Veroordeling rechtspersoon en feitelijk leidinggever: Ondanks huur met BTW werd ontvangen, is geen BTW afgedragen

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6034 (rechtspersoon) Verdachte, een stichting, heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. Al die jaren is er telkens een nihilaangifte ingediend, terwijl uit het dossier blijkt dat de Stichting gedurende deze jaren wel degelijk belaste huurinkomsten ontving. Stichting bracht bij de huurder de omzetbelasting in rekening en kreeg deze ook betaald, maar heeft deze gelden vervolgens niet aan de Belastingdienst afgedragen. De Belastingdienst dient erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Door de Stichting is op grove wijze misbruik gemaakt van dit stelsel. Voorts wordt het handelen van Stichting in de maatschappij als zeer verwerpelijk ervaren. Door zo te handelen zijn de Belastingdienst en dus de Staat willens en wetens benadeeld. Daarbij komt dat de administratie van de Stichting niet aan de Belastingdienst is overgelegd en er geen inzicht in de financiële huishouding van de Stichting werd gegeven. Door zo te handelen heeft de verdachte de Nederlandse Staat voor een bedrag van ongeveer €100.000 benadeeld.

Het hof is van oordeel dat de door verdachte bepleite vrijspraak wordt weersproken door de bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van die, van de lezing van verdachte afwijkende, bewijsmiddelen te twijfelen.

Daarbij overweegt het hof het volgende.

Uit het dossier blijkt dat op 1 mei 1993 een beschikking ex artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten vijfde, van de Wet op de omzetbelasting 1968 door de belastingdienst is afgegeven met betrekking tot het pand te Duiven. Afschrift van die beschikking is verstuurd naar de verhuurder, Stichting en de huurder, bedrijf B.V. Zowel verhuurder als huurder wisten derhalve dat over de huur omzetbelasting moest worden betaald (en vervolgens dan ook afgedragen aan de belastingdienst). De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 4 september 2012 verklaard dat niet hij maar de Stichting verdachte de verhuurder was van het pand te Duiven. Uit het dossier is niet gebleken dat het huurcontract van Stichting verdachte is overgedragen aan een andere partij. In het verhoor van de vertegenwoordiger van verdachte door de FIOD op 15 november 2006 heeft deze verklaard dat er bij verdachte twee bestuurders zijn, maar dat de zaken aan hem, betrokkene, zijn overgelaten. Voorts heeft de vertegenwoordiger van verdachte verklaard dat hij de aangiften heeft ingevuld, dat zijn handtekening eronder staat en dat hij ze daarna op de bus heeft gedaan. Nu over de huur BTW is berekend volgt hieruit dat de omzetbelasting had moeten worden aangegeven op de aangiften.

Daderschap rechtspersoon

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Hiervan zal onder andere sprake kunnen zijn wanneer het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon, de gedraging de rechtspersoon dienstig is geweest en de rechtspersoon erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden.

De onjuiste aangiften voor de omzetbelasting van de Stichting verdachte zijn door de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder van de stichting opgemaakt en verzonden. Verdachte heeft als doel de exploitatie van onroerend goed. De ten laste gelegde gedragingen hebben derhalve alle plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en zijn de rechtspersoon dienstig geweest terwijl de rechtspersoon er over vermocht te beschikken of deze gedragingen al dan niet plaatsvonden.

Op grond van de hierboven beschreven gang van zaken met betrekking tot het doen van de aangiften en de bij de vertegenwoordiger van verdachte als bestuurder aanwezige kennis wordt vastgesteld dat bij de rechtspersoon het vereiste opzet en het oogmerk aanwezig was.

Het door de vertegenwoordiger van verdachte en de verdediging geschetste scenario als zou niet verdachte de verhuurder zijn en de huurpenningen zou hebben ontvangen wordt als volstrekt ongeloofwaardig ter zijde geschoven.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld tot een geldboete van €72.500.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 juni 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:6029 (feitelijk leidinggever)

De feitelijk leidinggever wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 240 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF