Overzicht rechtspraak EHRM mbt dubbele vervolging

Samenloop van fiscale procedures met strafrechtelijke procedures leidt vaak tot interessante casuïstiek vanuit het EHRM perspectief. In de rubriek Fiscaal Strafrecht in de laatste editie van Delikt en Delikwent zetten auteurs W.E.C.A. Valkenburg & A.A. Feenstra recente rechtspraak uiteen die ziet op de vraag of sprake is van een dubbele vervolging. Hoewel Nederland ten aanzien van het IVBPR en het EVRM het voorbehoud heeft gemaakt geen verdere verplichtingen te aanvaarden dan welke uit artikel 68 Sr voortvloeien, zien we ook in ons rechtssysteem bepalingen die beogen – zij het via een andere weg – te voorkomen dat iemand dubbel wordt gestraft: het una via-beginsel. Dit beginsel brengt met zich dat geen bestuurlijke boete meer kan worden opgelegd indien tegen de betrokkene wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter zitting is aangevangen (artikel 5:44Awb). De spiegelbepaling is artikel 243 lid 2 Sv: indien aan de betrokkene een bestuurlijke boete is opgelegd zijn de rechtsgevolgen gelijk aan die van een kennisgeving van niet verdere vervolging als het dezelfde feiten betreft. Alleen bij ‘nieuwe bezwaren’ (artikel 255 lid 1 Sv) kan betrokkene (opnieuw) in rechte worden betrokken. Oplegging van een bestuurlijke boete sluit de strafrechtelijke weg af, en omgekeerd belet de start van het onderzoek ter terechtzitting de oplegging van een bestuurlijke boete.

In de eerste set besproken arresten speelt de vraag of artikel 4 van het Zevende Protocol is geschonden. Hoewel dit protocol niet door Nederland is geratificeerd, leveren deze arresten interessante gezichtspunten op voor de benadering van de vraag wanneer sprake is van hetzelfde feit. Bovendien laten de arresten zien, welke complicaties kunnen ontstaan in rechtsstelsels zonder una via-systeem. Daarnaast heeft het EHRM zich uitgesproken over de betekenis van de onschuldpresumptie na een vrijspraak in een belastingstrafzaak voor de invordering. Vervolgens staan de auteurs nog kort stil bij een arrest van het EHRM waarbij de redelijke termijn geschonden werd geacht in een zaak waarin zowel de belastingprocedure als de strafprocedure aanhangig waren. Daarna stellen de auteurs nog een drietal nationale uitspraken aan de orde. De eerste gaat over het gebruik van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs in een belastingprocedure, de tweede betreft de toepassing van una via door het Bossche Hof en de derde betreft de casus die tot aangifte van de President van het Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geleid omdat belastingambtenaren in een belastingprocedure weigerden de namen van een tipgever te noemen.

Lees verder:

 

 

Print Friendly Version of this pagePrint Get a PDF version of this webpagePDF