte zijn geretourneerd. Volgens de raadsman heeft het onthouden van deze stukken tevens zijn weerslag gehad op het verdere verloop van de procedure doordat naam 3 in zijn memo van 12 mei 2011 daarmee geen rekening heeft kunnen houden.

Het hof stelt vast dat voornoemde stukken door tussenkomst van de raadsman inmiddels aan het dossier zijn toegevoegd. Het is te betreuren dat de verdediging eerst na de terechtzitting in eerste aanleg en bij toeval over deze documenten kon beschikken. Aangezien de verdediging in hoger beroep deze stukken inmiddels in het bezit had en daaraan kon refereren is deze omissie evenwel hersteld. Voor zover de betreffende documenten door het Openbaar Ministerie in beslag zijn genomen en niet aan het dossier zijn toegevoegd, overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat dit het gevolg is van doelbewust optreden dan wel grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte door het Openbaar Ministerie. Een zodanige inbreuk op beginselen van een behoorlijk proces dat daardoor verdachtes recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan is aldus niet aannemelijk geworden.

Beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging en gelijkheidsbeginsel

De verdediging heeft daarnaast nog gesteld dat het Openbaar Ministerie op grond van het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging niet tot vervolging over had mogen gaan. De beslissing om de verdachte te vervolgen is volgens de verdediging bovendien in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de strafzaken van medeverdachte 2 en medeverdachte 3 zijn geseponeerd.

Het hof stelt voorop dat het in artikel 167 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) neergelegde opportuniteitsbeginsel aan het Openbaar Ministerie de bevoegdheid toekent zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek vervolging moet plaatsvinden. De beslissing om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing, in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde. Een dergelijk uitzonderlijk geval doet zich voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet terwijl geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn (vgl. HR 6 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX4280).

Naar het oordeel van het hof zijn geen feiten en omstandigheden aannemelijk geworden die tot de conclusie kunnen leiden dat geen redelijk oordelend lid van het Openbaar Ministerie tot het instellen van de vervolging van de verdachte had kunnen besluiten. Evenmin is door de verdediging beargumenteerd dat in de onderhavige zaak anders is gehandeld ten opzichte van het beleid van het Openbaar Ministerie in met zijn zaak sterk vergelijkbare gevallen. De enkele omstandigheid dat de verdachte is vervolgd en medeverdachte 2 en medeverdachte 3 niet – ondanks dat hun handtekeningen wel op het pelcontract stonden en de handtekening van de verdachte niet – is onvoldoende om de conclusie te kunnen trekken dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid, bij afweging van de betrokken belangen, niet tot vervolging van verdachte heeft kunnen overgaan.

Het hof vermag, gelet op het voorgaande, niet in te zien dat het strafproces in zijn geheel in strijd zou zijn met het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. Het verweer wordt derhalve verworpen en het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van de ten laste gelegde feiten 1, 2, 3, 4, 5 eerste gedachtestreepje, en 6.

Artikel 69 AWR

De verdediging heeft gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de strafvervolging ter zake van het onder 5 – onder het tweede gedachtestreepje – ten laste gelegde feit. Artikel 69, vierde lid, AWR bepaalt immers dat vervolging voor het gebruik van valse geschriften is uitgesloten indien het feit ook valt onder artikel 69, eerste en tweede lid, AWR, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent dat het de tenlastelegging aldus begrijpt, dat het Openbaar Ministerie de ten laste gelegde feiten 6 en 5 subsidiair ten laste heeft willen leggen, met dien verstande dat het Openbaar Ministerie ervoor heeft gekozen de verdachte primair te vervolgen voor het opzettelijk voor raadpleging beschikbaar stellen aan de Belastingdienst van valse/vervalste bescheiden als omschreven in het ten laste gelegde feit 6 en, mocht er geen veroordeling volgen voor het onder 6 ten laste gelegde feit, subsidiair te vervolgen voor overtreding van het bepaalde in artikel 225, tweede lid, Sr (als bedoeld in feit 5 onder het tweede gedachtestreepje). Door aldus te handelen heeft het Openbaar Ministerie geen rechtsregel geschonden. Het Openbaar Ministerie is ontvankelijk in de vervolging van het onder het 5 onder het tweede gedachtestreepje ten laste gelegde feit. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Vrijspraak ten laste gelegde feiten 1, 4, 5 en 6

Ten laste gelegde feit 1

Het hof is met de A-G en de verdediging van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. De vennootschap van de verdachte bedrifsnaam. was in 2007 geen partij bij de pelovereenkomst met betrokkene 2. Ook overigens bevat het dossier geen bewijsmiddelen om tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit te komen. Het hof zal de verdachte daarom van feit 1 vrijspreken.

Ten laste gelegde feit 4

In de aangifte vennootschapsbelasting 2008 is vermeld dat bedrifsnaam. een deelneming heeft in Liechtenstein. De verdediging heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat de winsten die voortvloeiden uit de pelactiviteiten niet belast zijn voor de Nederlandse vennootschapsbelasting. Daartoe is onder meer aangevoerd dat de winsten in Marokko onder een tax holiday zouden vallen. Om te voorkomen dat de gelden in Marokko zouden verdwijnen, is betrokkene 1 opgericht zodat de gelden veilig gestald konden worden in Liechtenstein. Het hof is van oordeel dat niet is gebleken dat de verdachte, in weerwil van aan hem verstrekte adviezen, de winst (met inachtneming van transfer pricing regels), opzettelijk niet in de aangifte vennootschapsbelasting 2008 heeft vermeld. Het hof zal de verdachte van het onder 4 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Ten laste gelegde feiten 5 en 6

Uit de bewijsmiddelen volgt dat het pelcontract in januari 2009 is getekend, terwijl als datum van ondertekening van het contract 12 december 2007 is vermeld. Het contract is geantedateerd en aldus in strijd met de waarheid opgemaakt. medeverdachte 2, directeur van betrokkene 2, heeft verklaard dat op enig moment het verzoek van de gebroeders verdachte kwam om het contract niet op hun naam te zetten, maar op naam van betrokkene 1. Daarna is onderzoek gedaan door naam 4 van betrokkene 2. De in januari 2009 opgemaakte overeenkomst is ondertekend door medeverdachte 3 en medeverdachte 2 van betrokkene 2 enerzijds en door naam 5 namens betrokkene 1. Uit de verklaringen volgt dat de verdachte niet betrokken is geweest bij het opstellen van het contract, dat het een standaardcontract betrof dat intern bij Heijploeg is opgemaakt en dat aldaar abusievelijk is geantedateerd. Op grond hiervan is niet wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die heeft bewerkstelligd dat het contract is geantedateerd en dat dit opzettelijk is gedaan. Evenmin kan worden bewezen dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van het contract. Het hof zal de verdachte vrijspreken van de ten laste gelegde feiten 5 en 6.

Oordeel hof feiten 2 en 3

Redengevende feiten en omstandigheden

  • De onderneming van de verdachte is in 2000 ingebracht in bedrifsnaam., van welke vennootschap de verdachte alle aandelen houdt (D-128 1/2);
  • Op 15 september 2005 heeft bedrifsnaam. een fiscaal advies ontvangen van De Raadgevers over het opzetten van een onderneming en het aankopen van een perceel grond in Marokko. Dit advies is gegeven door naam 1 FB;
  • Op 21 november 2006 zijn de verdachte en zijn broer medeverdachte 1, of een nader te noemen meester, een overeenkomst aangegaan met betrokkene 2. De ingangsdatum is 1 maart 2007 en het contract was geldig voor vijf jaren. betrokkene 2 leverde op basis van dit contract wekelijks 40 ton ongepelde garnalen aan de verdachte en zijn broer. De verdachte en zijn broer hebben zich verplicht om deze garnalen te pellen voor een bedrag van € 2,85 per kilo (D-034 1/3);
  • Op 18 december 2006 hebben de verdachte en zijn broer bedrijf 1 (hierna: bedrijf 1 ) opgericht, in welke vennootschap de pelactiviteiten, uit te voeren in een pelstation in Oujda, Marokko, plaatsvinden. De verdachte en zijn broer zijn ieder voor 50% aandeelhouder (bijlage nr. D/26-15, p. 3,4 en 13);
  • In de agenda 2007 van de verdachte is genoteerd: ’24 januari (…) het moet even geregeld worden in Liechtenstein en Marokko’ (D-071a 1/2);
  • In de agenda van de verdachte is bij 13 april 2007 vermeld: ‘vrijdag beginnen we met Pellen van Garnalen in Oujda’ (D-071b);
  • In de agenda van 2007 van medeverdachte 1 is vermeld: ’27 juni “louw in liecht”(D-066 8/14);
  • In de periode van 27 juni 2007 tot en met 4 september 2007 factureert bedrijf 1 aan medeverdachte 1 een bedrag van € 2,45 per kilo gepelde garnalen. medeverdachte 1 factureert in de periode van 27 juni 2007 tot en met 4 september 2007 aan betrokkene 2 volgens contract € 2,85 per kilo (D-020 en D-021);
  • In de periode van 3 oktober 2007 tot en met 1 januari 2008 factureert bedrijf 1 aan een dochtermaatschappij van betrokkene 2, bedrijf 3., per kilo gepelde garnalen een bedrag van omgerekend € 2,18. Tegelijkertijd factureert medeverdachte 1 aan betrokkene 2 B.V. voor de gepelde garnalen een bedrag van € 0,40 per kilo (D/22-01 t/m D/22-13 en D/23);
  • Op 11 december 2007 hebben de verdachte en medeverdachte 1 in Liechtenstein bedrijf 2 International A.G. (betrokkene 1) opgericht. Bij oprichting kregen zij ieder middellijk 50% van de aandelen (D/16);
  • Op 18 december 2007 gaan betrokkene 1 en bedrijf 1 een overeenkomst aan waarin is vastgelegd dat betrokkene 1 aan bedrijf 1 technische bijstand en scholing zal verrichten (D/073a);
  • Met ingang van januari 2008 factureert bedrijf 1 aan bedrijf 3 een bedrag van € 2,62 per kilo gepelde garnalen. Aan betrokkene 2 wordt door de verdachte, medeverdachte 1 of betrokkene 1 niets in rekening gebracht (D/22-21 t/m D/22-37);
  • Met ingang van 1 januari 2008 factureert betrokkene 1 aan bedrijf 1 € 1,25 per kilo gepelde garnalen (D-73 en D-066 9/14);
  • Op 8 januari 2008 hebben de verdachte en medeverdachte 1 hun aandelen in bedrijf 1 B.V. verkocht aan betrokkene 1 voor een bedrag van (omgerekend) € 8.895 (D-18 4/13);
  • Vanaf 18 april 2008 factureert bedrijf 1 aan betrokkene 1 een bedrag van € 1,55 per kilo (incidenteel € 1,60). Betrokkene 1 factureert aan betrokkene 2 een bedrag van € 2,85 per kilo gepelde garnalen (D/24 en D-25);
  • In april 2008 ontvangt betrokkene 2 facturen van betrokkene 1. Betrokkene 2 heeft geen pelcontract met deze A.G. en de gebroeders verdachte vragen of de betalingen voor het pellen van de garnalen voortaan naar betrokkene 1 kunnen (V07-01);
  • Op 25 november 2008 heeft medeverdachte 1 de Belastingdienst verzocht om zijn onderneming geruisloos in te brengen in een door hem opgerichte vennootschap bedrijf 4. Een medewerker van de Belastingdienst zag in een overgelegde balans dat de eenmanszaak van medeverdachte 1 sinds december 2007 een deelneming had in Liechtenstein, in betrokkene 1 (G01-01). Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Belastingdienst vragen gesteld aan naam 1 van bedrijf 5 ;
  • In januari 2009 is een nieuw pelcontract opgesteld met als contractspartijen betrokkene 1 en betrokkene 2 (D-032). De inhoud van het pelcontract is nagenoeg gelijkluidend aan het in november 2006 gesloten contract. In het contract is als datum van ondertekening genoemd 12 december 2007 en als ingangsdatum 1 maart 2007 (D/033);
  • Op 26 januari 2009 heeft de Belastingdienst vragen gesteld aan naam 1 fiscaal adviseur werkzaam bij bedrijf 5, over de deelneming in Liechtenstein (D/17-01);
  • Op 11 september 2009 is de aangifte inkomstenbelasting 2007 van de verdachte ingediend en op 14 september 2009 de aangifte vennootschapsbelasting 2007 van verdachte B.V. In de aangifte inkomstenbelasting 2007 is de 50% aandelen die de verdachte in bedrijf 1 had niet vermeld (D/03);
  • In september 2009 is tijdens een derdenonderzoek door de Belastingdienst bij betrokkene 2 een niet getekende Nederlandse versie van een contract aangetroffen tussen betrokkene 1 en betrokkene 2, gedateerd op 12 december 2007 (D28, p.4);
  • Medeverdachte 1 heeft de Engelstalige ondergetekende versie van het pelcontract tussen betrokkene 1 en betrokkene 2 aan de Belastingdienst overgelegd (D-28, p. 2);
  • Op 8 juni 2010 is het strafrechtelijk onderzoek gestart na een TPO beslissing;
  • Op 11 juni 2010 is de aangifte inkomstenbelasting 2008 van de verdachte ingediend en op 13 juni 2010 de aangifte vennootschapsbelasting 2008 van verdachte B.V. In de aangifte inkomstenbelasting 2008 is de 50% aandelen die de verdachte in bedrijf 1 had niet vermeld (D/130);
  • In de jaarrekening 2008 van betrokkene 1 wordt een resultaat vermeld van € 634.957,75 (D-16-02);
  • Op 13 september 2010 zijn doorzoekingen gedaan bij de verdachte en zijn broer.

Feit 2: aangifte inkomstenbelasting 2007

De verdachte en zijn broer, medeverdachte 1, hebben in 2006 een contract gesloten met betrokkene 2 om garnalen, waarvan betrokkene 2 eigenaar was en bleef, in Marokko te laten pellen. De verdachte en medeverdachte 1 hebben hiervoor een nieuw pelstation ingericht in Oujda, Marokko. In de eerste facturen, op naam van medeverdachte 1 is € 2,85 aan betrokkene 2 in rekening gebracht.

In de agenda van medeverdachte 1 is op 27 juni 2007 vermeld: ‘heb 0,40 € gerekend naar mij toe moet Louw ook krijgen in maroc’. Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat medeverdachte 1 aanvankelijk (een deel van de) betalingen van betrokkene 2, overeenkomstig het contract aan zichzelf liet betalen en dat ook de verdachte, gelet op de vermelding in de agenda van medeverdachte 1, recht had op een deel hiervan.

Door de verdediging is aangevoerd dat niet de verdachte en medeverdachte 1 als privé personen contractpartij waren van betrokkene 2, maar dat dit bedrijf 1 was, gelet op de in de overeenkomst opgenomen zinsnede ‘of nader te noemen meester’. Dit is niet aannemelijk geworden, nu uit de stukken van het dossier ook niet kan worden afgeleid dat op enig moment vóór de ondertekening van het tweede pelcontract in januari 2009 tussen betrokkene 2, de verdachte en medeverdachte 1 overeenstemming zou zijn bereikt over bedrijf 1 als de nader genoemde meester.

Uit het feit dat de verdachte en medeverdachte 1 de pelactiviteiten gezamenlijk in Marokko lieten uitvoeren en de aantekeningen in de agenda van medeverdachte 1 (D-066-4/14, D-066-5/14 en D-066-7/14) volgt dat de verdachte in 2007 recht had op betalingen voor in Oujda gepelde garnalen.

Aan de opmerking in de agenda van de verdachte bij 24 januari 2007 ‘het moet even geregeld worden in Liechtenstein en Marokko’ en het document dat tijdens de doorzoeking in de woning van medeverdachte 1 is gevonden met de naam ‘Mijn Koers’ kan geen andere conclusie worden verbonden dan dat de verdachte, anders dan medeverdachte 1, vanaf de aanvang van de pelwerkzaamheden in Marokko wilde voorkomen dat betalingen voor het pellen van de garnalen in Nederland zichtbaar zouden worden. De verdachte wilde zodoende zijn deel van de opbrengst van het pelstation buiten de heffing van de Nederlandse belasting houden. Die inkomsten zijn door de belastingdienst berekend op € 147.360 (D-122). Dit bedrag had de verdachte, nu hij contractpartij was bij het pelcontract van 21 november 2006, in zijn aangifte inkomstenbelasting 2007 (hierna: IB) moeten (laten) vermelden.

Door de verdediging is nog gesteld dat het niet opnemen van de privé deelneming in bedrijf 1 een gevolg is van een eenvoudig misverstand aan de zijde van het kantoor van betrokkene 3. Dit verweer slaagt niet. De verdachte heeft immers het kantoor van betrokkene 3, dat voor hem de aangiften IB verzorgde, niet geïnformeerd over zijn aandelen in bedrijf 1 en over de inkomsten die hij uit hoofde van het pelcontract in Nederland had moeten aangeven. Naar het oordeel van het hof is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk de aangifte IB 2007 onvolledig heeft laten doen door zijn belastingadviseur.

Feit 3: aangifte inkomstenbelasting 2008

Door de verdachte is met datum 12 november 2007 een intentieverklaring ondertekend waarin is vermeld dat de nieuwe onderneming betrokkene 1 alleen als houdstermaatschappij dient te worden gebruikt (D-070). De verdachte en medeverdachte 1 zouden alle aandelen in de onderneming bedrijf 1 gaan inbrengen ‘die op dit moment door ons in privé worden gehouden, samen met het reeds bestaande pelcontract tussen bedrijf 1 en betrokkene 2 ’. De verdachte heeft niet geantwoord op de vraag wie deze intentieverklaring heeft opgesteld. De vennootschappen van de verdachte bedrifsnaam en medeverdachte 1 hebben op 11 december 2007 betrokkene 1 in Liechtenstein opgericht.

Vanaf 1 januari 2008 wordt de facturering voor het pellen van de garnalen zo vorm gegeven dat, overeenkomstig de wens van de verdachte en medeverdachte 1, een deel van de opbrengst per kilo (€ 1,25) vanuit Marokko naar Liechtenstein wordt overgemaakt. Vanaf 18 april 2008 wordt de facturering gewijzigd, waardoor betrokkene 1 € 2,85 per kilo gepelde garnalen in rekening brengt bij betrokkene 2. Bedrijf 1 brengt € 1,55 per kilo gepelde garnalen in rekening aan betrokkene 1. De facturering door betrokkene 1 aan betrokkene 2 met ingang van 18 april 2008 leidt tot vragen bij betrokkene 2 omdat betrokkene 2 deze onderneming niet kent. Na overleg met de verdachte en zijn broer en onderzoek door betrokkene 2, stemt betrokkene 2 in met betaling van deze van betrokkene 1 afkomstige facturen. De feitelijke ingangsdatum van het in januari 2009 getekende tweede pelcontract ligt daarom rond 18 april 2008.

Ten aanzien van de 50% van de aandelen bedrijf 1 waarvan de verdachte eigenaar was, geldt dat deze voor hem een aanmerkelijk belang vormden. Uit het advies van bedrijf 5 van september 2005 volgt dat de verdachte is geïnformeerd over de gevolgen van het houden van de aandelen in een vennootschap in privé en dat de vermogenswinst bij verkoop van aandelen in een bedrijf 3. aan Nederland wordt toegekend en belast is tegen 25% inkomstenbelasting. De waarde van de aandelen bedrijf 1 is door de Belastingdienst per 8 januari 2008 berekend op € 175.000 voor 100% van de aandelen (D-122).

In de aangifte IB 2008 is door de verdachte, in weerwil van het eerder aan hem gegeven advies, echter niet vermeld dat de verdachte een aanmerkelijk belang had in bedrijf 1. De verdachte heeft het kantoor van betrokkene 3, dat voor hem de aangiften IB verzorgde, ook niet geïnformeerd over het aanmerkelijk belang in bedrijf 1. In de aangifte IB 2008 is evenmin vermeld dat de aandelen die de verdachte had in bedrijf 1 zijn verkocht aan betrokkene 1. Het niet aangegeven bedrag als gevolg van de verkoop van de aanmerkelijkbelang-aandelen is door de Belastingdienst berekend op € 83.000 en het belastingnadeel op € 20.750.

Naar het oordeel van het hof is dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte opzettelijk de aangifte IB 2008 onvolledig heeft laten doen door zijn belastingadviseur.

(Voorwaardelijk) opzet: advies deskundigen

De raadsman heeft betoogd dat de verdachte mocht afgaan op deskundig advies van betrokkene 3, naam 1 en betrokkene 4, waardoor bij de verdachte, naar het hof begrijpt, het voorwaardelijk opzet ontbrak.

Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Dat de verdachte uitsluitend zou hebben gehandeld op basis van door hem bij adviseurs ingewonnen fiscaal advies, is niet aannemelijk geworden. Door de getuige naam 1, één van de belastingadviseurs van de verdachte, is ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte in 2006 regelmatig met zijn broer bij gesprekken over fiscale onderwerpen aanwezig was en dat is nagegaan of het instellen van een trust in Liechtenstein mogelijk was. Toen bleek dat hieraan ongunstige fiscale gevolgen waren verbonden, heeft naam 1, zo heeft hij verklaard, niet verder geadviseerd over dit onderwerp. Pas naderhand, toen door de Belastingdienst vragen werden gesteld, raakte naam 1 er mee bekend dat inmiddels betrokkene 1 in Liechtenstein was opgericht.

Betrokkene 3, die de administratie en belastingaangiften voor de verdachte verzorgde, heeft in april 2008 een bespreking op het kantoor Infintax bijgewoond, waarbij de verdachte en zijn broer aanwezig waren. Infintax adviseerde over een Oostenrijkse ‘Familienstiftung’ waarvoor de kosten weliswaar hoger waren dan aanvankelijk gedacht, maar waarbij de verdachte in de toekomst op een legale manier geen belasting meer hoefde te betalen, voor zover het gaat om inkomsten uit aandelen in de Liechtensteinse A.G. (en indirect uit de Marokkaanse garnalenpellerij) (productie 2, bij de brief van de raadsman van 6 oktober 2015). Dat betrokkene 3 de verdachte en medeverdachte 1 hierover verder heeft geadviseerd, volgt niet uit de verklaring.

Integendeel, uit de vermelding in de agenda van de medeverdachte 1 bij 27 juni 2007 dat de verdachte in Liechtenstein was, de verschillende adviseurs die de verdachte in Nederland en - onder meer - in Liechtenstein raadpleegde, in samenhang met zijn wens en handelwijze om de te belasten winsten buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, volgt dat de verdachte zelf het initiatief nam om een constructie op te zetten via een belastingparadijs, een beslissende rol heeft gespeeld bij de oprichting van betrokkene 1 en zijn adviseurs ogenschijnlijk bewust niet volledig heeft geïnformeerd over zijn bedoelingen en ideeën.

Ten aanzien van de aanmerkelijk belang-transactie in 2008 voert de verdediging nog aan dat de verdachte pas nadat hierover in maart 2010 vragen zijn gesteld door de Belastingdienst aan naam 1, begon te twijfelen aan het niveau van het advies van naam 1. De verdachte heeft daarna advies gevraagd bij betrokkene 4 van bedrijf 6.

Het hof overweegt hierover dat uit de gedingstukken, noch uit wat door naam 1 ter terechtzitting in hoger beroep is verklaard, volgt dat de verdachte hem om informatie over de fiscale gevolgen van de oprichting van bedrijf 2, de overdracht van de aandelen bedrijf 1 en de overdracht van het pelcontract heeft gevraagd. Ook betrokkene 4 heeft verklaard dat hij hierover niet heeft geadviseerd. Volgens betrokkene 4 is de verdachte in maart of april 2010 bij hem gekomen naar aanleiding van een rapport van de Belastingdienst.

Uit de verklaringen van de verschillende adviseurs kan derhalve niet worden afgeleid dat de verdachte, die in maart/april 2010 en waarschijnlijk reeds eind 2009 bekend was met de vragen die de Belastingdienst had over betrokkene 1, advies heeft ingewonnen over de fiscale gevolgen van de pelcontracten, zijn aandelen in bedrijf 1 of de oprichting van betrokkene 1, waar de winsten op basis van een gefingeerde overeenkomst vanuit Marokko naar toe moesten vloeien.

Ten slotte overweegt het hof dat het advies van naam 1 van 28 maart 2010 de verdachte niet kan baten nu dit advies is gegeven ten behoeve van zijn broer medeverdachte 1 naar aanleiding van de bevindingen uit een boekenonderzoek (D/28). De stelling dat de Belastingdienst dan ook op de hoogte was van de situatie die de verdachte aangaat is in het geheel niet onderbouwd. Ook is niet aannemelijk geworden dat dit advies ten grondslag is gelegd aan de aangifte IB 2008, welke in juni 2010 is gedaan.

Pleitbaar standpunt

Voor wat betreft het door de raadsman bepleite handelen op grond van een pleitbaar standpunt stelt het hof het volgende voorop. De strafkamer van de Hoge Raad heeft op 6 maart 2012 (LJN: BQ8596) aangaande een fiscaal pleitbaar standpunt als volgt overwogen:

‘Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat indien de verdachte het verweer voert dat hij bij het doen van belastingaangifte heeft gehandeld op grond van een zogenoemd fiscaal pleitbaar standpunt, de rechter dient te beoordelen of hij redelijkerwijs kon en mocht menen dat de wijze waarop hij die aangifte heeft gedaan, toelaatbaar was (vgl. HR 8 februari 2005, LJN AR3719). Indien de rechter evenwel vaststelt dat de verdachte, toen hij deze aangifte deed niet in de veronderstelling verkeerde dat de wijze waarop deze aangifte is gedaan toelaatbaar was, stuit het verweer reeds op die vaststelling af.’

Het hof onderkent dat in de geciteerde overweging van de Hoge Raad zowel een objectieve component (kon en mocht de betrokkene redelijkerwijs menen dat de wijze waarop hij heeft gehandeld toelaatbaar was?), als een subjectieve component (dacht de betrokkene ook daadwerkelijk dat hij toelaatbaar handelde?) hanteert. De verdachte moet derhalve een keuze, een afweging, hebben gemaakt en tot de slotsom zijn gekomen dat zijn handelwijze fiscaal toelaatbaar was.

Uit bovengenoemde redengevende feiten en omstandigheden volgt dat de verdachte van substantiële bedragen van aan hem toekomende inkomsten geen aangifte heeft gedaan. Niet aannemelijk is geworden dat de verdachte de keuze heeft gemaakt deze inkomsten niet in zijn aangifte te verantwoorden omdat hij dacht dat dit toelaatbaar was. Voor het bestaan van een dergelijke afweging bij de verdachte biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt en het hof acht ook, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen als genoemd, volstrekt ongeloofwaardig dat de verdachte dacht dat inkomsten als de onderhavige niet in Nederland aan de heffing van belasting waren onderworpen. Reeds daarom is van handelen op grond van een pleitbaar standpunt geen sprake.

Van een objectief bezien redelijkerwijs verdedigbaar standpunt is evenmin sprake nu niet kan worden gezegd dat de verdachte in een geval als hier aan de orde, redelijkerwijs kon en mocht menen dat hij van substantiële inkomsten als de onderhavige geen aangifte hoefde te doen. Door de verdachte zijn ook overigens geen relevante argumenten aangedragen die een dergelijke conclusie zouden kunnen rechtvaardigen. Ook daarom is in dezen geen sprake van een pleitbaar standpunt.

Ten slotte kan, gelet op de jurisprudentie van de strafkamer van de Hoge Raad, uit de achteraf door betrokkene 4 en betrokkene 5 ingebrachte stukken, een dergelijk pleitbaar standpunt ook niet volgen, reeds omdat deze zijn opgemaakt nadat de aangiften IB 2007 en 2008 zijn ingediend.

Strekkingsvereiste

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de wijze van het doen van aangifte, niet de strekking heeft gehad dat minder belasting werd geheven. Er is dus geen overtreding van artikel 69 AWR.

Het hof verwerpt dit verweer. Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1993/94, 23 470, nr. 3, p. 23) en de jurisprudentie van de Hoge Raad (vgl. HR 26 juni 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZD2493) is voor de vaststelling of een gedraging voornoemde strekking heeft, bepalend of de gedraging gezien de effecten die dergelijke gedragingen in het algemeen plegen te hebben, als gevolg heeft dat te weinig belasting wordt geheven. Naar het oordeel van het hof zijn de in de ten laste gelegde feiten 2 en 3 omschreven gedragingen, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. Aan het strekkingsvereiste is derhalve ten aanzien van deze ten laste gelegde feiten voldaan.

Rechtsdwaling

De raadsman heeft ten aanzien van de aangiften IB 2007 en IB 2008 nog betoogd dat de verdachte een beroep toekomt aan rechtsdwaling en daarom, naar het hof begrijpt, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het hof verwerpt dit verweer en verwijst daarvoor naar wat hiervoor is overwogen aangaande het opzetverweer en het daaraan ten grondslag gelegde advies van [naam 1] van 28 maart 2010. Voorts is, zoals ook is overwogen, niet aannemelijk geworden dat [naam 1] in 2008 heeft geadviseerd hieromtrent. Het hof verwijst daarnaar.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezen verklaarde uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.

Bewezenverklaring

  • Feit 2: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
  • Feit 3: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 75.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Gevangenisstraffen tot twee en een half jaar geëist vanwege belastingontduiking via buitenlandse schijnconstructie

Het Openbaar Ministerie heeft op 6 juli in de rechtbank in Den Bosch gevangenisstraffen tot 30 maanden geëist tegen vier verdachte familieleden in een onderzoek naar belastingontduiking, valsheid in geschrift en witwassen via een Stichting Particulier Fonds (SPF) op Curaçao. Daarnaast wil het Openbaar Ministerie bij de familieleden in totaal bijna 10.000.000 euro ontnemen, omdat dit geld volgens het OM door gebruikmaking van valse documenten en de verhullende constructie de hoedanigheid van crimineel vermogen heeft gekregen.

De hoofdverdachte is een 63-jarige belastingadviseur uit Breda. Uit onderzoek door de FIOD is gebleken dat hij zijn familie -zijn zwager, zijn schoonzus en zijn schoonvader- heeft geadviseerd over het opzetten en in stand houden van een schijnconstructie met meerdere SPF’s. Een SPF kan worden gebruikt om vermogen in af te zonderen en daarbij af te schermen wie de uiteindelijk gerechtigde is tot dat vermogen. Het instellen van een SPF kan belastingbesparing tot gevolg te hebben, mits daarbij aan een aantal strikte regels werd voldaan. Een van die regels is dat op geen enkele wijze beschikt wordt over het vermogen door de uiteindelijk gerechtigde.

Uit het onderzoek blijkt dat de schoonvader door gebruik making van de constructie met de SPF’s op een fiscaal zo aantrekkelijk mogelijke manier vermogen wilde overhevelen naar zijn drie kinderen. Zij hebben de fiscus vervolgens willen doen geloven dat zij zich aan de voorwaarden voor de fiscale voordelen hielden. Uit onderzoek komt een ander beeld naar voren. De verdachten gebruikten de gelden bijvoorbeeld voor de aanschaf van appartementen of het aflossen van leningen. Zij konden er dus over beschikken. Daarom hadden zij de gelden in de SPF moeten opgeven bij de belastingdienst als eigen vermogen voor de heffing van inkomstenbelasting. Volgens het OM deden ze bewust geen aangifte van dit vermogen en zetten zij een schijnconstructie op. Om deze  vorm te geven en de geldstromen uit de SPF’s te versluieren en een ogenschijnlijk legaal karakter te geven, werd gebruik gemaakt van vele schijndocumenten, zoals overeenkomsten, notulen en volmachten. Via de SPF-constructie is meer dan 10.000.000 euro ter beschikkinggekomen van de kinderen. De fiscus is voor circa 400.000 euro benadeeld.

Ernstige feiten

De officier van justitie sprak op zitting van ernstige feiten: “Door het opzetten van de SPF-constructie en van de vermogensoverhevelingen naar en vanuit de SPF’s hebben de verdachten zich schuldig gemaakt aan het witwassen van aanzienlijke geldbedragen. Dit is een ernstig strafbaar feit waarbij de integriteit van het financiële en economische verkeer in het geding is.”

Geëiste straffen

De Belastingadviseur hoorde 30 maanden gevangenisstraf tegen zich eisen. Ook wil het OM bij hem 1.800.000 euro ontnemen. Hij was belastingadviseur van een gerenommeerd belastingadvieskantoor en was volgens het OM als initiator en bedenker betrokken bij het opzetten en vormgeven van de SPF-constructie. Hij was als belastingadviseur zelfs gespecialiseerd in internationaal belastingrecht en zette zijn kennis bewust in ten behoeve van de familie: “Dit betekende dat hij op listige wijze zorg droeg voor de gehele papieren constructie rondom de SPF’s en rondom de geldstromen naar de SPF’s en vanuit de SPF’s. Hij is het die keer op keer de familieleden uitlegde wat de spelregels waren en hoe veilig buiten het zicht van de belastingdienst geopereerd kon worden.” zei de officier op zitting: “Aan hem moeten hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid gesteld kunnen worden”. Mede daarom vindt het OM zijn handelen extra kwalijk: “Hij heeft zich niet opgesteld als een objectieve en deskundige autoriteit op het gebied van belastingrecht, maar als een nauw betrokken familieadviseur”.

Belastingfraude & ondermijning

De schoonvader van de adviseur, zijn zwager en schoonzus zijn vanaf het begin af aan op de hoogte geweest van de constructie en spelregels door onder andere brieven en emails, zo blijkt uit het onderzoek. Zij wisten volgens het OM dat zij zich niet aan de spelregels hielden en hun vermogen bij de belastingdienst moesten opgeven. Belastingfraude kan het stelsel ondermijnen. Mensen die over miljoenen beschikken moeten zoals iedereen belasting afdragen. De zwager van de belastingadviseur – een 54-jarige man uit België- hoorde 20 maanden gevangenisstraf tegen zich eisen. De officier van justitie wil bij hem ruim 4.200.000 euro ontnemen. Tegen de schoonzus – 49-jarige vrouw uit Eindhoven- eiste de officier 15 maanden gevangenisstraf en het OM wil bij haar ruim 3.300.000 euro ontnemen. Tegen de schoonvader - een 83-jarige man uit België-  eiste de officier een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een geldboete van 10.000 euro.

Bron: OM

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling voor medeplegen van belastingfraude en medeplegen van witwassen

Rechtbank Limburg 15 juni 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:5245

De verdachte heeft samen met anderen gedurende een periode van ongeveer twee jaar vele aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen onjuist opgemaakt en ingediend bij de Belastingdienst. Hiertoe hebben zij op onrechtmatige wijze poststukken van derden bemachtigd en de gegevens van deze poststukken, zoals naam, adres en burgerservicenummer gebruikt. Deze gegevens hebben zij op de belastingaangiften ingevuld. Verder hebben zij fictieve werkgevers, fictieve loonbedragen en valse bedragen aan loonheffing ingevuld.

Dit alles hebben zij gedaan, opdat de Belastingdienst geld zou overmaken op een van hun, op de aangiften ingevulde, bankrekeningen. Naar aanleiding van enkele valse aangiften heeft de Belastingdienst geld overgemaakt. Gelet op de enorme omvang van de fraude zijn niet alle valse aangiften in de tenlastelegging opgenomen. Uit het dossier blijkt echter dat de Belastingdienst een bedrag van ruim 1,4 miljoen euro aan de verdachten zou hebben uitgekeerd, indien op alle valse aangiften een belastingteruggave was gevolgd.

In de eerste plaats is van hen post gestolen, in de tweede plaats hebben zij te maken gekregen met de reacties van de Belastingdienst op de valse aangiften en in de derde plaats zijn zij geconfronteerd met het strafrechtelijk onderzoek.

Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen geld witgewassen. Het gaat om het geld dat door de Belastingdienst op verdachtes bankrekening is gestort naar aanleiding van het doen van valse aangiften op zijn eigen naam en op naam van derden. Ook dit is een ernstig strafbaar feit waarbij de integriteit van het financiële en economische verkeer in het geding is.

Hoewel de fraude een omvang had kunnen hebben van 1,4 miljoen euro, is het nadeel in feite relatief beperkt gebleven. Om die reden zal de rechtbank niet een gevangenisstraf van twee jaar of meer opleggen, maar van 18 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Delikt en Delinkwent Fiscaal strafrecht

In deze aflevering van de rubriek Fiscaal strafrecht uit Delikt en Delinkwent besteden de auteurs aandacht aan diverse arresten. Zo heeft de Hoge Raad zich uitgesproken over de mogelijkheid om na fiscaal te zijn ingekeerd alsnog te worden vervolgd ter zake van witwassen. Ook stellen de auteurs een arrest aan de orde waarin de fiscaal-delict exceptie bij rechtshulp in strafzaken centraal staat.

Voorts heeft het college zich uitgesproken over de reikwijdte van het strekkingsvereiste wanneer de aangifte ziet op het claimen van teruggaven. Daarnaast heeft de Hoge Raad opnieuw bevestigd dat het onverplicht opnemen van een te laag belastbaar bedrag in de tenlastelegging risicovol kan zijn. Tevens gaan de auteurs in op een arrest van de Hoge Raad waarin de invulling van het begrijp wilsonafhankelijk materiaal in het licht van het nemo tenetur-beginsel ter discussie stond. Tot slot staan de auteurs nog stil bij een vonnis van de Rechtbank Overijssel waarin het niet doen van suppletie aangiften voor zover bekend voor het eerst is vervolgd op basis van art. 68 lid 1 sub a AWR: het niet verstrekken van inlichtingen.

Lees verder:

 

Dit artikel kunt u enkel raadplegen indien u bent geabonneerd op Delikt en Delinkwent. 

 

 

Print Friendly and PDF ^