Overzicht rechtspraak EHRM mbt dubbele vervolging

Samenloop van fiscale procedures met strafrechtelijke procedures leidt vaak tot interessante casuïstiek vanuit het EHRM perspectief. In de rubriek Fiscaal Strafrecht in de laatste editie van Delikt en Delikwent zetten auteurs W.E.C.A. Valkenburg & A.A. Feenstra recente rechtspraak uiteen die ziet op de vraag of sprake is van een dubbele vervolging. Hoewel Nederland ten aanzien van het IVBPR en het EVRM het voorbehoud heeft gemaakt geen verdere verplichtingen te aanvaarden dan welke uit artikel 68 Sr voortvloeien, zien we ook in ons rechtssysteem bepalingen die beogen – zij het via een andere weg – te voorkomen dat iemand dubbel wordt gestraft: het una via-beginsel. Dit beginsel brengt met zich dat geen bestuurlijke boete meer kan worden opgelegd indien tegen de betrokkene wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter zitting is aangevangen (artikel 5:44Awb). De spiegelbepaling is artikel 243 lid 2 Sv: indien aan de betrokkene een bestuurlijke boete is opgelegd zijn de rechtsgevolgen gelijk aan die van een kennisgeving van niet verdere vervolging als het dezelfde feiten betreft. Alleen bij ‘nieuwe bezwaren’ (artikel 255 lid 1 Sv) kan betrokkene (opnieuw) in rechte worden betrokken. Oplegging van een bestuurlijke boete sluit de strafrechtelijke weg af, en omgekeerd belet de start van het onderzoek ter terechtzitting de oplegging van een bestuurlijke boete.

In de eerste set besproken arresten speelt de vraag of artikel 4 van het Zevende Protocol is geschonden. Hoewel dit protocol niet door Nederland is geratificeerd, leveren deze arresten interessante gezichtspunten op voor de benadering van de vraag wanneer sprake is van hetzelfde feit. Bovendien laten de arresten zien, welke complicaties kunnen ontstaan in rechtsstelsels zonder una via-systeem. Daarnaast heeft het EHRM zich uitgesproken over de betekenis van de onschuldpresumptie na een vrijspraak in een belastingstrafzaak voor de invordering. Vervolgens staan de auteurs nog kort stil bij een arrest van het EHRM waarbij de redelijke termijn geschonden werd geacht in een zaak waarin zowel de belastingprocedure als de strafprocedure aanhangig waren. Daarna stellen de auteurs nog een drietal nationale uitspraken aan de orde. De eerste gaat over het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in een belastingprocedure, de tweede betreft de toepassing van una via door het Bossche Hof en de derde betreft de casus die tot aangifte van de President van het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geleid omdat belastingambtenaren in een belastingprocedure weigerden de namen van een tipgever te noemen.

Lees verder:

 

 

Print Friendly and PDF ^

Hof: Vervolgingsuitsluitingsgrond art. 69, vierde lid, Awr is beperkt tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op art. 225, tweede lid, Sr

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2096 Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde en is ter zake van het meer subsidiair ten laste gelegde opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur alsmede tot een geldboete van € 15.000.

Ontvankelijkheid OM

Namens verdachte is primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Subsidiair is integrale vrijspraak bepleit, dan wel vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Meer subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte ter zake van die feiten dient te worden verklaard omdat de verdachte niet opzettelijk zou hebben gehandeld, althans dat dat niet kan worden vastgesteld, aldus de raadsvrouwe. Op grond van de Aanmeldings-, Transactie- en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale delicten, douane- en toeslagendelicten 2010 (verder: ATV-richtlijnen) had het openbaar ministerie aldus niet tot strafrechtelijke vervolging van de verdachte mogen overgaan, omdat deze vervolgingsrichtlijnen alleen betrekking hebben op de opzettelijk begane strafbare feiten.

Ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde dient het openbaar ministerie volgens de verdediging eveneens niet-ontvankelijk in de vervolging te worden verklaard. De vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: Awr), welke uitsluitingsgrond betrekking heeft op het tweede lid van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr), zou door middel van een ruime interpretatie van het toepassingsbereik daarvan ook moeten gelden ten aanzien van het meest subsidiair ten laste gelegde eerste lid van artikel 225 Sr. Immers, de verdachte wordt blijkens de tekst van de tenlastelegging verweten het valselijk opmaken van de bij de Belastingdienst ingeleverde aangiften omzetbelasting, hetgeen impliceert dat de verdachte ook gebruik heeft gemaakt van de valse aangiften, hetgeen valt onder het bereik van artikel 225, tweede lid, Sr, althans zo verstaat het hof het verweer van de raadsvrouwe. De raadsvrouwe heeft in dat verband verwezen naar een vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 februari 2013 (ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ1739), waarbij de rechtbank overwoog dat er ook gevallen denkbaar zijn waarin een vervolging op grond van het eerste lid van artikel 225 Sr in strijd is met het vierde lid van artikel 69 Awr.

Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. Slechts indien zou blijken dat het openbaar ministerie bij zijn vervolgingsbeslissing zou handelen in strijd met de wet, een verdrag, of enig beginsel van een goede procesorde, zou dit de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen raken.

Het bestaan van een dergelijke situatie is uit het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden. In het bijzonder staan de zogenoemde ATV-richtlijnen niet in de weg aan een vervolging van de verdachte. Onderhavige zaak valt volgens de van toepassing zijnde ATV-richtlijnen van 2010 in categorie I, feiten waarbij de verdenking (cursivering hof) was dat deze opzettelijk zijn begaan, en waarbij sprake is van een belastingnadeel van tussen € 10.000,-- (drempelbedrag voor particulieren) dan wel € 15.000,-- (drempelbedrag voor ondernemingen) en € 125.000,--. Of opzettelijk handelen ook daadwerkelijk kan worden bewezen is uiteindelijk aan de rechter. Het verweer onder A.1. treft aldus geen doel.

Het meest subsidiair ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225, eerste lid, Sr, te weten het – kort gezegd – plegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken of vervalsen van aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1. Het hof overweegt voorts dat het een uitdrukkelijke keuze is geweest van de wetgever om de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr te beperken tot die gevallen waarin de tenlastelegging is toegesneden op artikel 225, tweede lid, Sr. Het is niet aan de rechter om zulks uit te breiden.

Daarbij komt dat de uitleg die door de raadsvrouwe aan het eerder vermelde vonnis van de rechtbank is gegeven, namelijk dat ook in het onderhavige geval, waarin het ten laste gelegde is toegesneden op artikel 225,eerste lid, Sr, de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid, Awr aan de orde kan zijn, berust op een verkeerde lezing van het vonnis. Immers, de betreffende uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant handelt over het voegen van valse facturen in de bedrijfsadministratie waarmee de facto sprake is van het voeren en voorhanden hebben van een valse bedrijfsadministratie. Omdat het voeren van de administratie niet op een correcte wijze is geschied, kan dit feit in de aangehaalde uitspraak worden vervolgd op grond van artikel 68 lid 1 onder d Awr. Het is strafbaar gesteld in artikel 69, lid 1 Awr en om die reden is op grond van artikel 69 lid 4 Awr, vervolging op grond van artikel 225 Sr uitgesloten. Daarvan is in de onderhavige zaak echter geen sprake. Ook het verweer onder A.2. treft geen doel.

Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het primair en subsidiair en meer subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde is het hof, met de rechtbank en de procespartijen, van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van feitelijk leidinggeven als bedoeld in artikel 51 Sr.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde is het hof, met de verdediging maar anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat op basis van de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting niet, althans met onvoldoende mate van zekerheid, kan worden vastgesteld dat sprake is van straffeloosheid van medeverdachte 1 dan wel van eigenaar medeverdachte 2, hetgeen een vereiste is voor een bewezenverklaring van de deelnemingsvorm “doen plegen”.

Terzake de vrijspraak van het meer subsidiair ten laste gelegde overweegt het hof als volgt.

Aan verdachte is ten laste gelegd het (mede)plegen van het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften voor de omzetbelasting ten name van medeverdachte 1.

Het hof stelt voorop dat de verdachte slechts als pleger van het onjuist doen van de op naam van medeverdachte 1 gestelde aangiften omzetbelasting kan worden aangemerkt, indien de verdachte degene was die tot het doen van die aangiften gehouden was, dat wil zeggen de kwaliteit van aangifteplichtige heeft (vgl. Hoge Raad 17 oktober 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU8286). De aangiften omzetbelasting zijn uitgereikt op naam van medeverdachte 1. In de parlementaire geschiedenis van de Algemene wet inzake rijksbelastingen is reeds in de jaren vijftig van vorige eeuw in de MvT, Tweede Kamer, 1954-1955, 4080, nr. 3, blz. 14, rk., 6e al., voor zover te dezen relevant, het volgende vermeld:

“De voorgestelde regeling wijkt in zover af van de bestaande, dat de verplichting tot het doen van aangifte steeds – dus ook met betrekking tot de belastingen welke op aangifte moeten worden voldaan of afgedragen – eerst zal ontstaan door uitreiking van een aangiftebiljet en niet rechtstreeks uit de wet voortvloeit.”

In de lijn met de wetsgeschiedenis volgt uit vaste jurisprudentie, dat de verdachte alleen tot het doen van aangifte was gehouden, indien hij (zelf) was uitgenodigd tot het doen van aangifte (Hoge Raad 28 maart 1979, BNB 1979/170; Hoge Raad 21 oktober 1998, BNB 1999/7; Hoge Raad 23 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AL6161).

Nu niet is gebleken dat verdachte is uitgenodigd tot het doen van aangiften, kan hij niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch, 1 juli 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:2341).

Voor het medeplegen acht het hof voorts onvoldoende bewijs voorhanden. Immers, niet kan worden vastgesteld dat er tussen verdachte en medeverdachte 1 dan wel tussen verdachte en (een ander of) anderen, zoals medeverdachte 1 en medeverdachte 2 en/of medeverdachte 1 en medeverdachte 3 sprake is geweest van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking dat dit medeplegen zou opleveren. De verklaringen van medeverdachte 2 en de verdachte staan lijnrecht tegenover elkaar en voor een mogelijke betrokkenheid van medeverdachte 3 zoals door medeverdachte 2 is aangegeven bij de FIOD, is onvoldoende steunbewijs voorhanden.

Ten slotte overweegt het hof met betrekking tot het meest subsidiair ten laste gelegde (mede)plegen van valsheid in geschrift als volgt.

Zoals hiervoor reeds overwogen kan niet worden vastgesteld dat tussen verdachte en een ander of anderen een nauwe en bewuste samenwerking heeft bestaan. Voor een bewezenverklaring van medeplegen bevat het dossier aldus onvoldoende bewijs.

Op basis van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen kan niet rechtstreeks worden vastgesteld dat de verdachte degene is geweest die de aangiften valselijk heeft opgemaakt dan wel heeft vervalst. Uit het dossier kan, naar het oordeel van hof, evenmin met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld, dat het niet anders kan zijn dan dat het verdachte is geweest die het ten laste gelegde heeft gepleegd. Het hof overweegt daaromtrent het volgende.

De ten laste gelegde aangiften zijn, zo blijkt uit het dossier, binnengekomen met behulp van een softwarepakket op de computersystemen van de rijksbelastingdienst door tussenkomst van bedrijf verdachte. Uit het dossier volgt echter ook dat het mogelijk was om vanuit het kantoor van medeverdachte 1 in

’s-Gravenpolder in te loggen op de server van verdachte en toegang te krijgen tot het boekhoudprogramma. Volgens verdachte was het ook mogelijk om vanuit ’s-Gravenpolder het aangifteprogramma Primaccount te raadplegen en daarin wijzigingen aan te brengen. Ook konden de aangiften, volgens verdachte, vanuit ’s-Gravenpolder op elektronische wijze bij de rijksbelastingdienst worden ingediend.

Het aangifteprogramma Primaccount is, na onderzoek door de FIOD, niet aangetroffen op de servercomputer van verdachte. Volgens verdachte is dit te verklaren doordat het programma via een externe schijf was gekoppeld aan de servercomputer en die koppeling er niet meer was ten tijde van het onderzoek door de FIOD. Ook deze stelling is door de FIOD onderzocht. Uit het onderzoek is gebleken dat er geen harde schijf met de server verbonden is geweest waarop het programma Primaccount heeft gestaan.

In het onderzoek is de directeur van medeverdachte 1, medeverdachte 2, aanvankelijk als getuige maar later tevens als verdachte gehoord, doch hij heeft verklaard dat hij nooit een aangifte omzetbelasting van medeverdachte 1 heeft aangepast of ingediend bij de rijksbelastingdienst.

Medeverdachte 3 toentertijd werkzaam bij medeverdachte 1, heeft aanvankelijk verklaard dat de bedragen in de aangiften omzetbelasting ten name van medeverdachte 1 door verdachte in overleg met medeverdachte 2 werden gewijzigd. Later is medeverdachte 3 op zijn verklaring teruggekomen waar het gaat om de betrokkenheid van verdachte.

Voorts neemt het hof in ogenschouw dat onduidelijk is en blijft wat het motief voor de verdachte zou zijn geweest. In het dossier zijn aanwijzingen te vinden dat bedragen ten goede zijn gekomen aan familie van verdachte. De geldstromen tussen verdachte en medeverdachte 1 zijn echter niet (volledig) onderzocht, zodat er geen bewijs is dat de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting geheel door verdachte is genoten. Daarbij is van belang dat er geen vermogensvergelijking aan de zijde van (met name) verdachte heeft plaatsgevonden. Door het ontbreken van vermogensvergelijkingen ten aanzien van verdachte en medeverdachte 3 en medeverdachte 1 ontbreekt het bewijs wie heeft geprofiteerd van de (door medeverdachte 1 terug gekregen en/of niet afgedragen) omzetbelasting.

Hoewel het dossier derhalve sterke aanwijzingen bevat die duiden op een directe betrokkenheid van de verdachte bij de valsheid/vervalsing, zijn er bij het hof twijfels blijven bestaan over de precieze gang van zaken, hetgeen in het voordeel van de verdachte moet worden uitgelegd. Alles overziende komt het hof, anders dan de rechtbank en anders dan door de advocaat-generaal gevorderd, tot een integrale vrijspraak.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

'Inkeren vóór 1 juli 2015 voor de helft van de prijs'

Door Igor Thijssen (Jaeger Advocaten-belastingkundigen)

In de jacht op zwart geld heeft de Belastingdienst de afgelopen 13 jaren ruim 28.000 ‘zwartspaarders’ weten te traceren. Dat heeft de Staat ongeveer € 1,6 miljard aan belastinginkomsten en boetes opgeleverd. Het overgrote deel heeft betrekking op zogenoemde ‘inkeerders’: belastingplichtigen die zich min of meer vrijwillig melden bij de Belastingdienst en alsnog opgave doen van hun veelal in het buitenland aangehouden bankrekening of ander vermogen. Als zij gebruik maken van de inkeerregeling zijn zij nu nog een boete verschuldigd van ‘slechts’ 30% over de verschuldigde belastingen. Per 1 juli 2015 wordt deze boete verder verhoogd tot 60%.

Pakkans

De vraag is of de verdubbeling van het boetepercentage bij inkeer reden zal zijn om de laatste zwartspaarders nog vóór 1 juli 2015 in te laten keren. Kennelijk waren diezelfde zwartspaarders een jaar geleden niet tot inkeer te bewegen toen per 1 juli 2014 een inkeerboete van 30% werd geïntroduceerd waar dat voorheen zonder boete mogelijk was. Naast de komende verdubbeling met 30% (tot 60%) per 1 juli 2015 zal met name de verhoging van de pakkans een grote rol spelen. En die pakkans is de laatste maand aanzienlijk toegenomen.

In de eerste plaats is het bankgeheim in Zwitserland niet meer wat het ooit is geweest. De Zwitserse belastingdienst publiceerde recent namen van (ook Nederlandse) belastingontduikers in de Zwitserse Staatscourant en de verwachting is dat er meerdere vele zullen volgen. Bovendien werd recent werd duidelijk dat de FIOD de afgelopen drie jaren gegevens heeft verzameld van alle opnames en betalingen die in Nederland zijn gedaan met buitenlandse bankkaarten (creditcards en debitcards). Het betreft een totaaloverzicht van uitgaven. De gegevens van de kaarteigenaren die niet voor langere tijd in Nederland verbleven, zoals toeristen, zijn er uitgefilterd.

Nu de pakkans is toegenomen, zal een aantal zwartspaarders op korte termijn willen inkeren om te voorkomen dat ze tegen de lamp lopen.

Risico bij niet-inkeren

De maximale boetes voor zwartspaarders die tegen de lamp lopen zijn sinds 2010 verhoogd van 100% naar 300% over de alsnog verschuldigde belasting. En bij strafrechtelijke vervolging wordt al vrij snel (vanaf een fraudebedrag van € 10.000) een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd. De verhoging van de pakkans zal er dan ook toe leiden dat zwartspaarders eieren voor hun geld gaan kiezen en overgaan tot het vrijwillig verbetering van hun eerder ingediende belastingaangiften. Omdat ze toch op korte termijn zullen moeten gaan inkeren, zullen ze dat vóór 1 juli 2015 doen voor de helft van het boetebedrag. Belasting, rente en boete In veel gevallen zal het alleen gaan om aangehouden banktegoeden en effecten waarover bij inkeren vóór 1 juli 2015 ongeveer 14,4% (12 jaren x 1,2%) over het gemiddelde vermogen aan inkomstenbelasting zal zijn verschuldigd. Wanneer destijds uitstel is gevraagd voor het doen van de belastingaangifte, kan over meer jaren worden nagevorderd. Vermeerderd met een boete van 30% komt het te betalen bedrag uit op ongeveer 20% over het gemiddelde vermogen in de afgelopen 12 jaren. Daarnaast is nog een bedrag aan (heffings)rente verschuldigd, waardoor een inkeer financieel zal neerkomen op een percentage van minimaal 20% – 25% van het (gemiddelde) verzwegen banktegoed.

Complicaties

Het bedrag dat als gevolg van een vrijwillige verbetering verschuldigd is, kan evenwel veel hoger worden in het geval het zwarte vermogen niet afkomstig is uit spaargeld maar bijvoorbeeld erfrechtelijk is verkregen of wanneer bijvoorbeeld sprake is van inkomsten uit onderneming die niet eerder zijn opgegeven.

Erfbelasting verjaart niet meer

Met ingang van 1 januari 2012 is in artikel 66, lid 3, van de Successiewet 1956 een bepaling opgenomen als gevolg waarvan de navorderingsbevoegdheid ten aanzien van erfbelasting over buitenlands vermogen niet vervalt. Er is niet voorzien in overgangsrecht hetgeen zou kunnen betekenen dat nu nog steeds successierecht kan worden nagevorderd over een in een ver verleden erfrechtelijk verkregen buitenlands vermogen.

Dit geldt mogelijk ook in de gevallen waarin onder de oude regeling navordering van successierecht niet meer mogelijk was vanwege het verstrijken van de toentertijd geldende navorderingstermijn. De vraag is of het openbreken van een reeds afgeronde rechtspositie zich wel verhoudt met onder meer het rechtszekerheidsbeginsel dat (impliciet) is opgenomen in artikel 1, Eerste Protocol, van het EVRM. Het antwoord op deze vraag zal over een aantal jaren ongetwijfeld worden beantwoord door de Hoge Raad en/of het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, maar tot die tijd dient een inkeerder voorzichtigheidshalve rekening te houden met de omstandigheid dat over zeer oude erfenissen thans nog een aanzienlijk bedrag aan successierecht verschuldigd kan zijn.

Bron: Jaeger advocaten-belastingkundigen

 

Print Friendly and PDF ^

Verdachte heeft over een langere periode opzettelijk onjuiste bedragen aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven. Geen oplegging straf of maatregel: Sprake van schending artt. 5 en 6 EVRM, termijnoverschrijding en toepassen voorlopige hechtenis zonder geldige titel.

Gerechtshof 's-Hertogenbosch 9 juni 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:2073 Verdachte is in eerste aanleg veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 100 uren en tot een geldboete van € 74.000, waarvan € 24.000 voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren ter zake van:

Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;

Feit 2: opzettelijk het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Standpunt verdediging & OM

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de politierechter zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte zal veroordelen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een taakstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Namens verdachte is partieel vrijspraak bepleit ten aanzien van de onder 1 ten laste gelegde pleegperiode (vanaf januari 2004), alsmede ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde opzet. Voorts is een strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel hof

Ten aanzien van feit 1 is door de verdediging aangevoerd, dat de ten laste gelegde periode te lang is, dat enkel kwartalen over 2002 en 2003 in de tenlastelegging zijn uitgewerkt en dat uit het dossier blijkt dat door verdachte over het 1e kwartaal 2004 volledig aangifte is gedaan.

Het hof overweegt dat verdachte het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2004 niet ten laste is gelegd, maar enkel het onjuist doen van aangiften over tijdvakken in 2002 en 2003, laatstelijk de aangifte over het vierde kwartaal 2003. Deze aangifte is gedaan op 2 februari 2004. Gelet op de bewijsmiddelen acht het hof het onjuist doen van deze laatste aangifte bewezen. Het hof zal derhalve de ten laste gelegde periode beperken tot en met 1 maart 2004.

Ten aanzien van feit 2 is door de verdediging aangevoerd dat bij verdachte bij het niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging beschikbaar te stellen geen sprake is geweest van opzet. De verdachte heeft desgevraagd de administratie aan de rijksbelastingdienst overhandigd. De rijksbelastingdienst heeft hierop een tweetal rappelbrieven gestuurd naar de verdachte omdat de administratie niet compleet zou zijn. Over het jaar 2002 bleken stukken te ontbreken. Het is echter de vraag of de verdachte deze rappelbrieven heeft ontvangen. De verdachte stelt dat hij van zijn broer heeft vernomen dat bepaalde stukken uit 2002 niet meer voorhanden waren. Nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst heeft ontvangen, kan niet worden bewezen dat de verdachte (delen van) de administratie over 2002 opzettelijk niet ter beschikking heeft gesteld aan de rijksbelastingdienst.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Blijkens het dossier (pag. 62) heeft de verdachte op de vraag van de verbalisanten of hij, op het moment dat hij de administratie van 2002 en 2003 bij de rijksbelastingdienst ging brengen (het hof begrijpt: in de periode na 11 mei 2004 en vóór 4 juni 2004), wist dat deze niet volledig was, het volgende geantwoord:

“Ja, ik wist dat de administratie die ik naar de inspecteur ging brengen over het jaar 2002 niet compleet was wat hij had gevraagd. Ik heb niet specifiek gecontroleerd of alle facturen aanwezig waren. Als u mij vraagt waarom ik niet in de computer had gekeken naar een overzicht van alle overzichtfacturen, moet ik u het antwoord schuldig blijven. Ik heb niet meer zoveel moeite meer willen doen om aan het verzoek van de inspecteur te voldoen, dus ik ben slordig geweest.

Uit deze verklaring leidt het hof af dat de verdachte willens en wetens de administratie betreffende het jaar 2002 aan de rijksbelastingdienst heeft overhandigd, terwijl hij wist dat deze niet compleet was. Ook nadien heeft hij op geen enkele wijze nog een poging ondernomen om de ontbrekende stukken boven water te krijgen. Hiermee heeft de verdachte zich naar het oordeel van het hof schuldig gemaakt aan het opzettelijk niet voldoen aan zijn verplichting om bescheiden voor raadpleging aan de rijksbelastingdienst beschikbaar te stellen. Dat de verdachte mogelijk de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst niet heeft gezien dan wel niet heeft gelezen, maakt dat niet anders, te meer omdat verdachte heeft verklaard dat hij vermoedt dat de rappelbrieven van de rijksbelastingdienst wel zijn aangekomen, aangezien het adres juist is vermeld, maar dat het kan zijn dat hij ze niet heeft gelezen omdat hij dikwijls de neiging had om brieven van de rijksbelastingdienst niet open te maken.

Het verweer wordt verworpen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
  • Feit 2: ingevolge de belastingwet verplicht zijnde boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan voor raadpleging beschikbaar te stellen, deze voor dit doel opzettelijk niet beschikbaar stellen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De verdediging heeft betoogd dat sprake is van schending van artikel 6 en 5 EVRM en dat dit gevolgen dient te hebben voor de op te leggen straf in het voordeel van verdachte.

Schending redelijke termijn

De raadsvrouwe heeft daartoe aangevoerd dat sprake is van een forse schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM nu door het OM niet de nodige voortvarendheid is betracht bij het betekenen van de verstekmededeling ex artikel 366 Sv. Bovendien is de totale duur van het geding – vanaf het eerste verhoor, te weten 21 december 2004, tot heden – zodanig lang dat gesproken kan worden van schending van de redelijke termijn.

Schending art. 5 EVRM

Daarnaast is sprake van schending van artikel 5 EVRM aangezien het openbaar ministerie onrechtmatig heeft gehandeld door de verdachte in de onderhavige zaak 100 dagen ten onrechte in hechtenis te houden. De uitspraak was nog niet onherroepelijk en voorts was verdachte niet veroordeeld tot een gevangenisstraf maar tot een taakstraf. Voor zover deze zou zijn omgezet, waarvan overigens ieder bewijs ontbreekt, is de omzetting onjuist toegepast aangezien verdachte was veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, aldus de raadsvrouwe.

Voorts dient in het voordeel van de verdachte rekening te worden gehouden met een kortere pleegperiode bij feit 1, alsmede met de omstandigheden dat de verdachte heeft meegewerkt aan het onderzoek en een volledige bekentenis heeft afgelegd, dat de medepleger (de broer van de verdachte) een mildere straf opgelegd heeft gekregen en dat de verdachte sinds de onderhavige zaak niet meer met justitie in aanraking is gekomen. Daarnaast ontbreekt het de verdachte aan financiële draagkracht.

De raadsvrouwe heeft primair bepleit te volstaan met het opleggen van een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke detentie. Subsidiair is – in voorwaardelijke zin – een verzoek gedaan tot aanhouding teneinde met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte recente informatie op te vragen bij de reclassering en/of gemeente. Meer subsidiair is verzocht om de door de verdachte in hechtenis doorgebrachte periode van 100 dagen in mindering te brengen op een op te leggen geldboete of gevangenisstraf.

Het hof overweegt in dit verband nog dat de verdachte niet éénmalig maar over een langere periode opzettelijk onjuiste bedragen aan verschuldigde omzetbelasting heeft opgegeven. Verdachte heeft – kennelijk gedreven door de mogelijkheid van financieel gewin, vooral ook omdat naar verdachtes eigen zeggen zijn onderneming (internationale houthandel) niet goed liep – in die periode van 2 jaren telkens ieder kwartaal er opnieuw voor gekozen geen of een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting op te geven, terwijl een goede werking van het systeem voor de heffing van omzetbelasting afhankelijk is van de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van de aangiften. Indien aangiften worden gedaan waarop een onjuist bedrag aan te betalen omzetbelasting staat vermeld, wordt het systeem van de heffing van omzetbelasting ondergraven. Bij de heffing van belastingen dient de rijksbelastingdienst erop te kunnen vertrouwen dat de aangifte duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschiedt. Verdachte heeft het in hem gestelde vertrouwen op grove wijze misbruikt en van dit stelsel op grove wijze geprofiteerd. Daarmee heeft hij de Staat der Nederlanden benadeeld.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

- de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 9 april 2015, waaruit blijkt dat verdachte eerder (in 2003) ter zake een strafbaar feit onherroepelijk door een strafrechter is veroordeeld; tevens blijkt daaruit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten als de onderhavige;

- de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken; het hof neemt in het voordeel van de verdachte in aanmerking dat de verdachte volledige medewerking heeft verleend aan het onderzoek van de FIOD en dat hij momenteel niet over enige bron van inkomsten beschikt.

Het hof acht zich, gelet op het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, voldoende voorgelicht omtrent de persoon van de verdachte zodat het voorwaardelijk verzoek wordt afgewezen.

Met betrekking tot de door de verdediging gestelde schending van artikel 6 EVRM overweegt het hof als volgt.

Op 21 december 2004 is de verdachte door de FIOD in de onderhavige zaak als verdachte gehoord. Op 19 juni 2006 is de verdachte bij verstek door de politierechter veroordeeld. Op 8 mei 2007 is deze uitspraak aan de verdachte medegedeeld en op 9 mei 2007 is de verdachte in hoger beroep gekomen tegen dat vonnis. Het hof heeft bij arrest van 27 mei 2008 (ECLI:NL:GHSHE:2008:BD8749) het vonnis van 19 juni 2006 vernietigd en heeft de zaak – aangezien door de politierechter de wettelijke betekeningstermijn en de Algemene Termijnenwet niet in acht waren genomen – teruggewezen naar de rechtbank om op de bestaande dagvaarding opnieuw te worden berecht en afgedaan. Vervolgens is door de politierechter opnieuw bij verstek een veroordelend vonnis gewezen op 1 april 2009. Tot op deze datum is de termijn gedurende welke verdachte onder de dreiging van een strafvervolging heeft doorgebracht, weliswaar aan te merken als lang, maar noch in zijn geheel noch in zijn afzonderlijke onderdelen als onredelijk lang.

Echter, de verdachte is eerst op de hoogte gekomen van voornoemd vonnis, toen hij op 27 oktober 2014 in hechtenis werd genomen. Op laatstgenoemde datum is het vonnis hem in persoon uitgereikt. De verdachte heeft vervolgens tijdig hoger beroep ingesteld op 4 november 2014.

Het hof heeft moeten vaststellen dat uit de stukken op geen enkele wijze blijkt dat het openbaar ministerie een poging heeft ondernomen om in de periode van ruim 5 jaar na datum vonnis d.d. 1 april 2009, voornoemd vonnis aan de verdachte uit te reiken. Het hof acht dit kwalijk, te meer omdat uit de stukken blijkt dat het adres van de verdachte in [land], zijnde zijn toenmalige GBA-adres, bij justitie bekend was en ook in Nederland adressen bekend waren via welke de verdachte had kunnen worden bereikt, zoals het adres van zijn vader of broer. Desondanks heeft het openbaar ministerie nagelaten te trachten de mededeling uitspraak aan verdachte uit te reiken. Dit levert naar het oordeel van het hof een schending op van artikel 6 EVRM.

Ten aanzien van de gestelde schending van artikel 5 EVRM overweegt het hof dat uit de door de raadsvrouwe aan het dossier toegevoegde stukken volgt dat de verdachte in detentie heeft gezeten van 27 oktober 2014 tot en met 4 februari 2015 op grond van een vonnis d.d. 19 juni 2007 in de strafzaak onder parketnummer 01-994010-05. De advocaat-generaal heeft naar aanleiding van deze informatie navraag laten doen en heeft vervolgens op 18 mei 2015 het hof per e-mail bericht dat is gebleken dat het arrondissementsparket ten onrechte het CJIB heeft gemeld dat er een vonnis lag van 19 juni 2007, onherroepelijk geworden op 6 juli 2007. Er was namelijk, zoals hiervoor vastgesteld, sprake van een vonnis van 19 juni 2006, welk vonnis niet onherroepelijk was. De verdachte was immers in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis en het hof heeft dit vonnis vernietigd bij arrest van 27 mei 2008 en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank, hetgeen geresulteerd heeft in het vonnis d.d. 1 april 2009, waarvan thans hoger beroep. De bij vonnis van 19 juni 2006 opgelegde werkstraf van 200 uur is echter uiteindelijk omgezet in 100 dagen hechtenis omdat men geen contact kon krijgen met de verdachte.

Gelet op de toelichting van de advocaat-generaal is het hof, met de verdediging, van oordeel dat hier sprake is van een grove schending van de belangen van de verdachte. De verdachte is zonder geldige titel in hechtenis gezet en heeft ten onrechte 100 dagen vastgezeten.

Alles overziende acht het hof het raadzaam te bepalen dat in verband met voornoemde schendingen van het EVRM de verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

Basiscursus Fiscaal Strafrecht

Tijdens deze basiscursus maakt u kennis met het fiscale strafrecht. De strafrechtelijke bepalingen uit de Algemene Wet Rijksbelastingen zullen worden besproken alsmede de algemene straf- en fiscaalrechtelijke leerstukken die daarmee verband houden. Naast de materiële en formele regels van het fiscale strafrecht wordt stilgestaan bij de verschillen en overeenkomsten tussen het fiscaal strafprocesrecht en (commune) strafprocesrecht.

Concreet zullen leerstukken als het uni via-beginsel, samenloop, daderschap en deelneming en ook opzet en schuld de revue passeren en onderwerpen als het strekkingsvereiste, pleitbaar standpunt en sfeerovergang, toegesneden op specifieke fiscale situaties. Voorts wordt aandacht geschonken aan de verschillende aspecten van de opsporing en handhaving van fiscale delicten.

 

Programma

Formele aspecten I & wijzen van handhaving

  • Richtlijnen AAFD
  • Una Via
  • Fiscale afdoening
  • Strafbeschikking
  • Transactie
  • Strafvervolging

Materiële aspecten I

  • Soorten fiscale delicten (68/69 AWP)
  • Kwaliteitsdelicten/deelneming in fiscaal strafrecht
  • Pleitbaar standpunt
  • Verhouding art. 69 AWR en 225 Sr en 326 Sr

Materiële aspecten II

  • Opzet
  • Strekkingsvereiste
  • Inkeer art. 69 lid 3 AWR
  • Belang fiscale nadeelberekening
  • Samenloop
  • Ne bis in idem
  • Generalis-specialis

Formele aspecten II

  • Normadressaten 47 en 52 AWR
  • Informatieverplichtingen
  • Sfeerovergang
  • Opsporing en (afwijkende) dwangmiddelen
  • De FIOD

 

Niveau: Basis, wel enige voorkennis van het strafrecht vereist.

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Fiscalisten
  • Adviseurs
  • Bedrijfsjuristen
  • Leden van de zittende magistratuur
  • Openbaar Ministerie
  • Accountants

 

Docenten

 

Praktische Informatie

Datum & tijd: Vrijdag 9 oktober 2015 2014 | 10.00 - 16.30 uur

Locatie: Plein 15-16 te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal (ca. 8 minuten).

Routebeschrijving Klik hier voor de routebeschrijving.

Kosten: € 440,- excl. BTW*  Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Kopie van het handboek Fiscaal straf- en strafprocesrecht van W.E.C.A. Valkenburg en J.H. van der Werff**
  • Lunch
  • Consumpties

* Nemen er meerdere personen van uw kantoor of organisatie deel aan de cursus, dan ontvangt u beiden €25,- korting.

** Beschikt u reeds over het handboek? Dan betaalt u slechts € 375,- excl. BTW.

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

Print Friendly and PDF ^

'Italmoda: Wat past klopt niet'

Keer op keer wordt door het Europese Hof van Justitie bevestigd dat BTW-fraude niet door de beugel kan. Helaas komt BTW-fraude ondanks alle maatregelen die worden getroffen nog steeds voor. Ook in de medio december vorig jaar gewezen zaak-Italmoda staat fraude centraal. In deze zaak wordt door het Hof van Justitie EU herhaald dat frauduleus handelen of misbruik door belastingplichtigen niet wordt getolereerd. Hieruit blijkt dat het Hof van Justitie EU lidstaten waar mogelijk middelen in handen geeft om dit soort gedrag bij belastingplichtigen te bestrijden. Hoewel de uitkomst in Italmoda passend lijkt voor een ondernemer die betrokken is bij BTW-fraude, klopt de redenering van het Hof van Justitie EU op bepaalde punten volgens de auteurs niet. Zij leggen in dit artikel de vinger op de zere plekken.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

'Speelt het hebben van vooroverleg een rol bij het pleitbare standpunt van de verdachte?'

Een belastingplichtige dient de belastingaangifte ‘duidelijk, stellig en zonder voorbehoud’ in te dienen. Daarbij kan de belastingplichtige gebruikmaken van een pleitbaar standpunt. Het ingenomen standpunt dient dan, gelet op de stand van de jurisprudentie en de heersende leer, in die mate juridisch pleitbaar of verdedigbaar te zijn dat een belastingplichtige redelijkerwijs kan menen juist te handelen. In dit artikel wordt aandacht besteed aan de vraag of het voeren van vooroverleg een rol speelt bij het hebben van een pleitbare standpunt. Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling wegens doen van onjuiste aangiften omzetbelasting: jarenlang indienen van nihilaangiften

Rechtbank Midden-Nederland 23 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1266 Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het feitelijk leiding geven aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting door zijn BV. Al die jaren is er telkens een nihilaangifte ingediend, terwijl uit het dossier blijkt dat bedrijf gedurende deze jaren wel degelijk omzet had, bij haar klanten ook omzetbelasting in rekening bracht en betaald kreeg, maar deze gelden vervolgens niet afdroeg aan de Belastingdienst. Hiermee heeft verdachte willens en wetens de Belastingdienst en dus de Staat benadeeld.

Ter zitting is discussie geweest over de berekening van het nadeel voor de Belastingdienst. De rechtbank gaat er op basis van die discussie en de inhoud van het dossier vanuit dat dit bedrag in ieder geval ligt tussen de €150.000 en €300.000. Bij een fraudebedrag van een dergelijke omvang geven de oriëntatiepunten van de LOVS aan dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de 9 en 12 maanden passend is.

Ter zitting is door de verdediging aangevoerd dat verdachte zijn leven op orde heeft en een gezin onderhoudt. Voorts runt verdachte nog steeds een eigen schoonmaakbedrijf.

De rechtbank is van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. Gelet op het hoge nadeelbedrag doet een andere strafmodaliteit geen recht aan de ernst van de gepleegde feiten. De rechtbank zal wel rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en daarom een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. Een deel van de op te leggen straf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen met het doel dat verdachte zich in de toekomst niet opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden en zal zij deze straf aan verdachte opleggen.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^

Veroordeling boekhouder wegens ten onrechte doen van nihilaangiften omzetbelasting. Vrijspraak feitelijk leidinggeven.

Rechtbank Midden-Nederland 23 februari 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:1265 Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim drie jaar schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting vanuit zijn functie als boekhouder voor bedrijf. Al die jaren is er telkens een nihilaangifte ingediend, terwijl uit het dossier blijkt dat bedrijf gedurende deze jaren wel degelijk omzet had, bij haar klanten omzetbelasting in rekening bracht en ook betaald kreeg, maar deze gelden vervolgens niet afdroeg aan de Belastingdienst.

Verdenking

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: in de periode van 26 september 2007 tot en met 14 juli 2010 feitelijke leiding heeft gegeven aan bedrijf die telkens opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan;

Subsidiair: in de periode van 26 september 2007 tot en met 14 juli 2010 tezamen en in vereniging met medeverdachte en bedrijf telkens opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan.

Standpunt van de verdediging

De verdachte heeft geen bewijsverweer gevoerd tegen het door de officier van justitie ingenomen standpunt en opgemerkt dat hij door bijzondere omstandigheden op deze wijze heeft gehandeld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde, omdat hij naar het oordeel van de rechtbank in zijn rol als boekhouder/accountant geen feitelijke leidinggever was van bedrijf.

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Bedrijf heeft tussen 26 september 2007 tot en met 24 juli 2010 aangiften omzetbelasting ingediend over de maanden januari tot en met december 2007, januari tot en met december 2008, januari tot en met december 2009 en januari tot en met juni 2010. De aangiften omzetbelasting betreffen alle nihilaangiften.

Medeverdachte heeft verklaard dat verdachte de boekhouder was van bedrijf. Medeverdachte heeft voorts verklaard dat verdachte alle aangiften omzetbelasting heeft ingediend. Medeverdachte was er van op de hoogte dat er nihilaangiftes waren gedaan en wist ook dat bedrijf in de ten laste gelegde periode omzet heeft gedraaid.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat bedrijf omzet draaide en dat het onjuist was om nihilaangiften omzetbelasting te doen. Desondanks heeft verdachte toch telkens de nihilaangiften ingediend.

Bewezenverklaring

Tezamen en in vereniging met een ander een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 maanden, waarvan 4 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

 

Print Friendly and PDF ^

Voorwaardelijke taakstraf voor verdachte die bepaalde stukken niet aan de Belastingdienst heeft verstrekt, terwijl hij hier ingevolge de belastingwet wel toe verplicht was

Rechtbank Midden-Nederland 8 april 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:2410 De verdenking komt er op neer dat verdachte:

Feit 1: opzettelijk bepaalde stukken niet aan de Belastingdienst heeft verstrekt in de periode van 1 december 2010 tot en met 2 oktober 2013;

Feit 2: aangiften omzetbelasting onjuist heeft gedaan in de periode van 1 april 2009 tot en met 1 mei 2011.

Ontvankelijkheid officier van justitie

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard ten aanzien van feit 2 voor zover dit feit ziet op het onjuist toepassen van de margeregeling om andere redenen dan dat er sprake is van leveringen afkomstig van buiten de Europese Unie. De raadsman heeft dit verweer onderbouwd door te verwijzen naar de beslissing die is genomen in het tripartite overleg.

De rechtbank stelt vast dat hier sprake is van een onjuiste lezing van de beslissing die in het tripartite overleg is genomen, namelijk dat het strafrechtelijk onderzoek voor de toepassing van de margeregeling wordt beperkt tot de inkopen van goederen van leveranciers afkomstig van buiten de Europese Unie. Hieronder kunnen dus ook aankopen binnen de Europese Unie vallen van niet Europese leveranciers, zijnde aankopen als waarop de tenlastelegging doelt. De rechtbank verwerpt daarom dit verweer.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat er sprake is van een schending van het nemo tenetur-beginsel, omdat verdachte fiscaalrechtelijk gezien verplicht was de informatie te verstrekken, maar strafrechtelijk gezien niet hoefde mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Daarnaast is de gegeven informatiebeschikking vernietigd, en heeft er dus volgens de raadsman nooit een plicht voor verdachte bestaan om de informatie als bedoeld in feit 1 te verstrekken. Dit maakt dat er sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijk proces. In samenhang bezien dient dit volgens de raadsman te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

De rechtbank overweegt dat het nemo tenetur-beginsel samenhangt met het zwijgrecht. Dit brengt met zich dat het verbod op gedwongen zelfincriminatie zich niet uitstrekt tot het gebruik in strafzaken van materiaal dat bestaat onafhankelijk van de wil van de verdachte. In dit geval is daarvan sprake nu de Belastingdienst heeft verzocht om het verstrekken van de administratie van het bedrijf en bankafschriften van verdachte. Indien verdachte de stukken aan de Belastingdienst had verstrekt, hadden deze stukken dus gebruikt mogen worden voor een eventuele strafzaak.

De verdediging heeft aangevoerd dat verdachte de stukken helemaal niet had hoeven verstrekken, omdat hij zich had mogen beroepen op het nemo tenetur-beginsel. De rechtbank overweegt daarover dat er geen rechtsregel bestaat die een verdachte in een strafzaak van zijn informatieplicht op grond van artikel 47 van de Algemene Wet inzake Rijksbelastingen ontslaat. Mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat er voor verdachte wel een informatieplicht bestond en dat hij zich tegenover de Belastingdienst niet met succes kon beroepen op het nemo tenetur beginsel. Het verkregen materiaal kan dan ook in deze strafzaak bijdragen tot het bewijs.

Ten aanzien van de vernietigde informatiebeschikking overweegt de rechtbank dat verdachte door de Belastingdienst ook bij brieven van 13 december 2010, 17 januari 2011 en 10 augustus 2011 is verzocht om stukken te verstrekken, zodat op grond daarvan al een informatieplicht bestond. Dat de informatiebeschikking is vernietigd maakt dit oordeel niet anders.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde en verwerpt het verweer.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van beide feiten.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 1 betoogd dat de FIOD haar bewezenverklaring stoelt op beweringen die door een medewerker van de Belastingdienst, mevrouw A, zijn gedaan in een door haar afgelegde getuigenverklaring. De verdediging heeft betoogd dat de FIOD hiermee naar zichzelf wijst ter bevestiging van haar standpunt en dat deze verklaring niet mee mag wegen voor het bewijs. Ook betwist de verdediging de door mevrouw A ingenomen standpunten. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat verdachte niet kon beschikken over de informatie die gevraagd werd, omdat daar beslag op was gelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging betoogd dat bewijs waaruit volgt dat de horloges buiten de Europese Unie zijn ingekocht ontbreekt en dat ook op andere wijze niet blijkt dat verdachte onterecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling. Ook voor dit feit is de verdediging van mening dat de verklaring van mevrouw A niet voor het bewijs gebruikt kan worden, omdat haar beweringen onjuist zijn.

De verdediging heeft voorwaardelijk verzocht, indien de rechtbank voor één van beide feiten de verklaring van mevrouw A, voor zover zij daarin het handelen van verdachte kwalificeert, voor het bewijs gebruikt, mevrouw A te horen als getuige.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van feit 2

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Hiermee is bedoeld, zo is door de officier van justitie ter terechtzitting toegelicht en zo is ook door de verdediging begrepen, dat verdachte onterecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling en daarom te weinig belasting heeft betaald.

De margeregeling mag - voor zover in deze zaak van belang - worden toegepast wanneer het gaat om aankopen binnen de Europese Unie van gebruikte goederen van particulieren.

Om dit feit strafrechtelijk te bewijzen dient niet verdachte aan te tonen dat hij terecht gebruik heeft gemaakt van de margeregeling, maar dient het Openbaar Ministerie aan te tonen dat verdachte dit onterecht heeft gedaan. Anders dan de officier van justitie betoogt is geen wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor de stelling dat de in paragraaf 2.2.1 van het aanvangsproces-verbaal genoemde aankopen buiten de Europese Unie hebben plaatsgevonden. Het enkele feit dat deze aankopen zouden zijn gedaan van niet-ingezetenen van de Europese Unie maakt nog niet dat de margeregeling niet had mogen worden toegepast. Ook is niet komen vast te staan dat de verkopers geen particulieren waren. Het feit dat deze personen meerdere horloges per keer verkochten wekt weliswaar een vermoeden van professionele handel, maar bewijs daarvoor ontbreekt. Evenmin kan worden bewezen dat de desbetreffende horloges nieuw waren in plaats van gebruikt.

De rechtbank concludeert dan ook dat er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring van feit 2 te komen en zal verdachte daarvan vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van feit 1

De rechtbank acht het onder feit 1 ten laste gelegde deels wettig en overtuigend bewezen op grond van het navolgende.

Verdachte heeft verklaard dat hij handelt onder de naam [naam].

Op 1 december 2010 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen verdachte en de Belastingdienst, waarin een boekenonderzoek is aangekondigd. In dit gesprek heeft verdachte aangegeven geen kopieën te bewaren van echtheidscertificaten en heeft hij toegezegd de Excel sheets met betrekking tot de in- en verkopen van 2008 tot en met 2010 toe te zenden.

Bij brief van 13 december 2010 heeft de Belastingdienst, kantoor Apeldoorn, verdachte verzocht om de digitale Excel sheets met betrekking tot de in- en verkopen over de periode 2008 tot en met 2010 en de bankafschriften van de privé bankrekening van verdachte, rekeningnummer 31.65.67.191, over de periode 2008 tot en met 2010 te verstrekken.

Dit laatste verzoek is herhaald door de Belastingdienst bij brief van 17 januari 2011.

Door verdachte zijn voorraadlijsten verstrekt met betrekking tot 2009 en het eerste, tweede en derde kwartaal van 2010. Ook zijn door verdachte privé bankafschriften verstrekt uit 2009 en 2010. De bankafschriften over 2008 zijn niet verstrekt. De voorraadlijsten over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011 zijn ook niet verstrekt. De echtheidscertificaten van de horloges over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2011 en de originele in- en verkoopfacturen over de periode 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2011 zijn niet verstrekt. Deze originelen zijn bij de doorzoeking op 15 november 2011 wel aangetroffen. Ook zijn daarbij aangetroffen de Excel sheets met de in- en verkopen over het vierde kwartaal van 2010 en het eerste kwartaal van 2011.

Partiële vrijspraak van feit 1

Ten aanzien van de echtheidscertificaten overweegt de rechtbank dat dergelijke certificaten naar hun aard behoren bij de horloges in kwestie en in de regel worden meegeleverd aan de kopers, zodat verdachte er niet op bedacht hoefde te zijn dat hij deze certificaten aan de Belastingdienst moest verstrekken. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij daartoe niet meer in staat was.

Ten aanzien van de Excel sheets met de in- en verkopen overweegt de rechtbank dat deze slechts zijn opgevraagd tot en met het vierde kwartaal van 2010 en niet voor het eerste kwartaal van 2011. Verdachte zal dan ook van dat onderdeel worden vrijgesproken. De raadsman moet worden toegegeven dat de sheets over o.a. het laatste kwartaal van 2010 al op 13 december 2010 zijn opgevraagd, dus nog voordat dat kwartaal ten einde was, maar deze omstandigheid ontsloeg verdachte niet van de verplichting om deze sheets dan na het einde van het kwartaal aan te leveren.

De rechtbank constateert dat alleen in de brief van de Belastingdienst van 10 augustus 2011 gevraagd wordt naar originele in- en verkoopfacturen, maar dat daarbij geen periode wordt genoemd. Deze brief kan dan ook niet bijdragen aan het bewijs dat verdachte desgevraagd heeft nagelaten deze originele facturen over de periode januari 2008 tot en met 31 maart 2011 te verstrekken. De informatiebeschikking van 6 maart 2012, waarin wel is gevraagd om het verstrekken van de originele administratie, dateert van na de doorzoeking in de woning van verdachte, waarbij die administratie is aangetroffen. Hem kan dan ook niet worden tegengeworpen dat hij daartoe niet meer in staat was.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1

Het verweer dat verdachte de gevraagde stukken niet kon aanleveren omdat deze bij de doorzoeking inbeslaggenomen waren faalt, nu verdachte op 1 december 2010, 13 december 2010 en op 17 januari 2011 om die stukken is gevraagd, terwijl de huiszoeking pas op 15 november 2011 plaatsvond.

Verdachte heeft bovengenoemde gegevens niet verstrekt, terwijl de Belastingdienst hem daar bij herhaling om heeft gevraagd. Doordat verdachte de Belastingdienst niet zijn Excel sheets met aan- en verkopen, zijn bankafschriften en zijn originele in- en verkoopfacturen heeft verstrekt, heeft de Belastingdienst daarop vermelde transacties niet opgemerkt en over deze transacties ook geen omzetbelasting kunnen berekenen. Het achterhouden van deze informatie kon dan ook meebrengen dat te weinig belasting werd geheven.

Het voorwaardelijke getuigenverzoek

Nu de rechtbank voor het bewijs geen gebruik maakt van de onderdelen van de verklaring van mevrouw A, waarin zij het handelen van verdachte kwalificeert, is niet voldaan aan de door de verdediging gestelde voorwaarde voor het horen van deze getuige.

Voor zover het verzoek ook gericht zou zijn op het horen van mevrouw A over de delen van haar verklaring die wel voor het bewijs gebruikt zijn, acht de rechtbank dit niet noodzakelijk voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing en wijst zij het verzoek af.

Bewezenverklaring

Feit 1: het niet verstrekken van inlichtingen, gegevens of aanwijzingen en het niet voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, terwijl hij daartoe ingevolge de belastingwet verplicht is, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke taakstraf van 60 uren met een proeftijd van 2 jaren.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

 

Print Friendly and PDF ^