'Drieluik nemo tenetur: de rechterlijke garantie voor afgedwongen ‘wilsafhankelijk’ bewijs'

Drie advocaten-generaal trekken ten strijde tegen de huidige opvatting van de Hoge Raad over van belastingplichtigen afgedwongen bewijsmateriaal. Zij concluderen dat het recht om niet aan de eigen veroordeling mee te werken ook op onder dwangsom verstrekte documenten van toepassing is. De Hoge Raad heeft tot dusverre deze vraag ontweken door geen uitspraak te doen over wat wel of niet als ‘wilsafhankelijk bewijsmateriaal’ moet worden aangemerkt. 

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG over artikel 69 lid 2 AWR & de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 3 AWR

Hoge Raad 12 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:267

Verzoeker is bij arrest van 30 september 2013 door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden wegens feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk doen van een onjuiste/onvolledige aangifte, begaan door een rechtspersoon.

De raadsvrouw van verzoeker heeft ter terechtzitting van het Hof het woord tot verdediging gevoerd:

“IV. Vrijwillige verbetering

5.0. Bedragen in jaarrekeningen
5.1. Uit de stukken blijkt dat de jaarrekeningen 2002-2007 eerst in maart 2009 zijn gedeponeerd. Uit deze jaarstukken blijken de te suppleren bedragen aan omzetbelasting. Nadat deze zijn gedeponeerd is het faillissement aangevraagd. Omtrent de aanvang van het onderhavige strafrechtelijk onderzoek is het volgende geverbaliseerd (Proces-verbaal [A] B.V. dossiernr.: 44.897, pag. 3/4):
2.0. Aanleiding onderzoek

Naar aanleiding van een deelonderzoek, uitgevoerd door [betrokkene 1], werkzaam bij de Belastingdienst Oost te Enschede, is geconstateerd, dat in de administratie van [A] B.V. nog te suppleren bedragen omzetbelasting staan vermeld.

De bedragen zijn per jaar apart opgenomen, te weten:

suppletieaangifte 2002 € 118.786,-- suppletieaangifte 2003 € 73.714,-- suppletieaangifte 2004 € 136.987,--

suppletieaangifte 2005 € 254.055,-- suppletieaangifte 2006 € 199.204,--

Gezien de absolute alsmede de relatieve hoogte van deze niet aangegeven bedragen, werd door de medewerkers van de Belastingdienst/Oost te Enschede de veronderstelling uitgesproken dat de ondernemer ervan op de hoogte (zou) moet(en) zijn dat de aangiften omzetbelasting ten name van [A] B.V. te Enschede, tot onjuiste bedragen zijn gedaan.

5.2. Benadrukt dient te worden dat dit deelonderzoek heeft plaatsgevonden nadat de jaarrekeningen bij de belastingdienst bekend zijn geworden. Oftewel, eerst nadat uit de jaarrekeningen geconstateerd is dat er (relatief hoge) te suppleren bedragen aan omzetbelasting zijn, wordt het onderzoek opgestart. Cliënt doet - voor het geval hém al een verwijt zou kunnen worden gemaakt - een beroep op de artikel 69, derde lid AWR juncto par. 28 lid 3, van het BBBB; de vrijwillige verbetering.
5.3. Uitdrukkelijk zij verwezen naar het arrest van uw Hof, Hof Arnhem van 5 oktober 1994, V-N 1998/35.5, r.o. 2.2. Daarin is overwogen dat het vermelden van een te suppleren bedrag in de jaarberekening omzetbelasting die als bijlage bij de jaarrekening is overgelegd bij de aangifte inkomstenbelasting - zonder dat suppletieaangifte is gedaan - is aan te merken als een vrijwillige verbetering ten aanzien van de omzetbelasting. Als door uw Hof wordt aangenomen dat cliënt bij de eerder onjuist gedane aangiften verwijtbaar betrokken was, geldt dat hij het vermelden van de te suppleren bedragen heeft gesteund en bekrachtigd op grond waarvan hem evenzeer een beroep op deze strafuitsluitingsgrond toekomt.
5.4. Cliënt betoogt in dezen dat doordat de bedragen in de jaarrekeningen zijn opgenomen, waardoor deze niet alleen aan hem maar ook aan de Belastingdienst en de FIOD bekend zijn geworden, geoordeeld moet worden dat daarmee een vrijwillige verbetering is gedaan ten aanzien van die vermelde bedragen. Daarmee is het recht op strafrechtelijke vervolging in dezen komen te vervallen en dient het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard.”

In het bestreden arrest heeft het Hof daaromtrent overwogen:

“Beroep op de inkeerregeling

Namens verdachte is een beroep gedaan op artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (verder: AWR) juncto par. 28 lid 3 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (verder: BBBB), de regeling inzake de vrijwillige verbetering. Dit zou leiden tot het vervallen van het recht op strafvervolging.

Het Hof overweegt dienaangaande als volgt.

Van inkeer conform 69 AWR is slechts dan sprake indien een betrokkene tijdig alsnog een aanvullende aangifte indient of aanvullende informatie verstrekt, zodanig dat het voor de belastingdienst helder moet zijn dat hij daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie rectificeert.

De vermelding in jaarrekeningen – indien deze al naar de Belastingdienst zijn gezonden – zonder nadere toelichting, met daarin de enkele opgave van cijfers die afwijken van de in eerdere periodiek aangiften omzetbelasting opgenomen cijfers, voldoet niet aan die eis, temeer nu die jaarrekeningen – alsdan – primair dienen voor de heffing van vennootschapsbelasting van de vennootschap (HR 20 mei 2001, NJ 2001/699).

Het beroep van de verdediging op het arrest van het hof van 5 oktober 1994, 84/0086, slaagt niet, reeds omdat aldaar sprake was van een toegevoegde “jaarberekening omzetbelasting 1991” waarin (wel) expliciet melding werd gemaakt van die suppletie.

Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de in maart 2009 gedeponeerde jaarrekeningen 2002-2007 niet kunnen afdoen aan het feit dat reeds in januari 2009 door de controleambtenaar van de belastingdienst in het kader van een boekenonderzoek de jaarrekeningen omzetbelasting over de jaren 2004, 2005 en 2006 heeft ontvangen (dossier-nr 44897, AH-EDP, pag 18). Indien al sprake zou zijn van inkeer, is derhalve geen sprake van tijdige inkeer.”

Namens verzoeker heeft mr. G.J.M.E. de Bont, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat ’s Hofs arrest onjuist althans onvoldoende naar de eisen der wet met redenen is omkleed, nu het Hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat van inkeer als bedoeld in art. 69, derde lid, van de Algemene Wet inzake de rijksbelastingen (verder: AWR) in verbinding met art. 28, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst geen sprake is dan wel dat deze inkeer niet tijdig was.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad doet de zaak af met verwijzing naar art. 81, eerste lid, RO.

Conclusie AG

De inkeerregeling van art. 69, derde lid, AWR bevat een bijzondere vervolgingsuitsluitingsgrond. Ook nadat het fiscale misdrijf als bedoeld in het eerste lid respectievelijk het tweede lid van art. 69 AWR is voltooid, kan de belastingplichtige die tijdig tot inkeer is gekomen deze vervolgingsuitsluitingsgrond inroepen. Mocht het tot een strafproces komen, dan zal het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de strafvervolging worden verklaard indien de verdachte aannemelijk weet te maken dat hij alsnog een juiste en volledige aangifte heeft gedaan, dat wil zeggen de juiste en volledige informatie heeft verstrekt. Voorwaarde is wel dat de betrokkene tijdig tot inkeer moet zijn gekomen, dat wil naar de wettelijke omschrijving zeggen: vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de ambtenaren als bedoeld in art. 80, eerste lid, AWR de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden. De ratio van deze bijzondere voorziening is gelegen in de gedachte dat voorkomen moet worden dat de belastingplichtige die een aanvang met belastingontduiking heeft gemaakt tot inkeer te ontmoedigen en daarmee door te gaan uit angst voor strafvervolging. Juist de voorwaarde dat het alsnog vervullen van de fiscale verplichtingen moet hebben plaatsgevonden voordat de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de onjuistheid of onvolledigheid bij de belastingambtenaar bekend is of zal worden, schept in rechte ruimte voor verschil van inzicht en dus voor discussie tussen de procespartijen. Of met succes een beroep kan worden gedaan op de inkeerregeling, zal in elk voorkomend geval sterk afhangen van de feitelijke omstandigheden en naar objectieve maatstaven moeten worden beoordeeld. Een al aangekondigd fiscaal onderzoek in een bepaalde branche, zal in de regel aan een doeltreffend beroep op deze regeling in de weg staan.

10. In zijn arrest van 18 maart 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0659, NJ 1998/71 heeft de Hoge Raad de strekking van de inkeerbepaling van art. 68, derde lid (oud), AWR als volgt uitgelegd:

“6.6. (…), dat enerzijds zoveel mogelijk dient te worden bevorderd dat de betrokkene vrijwillig corrigerend optreedt, waardoor het fiscale nadeel dat zijn voorafgaande overtreding heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken kan worden hersteld of voorkomen en dat anderzijds zoveel mogelijk wordt voorkomen dat de betrokkene door de vrees voor strafvervolging ertoe wordt gebracht ook in volgende aangiften onjuiste opgaven te doen teneinde te voorkomen dat eerdere voor de belastingheffing relevante onregelmatigheden aan het licht komen.”

11. Met betrekking tot de betekenis van het ‘weten’ of ‘redelijkerwijs moeten vermoeden’ in de zin van art. 69, derde lid, AWR overwoog de strafkamer van de Hoge Raad in zijn arrest van 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6922, NJ 2010/199 het volgende:

“2.5. De Hoge Raad stelt voorop dat, gezien de formulering van art. 69, derde lid, AWR voor het antwoord op de vraag of al dan niet met vrucht een beroep op die bepaling kan worden gedaan, niet beslissend is of de belastingplichtige – subjectief gezien – ten tijde van de verbetering van een door hem gedane aangifte vermoedde dat ambtenaren van de Belastingdienst op het spoor zouden komen van de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte, maar of hij – objectief gezien – op dat moment redelijkerwijs moest vermoeden dat die ambtenaren met de onjuistheid of de onvolledigheid van die aangifte bekend waren of bekend zouden worden (vgl. HR 2 mei 2001, LJN AB1375, BNB 2001, 319.”

12. Het alsnog – na inkeer – willen vervullen van de fiscale verplichtingen waarop de inkeer betrekking heeft, zal niet alleen tijdig, maar ook helder kenbaar moeten worden gemaakt aan de belastingambtenaar. Het mag niet gaan om een zoekplaatje, aldus al de toenmalige AG Jörg in zijn conclusie voorafgaand aan het arrest van HR 22 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1760, NJ 2001/699. Zijn standpunt in de desbetreffende zaak was dat het alsnog inzenden van juiste en volledig ingevulde loonbelastingkaarten aan de fiscus, die uitsluitend ten dienste strekten van de inkomstenbelasting aangaande de werknemers, niet konden worden aangemerkt als een aanvullende opgave loonbelasting/premie volksverzekeringen (1994) dan wel als het verstrekken van volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen met betrekking tot de (over 1994) verschuldigde loonbelasting en/of premie volksverzekeringen. De Hoge Raad volgde dit standpunt van de Advocaat-Generaal en overwoog:

“4.7. Het bepaalde in art. 68, derde lid (oud), AWR, thans art. 69, derde lid, AWR, de zogenoemde inkeerbepaling, komt er op neer dat een betrokkene zich slechts dan op deze bepaling kan beroepen als hij tijdig is overgegaan tot het alsnog indienen van een aanvullende aangifte of het verstrekken van aanvullende informatie, op zodanige wijze dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de betrokkene daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie rectificeert.

Uit het hiervoor onder 4.4 tot en met 4.6 overwogene volgt dat de loonbelastingkaarten dienen voor de heffing van inkomstenbelasting bij de werknemer, terwijl de periodieke loonbelastingaangiften betrekking hebben op de afdracht van loonbelasting door de werkgever. Dat brengt mee dat, indien, zoals in dit geval, zonder nadere toelichting wordt volstaan met het inzenden van loonbelastingkaarten met bijbehorende geleidebrief met daarin een opgave van, van de eerdere aangifte afwijkende, cijfers, de vereiste duidelijkheid niet wordt geboden.”

13. Op grond van het voorgaande meen ik dat het bestreden oordeel van het Hof - zoals hierboven onder 7 aangehaald - geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl dit oordeel ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk is. Daarbij wijs ik erop dat in de bedoelde jaarrekeningen zonder enige nadere toelichting enkel cijfers zijn vermeld die, naar uit boekenonderzoek van medewerkers van de Belastingdienst/Oost te Enschede bleek, afweken van de in eerdere periodieke aangiften omzetbelasting opgenomen cijfers. Voorts heb ik in aanmerking genomen dat naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld verzoeker aan de bewezenverklaarde verboden gedragingen feitelijk leiding heeft gegeven en dat deze vaststelling in het middel noch in de toelichting daarop wordt bestreden.

14. De stelling in de toelichting op het middel dat het Hof een onjuist criterium heeft aangelegd in zijn oordeel dat een aangifte omzetbelasting niet zou kunnen worden gerectificeerd in een aangifte vennootschapsbelasting of een jaarrekening, stuit meen ik op het voorgaande af.

15. Tot slot wat dit middel betreft. De klacht in de toelichting over de overweging van het Hof dat indien al sprake zou zijn van inkeer, derhalve geen sprake is van tijdige inkeer, kan niet tot cassatie leiden, reeds omdat het om een ‘overweging ten overvloede gaat’ en ’s Hofs daaraan voorafgaande overwegingen zijn bestreden oordeel zelfstandig kunnen dragen.

16. Het eerste middel faalt.

Lees hier de volledige uitspraak en hier de conclusie van de AG.

Print Friendly and PDF ^

Belastingfraude: Verdachte heeft gedurende een aantal jaar in zowel zijn eigen belastingaangiften als die van derden te hoge of gefingeerde aftrekposten opgegeven

Rechtbank Amsterdam 24 december 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:9023

Gedurende een aantal jaren heeft verdachte aangiften Inkomstenbelasting / Premie Volksverzekeringen voor derden ingediend. Ten behoeve daarvan heeft verdachte in januari 2010 het bedrijf 1 opgericht. Dit bedrijf stond op naam van de partner van verdachte. Voor zijn werkzaamheden ontving verdachte een percentage van tussen de 17% en 23% van het bedrag dat de belastingplichtigen van de Belastingdienst terugkregen. Bij zijn werkzaamheden maakte verdachte naast zijn eigen naam, ook onder andere gebruik van naam 1.

In januari 2010 is bij de Belastingdienst, gevestigd te Apeldoorn, een tip binnengekomen dat verdachte voor de tipgever in zijn aangiften IB gefingeerde posten heeft opgevoerd. Naar aanleiding daarvan is de Belastingdienst een onderzoek gestart naar verdachte en de aangiften IB op naam van persoon 1 t/m persoon 20.

Verdenking

De verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 8 maart 2006 tot en met 29 november 2010 samen met een ander of anderen opzettelijk voor in totaal 767 personen onjuiste of onvolledige belastingaangiften heeft gedaan. Dit feit is cumulatief/alternatief ten laste gelegd als valsheid in geschrift (feit 1). Daarnaast wordt verdachte ervan verdacht in de periode van 15 maart 2006 tot en met 26 januari 2011 samen met een ander of anderen opzettelijk zijn eigen belastingaangiften onjuist of onvolledig te hebben gedaan. Verder is de verdenking dat verdachte zich in de periode van 9 augustus 2005 tot en met 19 juli 2011 schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van € 135.979,45 (feit 3) en dat hij in de periode van 15 februari 2011 tot en met 12 april 2011 samen met een ander of anderen een hennepplantage opzettelijk aanwezig heeft gehad (feit 4).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan. Hij heeft daartoe het volgende betoogd.

Ten aanzien van feit 1 kan, gelet op de werkwijze van verdachte, bewezen worden verklaard dat hij een groot aantal belastingaangiften opzettelijk onjuist of onvolledig heeft begaan. De gelden die verdachte hiervoor heeft ontvangen, zijn middellijk van misdrijf afkomstig, aangezien die eerst aan de belastingplichtige zijn uitbetaald. Verder heeft verdachte door deze inkomsten niet bij zijn eigen belastingaangifte op te voeren, zijn eigen belastingaangifte opzettelijk onjuist gedaan. Bovendien heeft hij in zijn eigen belastingaangiften aftrekposten die te hoog of niet juist waren, opgevoerd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 4 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. In de door de raadsman ter terechtzitting overgelegde pleitnota heeft de verdediging, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

De belastingplichtigen zijn degenen die de genoemde aftrekposten aan verdachte hebben doorgegeven, waardoor niet bewezen kan worden verklaard dat hij die aftrekposten onjuist heeft opgevoerd. Derhalve dient hij van het onder 1 ten laste gelegde te worden vrijgesproken. Verder kan, nu in het onderzoek slechts 18 (inclusief de gezinsleden van verdachte) belastingplichtigen zijn gehoord, niet worden vastgesteld dat alle ten laste gelegde aangiften van de 216 belastingplichtigen opzettelijk onjuist zijn gedaan. Bovendien is in een aantal gevallen de aangifte gecorrigeerd noch nagevorderd. Voorts kan verdachte, voor zover hij een gecorrigeerde aangifte heeft laten volgen op een reeds gedane aangifte, niet voor die eerdere aangiften worden vervolgd aangezien sprake is van inkeer. Daarnaast worden hernieuwde aangiften aangemerkt als bezwaarschrift, waardoor geen sprake meer is van een aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Uit de procedure die verdachte tegen de hemzelf opgelegde navorderingsaanslagen heeft gevoerd, blijkt dat aanslagen zijn vernietigd of gedeeltelijk gegrond zijn verklaard. Over het jaar 2008 is een compromis bereikt tussen verdachte en de Belastingdienst zonder erkenning van elkaars standpunten. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat verdachte deze aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan en dient hij van het onder 2 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is sprake van vermenging. De uitbetaling door de Belastingdienst heeft immers plaatsgevonden op de rekening van de belastingplichtigen, waardoor het geld is vermengd met het reeds aanwezig geld op die bankrekeningen. Gelet daarop kan niet zonder meer worden gesteld dat de geldbedragen die vervolgens aan verdachte zijn uitbetaald, van misdrijf afkomstig zijn. Dit leidt tot vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangiften IB die hij voor derden deed, vanaf zijn computer thuis in Amsterdam naar de Belastingdienst verstuurde. Gelet hierop kan worden vastgesteld dat de aangiften die vanaf het IP-adres van verdachte met nummer IP-adres 4 naar de Belastingdienst zijn verzonden, door verdachte zijn ingediend. Verder heeft verdachte verklaard gebruik te hebben gemaakt van het programma “Hide my IP” dat ervoor zorgde dat zijn IP-adres kon worden veranderd. Uit analyse van de FIOD komt naar voren dat, gezien de tijdstippen waarop contact is geweest met de Belastingdienst, de IP-adressen IP-adres 2, IP-adres 3 en IP-adres 1 samenhang met het IP-adres van verdachte moeten hebben gehad. Gelet hierop kan worden geconcludeerd dat ook de aangiften die vanaf die IP-adressen zijn verstuurd, door verdachte zijn ingediend.

Voor zover bij aangiften niet meer kon worden vastgesteld vanaf welk IP-adres die waren verzonden, hebben de belastingplichtigen zelf verklaard dat verdachte die heeft ingediend. Verder blijkt uit andere omstandigheden dat verdachte bij het indienen van de aangiften IB van de belastingplichtigen betrokken is geweest. Bij de aangifte IB 2007 op naam van persoon 3 is immers gebruik gemaakt van de DigiD-code van verdachte en de aangiften IB 2005 en 2006 op naam van persoon 4 zijn op dezelfde datum verstuurd als de aangiften IB 2007 en 2008 waarbij het IP-adres van verdachte is gebruikt. De Belastingdienst heeft over de aangifte IB 2008 op naam van persoon 6 contact gehad met de naam 1, een alias van verdachte, en in de aangifte IB 2008 op naam van persoon 10 is in eerste instantie het bankrekeningnummer van verdachte opgenomen. Verder is gebleken dat kort voor de verzending van de aangiften IB ten name van persoon 7 (2008), persoon 14 (2008) en persoon 15 (2008) vooraf ingevulde belastingformulieren van die belastingplichtigen op het IP-adres van verdachte zijn gedownload. Gelet op deze omstandigheden tezamen met de omstandigheid dat alle aangiften eenzelfde patroon aan aftrekposten vertonen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte al deze aangiften IB heeft gedaan.

De belastingplichtigen hebben elk afzonderlijk verklaard dat zij de aftrekposten die in hun aangifte IB werden opgevoerd, niet aan verdachte hebben doorgegeven en dat verdachte die zonder hun medeweten heeft opgevoerd. Zij hoefden immers slechts hun jaaropgave en DigiD-code aan verdachte door te geven. Verder hebben zij verklaard dat de opgevoerde aftrekposten in de aangiften IB geheel of gedeeltelijk niet juist waren. De opgevoerde aftrekposten hebben de belastingplichtigen niet gehad of de bedragen die worden genoemd, waren te hoog. Hoewel een verklaring van persoon 14 in het dossier ontbreekt, kan uit de omstandigheid dat hij aangifte tegen verdachte heeft gedaan worden afgeleid dat hij het niet eens was met de door verdachte ingediende aangiften IB en de daarop vermelde aftrekposten. Nu al deze belastingplichtigen consequent en eensluidend hebben verklaard en hun aangiften IB eenzelfde patroon aan aftrekposten vertonen, acht de rechtbank de verklaring van verdachte dat hij die aftrekposten in samenspraak met de belastingplichtige heeft ingevuld, niet geloofwaardig. Daarbij weegt mee dat bij ongeveer een ieder van de genoemde belastingplichtigen in de aangiften IB werd opgenomen dat een “dicteerecorder” was aangeschaft. Bij sommigen gebeurde dat zelfs voor meer jaren achter elkaar. Nu het echter als een feit van algemene bekendheid kan worden beschouwd dat een dicteerecorder niet een voorwerp is dat door veel mensen wordt gebruikt, is dit patroon zeer merkwaardig. Ook is het bijzonder dat bij persoon 2 en persoon 4 de opgevoerde kosten meer dan de helft van hun inkomen bedroegen. Het is zeer opmerkelijk te noemen dat in de aangiften IB van de belastingplichtigen die een eigen woning hadden, telkens en soms jaarlijks de kosten van een taxatierapport als aftrekpost werden opgevoerd. Voorts is het opvallend dat van het aantal belastingplichtigen een aanzienlijk percentage een vaste aftrek wegens chronische ziekte in hun aangiften IB had opgenomen. Daarbij is het jaar waarover deze aftrekpost in de aangifte werd vermeld, soms merkwaardig. Op naam van persoon 6 werd bijvoorbeeld in de aangiften IB 2004 en 2006 de post vaste aftrek wegens chronische ziekte opgenomen, terwijl die aftrekpost in het jaar 2005 ontbrak. persoon 17 zou bovendien in hetzelfde jaar dat voor het eerst de aftrekpost vaste aftrek wegens chronische ziekte werd opgevoerd, met een studie zijn gestart. Tevens is het opmerkelijk dat persoon 11 volgens zijn aangiften IB ongeveer jaarlijks een keuring zou hebben ondergaan. Bovendien heeft een aantal belastingplichtigen verklaard überhaupt geen chronische ziekte te hebben gehad. Een aantal belastingplichtigen heeft verklaard dat de opgevoerde ziektekosten reeds door de ziektekostenverzekering waren vergoed. Verder is gebleken dat de aftrekposten die door verdachte werden opgevoerd, in de aangiften IB van de jaren voor- en nadat hij die aangifte deed, niet voorkwamen.

Al deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien brengen met zich dat de rechtbank van oordeel is dat de opgevoerde aftrekposten onjuist waren en dat verdachte degene is geweest die de posten heeft bedacht en opzettelijk heeft opgevoerd. Tevens kan worden bewezen dat verdachte deze aangiften IB opzettelijk valselijk heeft opgemaakt. Het motief voor verdachte om deze gefingeerde aftrekposten op te voeren, is gelegen in de omstandigheid dat zijn vergoeding afhankelijk was van hetgeen de belastingplichtige van de Belastingdienst terugkreeg. De uitkomsten van bezwaar- en beroepsprocedures tegen naheffingsaanslagen waarbij sommige belastingplichtigen een deel van de aftrekposten alsnog hebben kunnen aantonen, doen aan het oordeel dat die aangiften onjuist waren, niet af.

Na de eerste aangiften IB op naam van persoon 2 (2009), persoon 8 (2008), persoon 13 (2008 en 2009) en partner verdachte (2009) heeft verdachte opnieuw een aangifte IB ingediend waarbij de aftrekposten zoals vermeld in de eerste aangifte, niet zijn opgevoerd. Bij deze aangiften is dan ook sprake van inkeer als bedoeld in artikel 69 van de AWR, waardoor verdachte ten aanzien van die eerste aangiften IB wordt vrijgesproken van het eerste deel van het onder 1 ten laste gelegde. De rechtbank kan namelijk niet vaststellen dat verdachte toen al op de hoogte was van de melding tegen hem van 25 januari 2010 door persoon 21 dan wel van een tegen hem gestart onderzoek. Ten aanzien van die eerste aangiften geldt overigens wel dat die valselijk door verdachte zijn opgemaakt, waardoor die bij het tweede deel van het onder 1 ten laste gelegde bewezen kunnen worden verklaard. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat hoewel na de eerste aangiften IB op naam van persoon 9 (2005), persoon 11 (2009), persoon 16 (2009) en persoon 12 (2008) eveneens door verdachte een nieuwe aangifte voor hetzelfde jaar is ingediend waarbij in de eerste aangifte vermelde aftrekposten niet voorkomen, bij die aangiften geen sprake is van inkeer. Op die tweede aangiften zijn immers alsnog aftrekposten opgevoerd waarvan de belastingplichtigen hebben verklaard dat die niet juist waren. De tweede aangifte op naam van persoon 10 (2008) is ingediend nadat de Belastingdienst over die aangifte brieven heeft gestuurd met vragen, zodat verdachte ten aanzien van die eerste aangifte niet op de inkeerregeling kan beroepen.

Indien na een eerste aangifte een tweede aangifte over dat jaar volgt, wordt die tweede aangifte door de Belastingdienst aangemerkt als bezwaar. Dit brengt echter niet met zich dat die tweede aangifte op dat moment geen aangifte meer is als bedoeld in de AWR. De tweede aangifte komt immers in de plaats van de eerste en wordt ook door de Belastingdienst als zodanig verwerkt. Bovendien heeft degene die de tweede aangifte heeft ingediend, beoogd een aangifte IB te doen. Derhalve is bij de tweede aangifte eveneens sprake van een aangifte als bedoeld in de AWR.

In het dossier bevinden zich onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat alle andere aangiften IB dan hierboven vermeld, opzettelijk onjuist zijn gedaan. Gelet daarop wordt verdachte daarvan vrijgesproken.

Aftrekposten op een aangifte IB brengen met zich dat het inkomen waarover belasting wordt geheven, wordt verminderd. Hierdoor betaalt de belastingplichtige in het algemeen minder inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Het door verdachte opvoeren van gefingeerde aftrekposten heeft voor de door de rechtbank bewezen verklaarde gevallen tot gevolg dat er te weinig belasting wordt geheven. Het onder 1 ten laste gelegde kan dan ook bewezen worden verklaard.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte bij dit feit zodanig nauw en bewust met een ander heeft samengewerkt, dat sprake is van medeplegen. Van dat onderdeel van de tenlastelegging wordt verdachte dan ook vrijgesproken.

Feit 3

De geldbedragen die de belastingplichtigen van de Belastingdienst terugkregen, werden op hun bankrekening gestort. Nu deze geldbedragen werden verkregen als gevolg van de door verdachte opzettelijk onjuist gedane aangiften door het opvoeren van gefingeerde aftrekposten, zijn deze geldbedragen van misdrijf afkomstig. Van deze bedragen ontving verdachte vervolgens een percentage als vergoeding voor het doen van de aangiften IB. In het strafrecht kan, anders dan de raadsman van verdachte kennelijk meent, niet worden gesteld dat de geldbedragen die verdachte ontving, niet meer kunnen worden gekwalificeerd als van misdrijf afkomstig omdat sprake zou zijn van vermenging met het legale vermogen op de bankrekening van de belastingplichtige. De afspraak was immers dat verdachte van het ontvangen geldbedrag – dat dus van misdrijf afkomstig was – een deel zou ontvangen. Derhalve is het geldbedrag dat hij ontving, eveneens van misdrijf afkomstig. De door de raadsman aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad is niet op deze zaak van toepassing, aangezien die juist het spiegelbeeld (dat namelijk een vermogensbestanddeel met een criminele herkomst door vermenging het gehele overige vermogen zou besmetten) in kaders probeert te vatten.

De rechtbank schat dat de hierboven genoemde belastingplichtigen in totaal een bedrag van € 8.000,- op de bankrekening van verdachte hebben gestort. Gelet op het voorgaande is dit geldbedrag van misdrijf afkomstig en wist verdachte dat ook. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij van de geldbedragen die hij van de belastingplichtigen ontving, zijn vaste lasten heeft betaald. Dit brengt met zich dat bewezen kan worden verklaard dat verdachte het geldbedrag van € 8.000,- heeft omgezet. Nu verdachte gedurende een aantal jaren en van verschillende personen deze geldbedragen op zijn rekening ontving, is sprake van gewoontewitwassen.

Feit 2

Verdachte heeft de aangiften IB 2005 tot en met 2009 op zijn eigen naam zelf bij de Belastingdienst ingediend. Tot 2007 bevatten de aangiften IB ook de gegevens van partner verdachte. Op 15 maart 2006 is de aangifte IB 2005 bij de Belastingdienst binnengekomen. In die aangifte zijn een brutoloon bij werkgever A en een bedrag van Payroll service opgegeven. Als aftrekposten zijn kosten voor de eigen woning (waaronder een taxatierapport), ziektekosten en andere buitengewone uitgaven (waaronder een ooglaserbehandeling en vaste aftrek wegens chronische ziekte), studiekosten en studiekosten partner (waaronder bedragen voor een PC voor zichzelf en voor zijn partner en voor een dicteerecorder). In de aangiften IB 2006 en 2007 is eveneens het brutoloon bij werkgever A opgegeven. Daarnaast bestonden de aftrekposten in beide jaren wederom uit kosten voor de eigen woning (waaronder telkens een taxatierapport), ziektekosten en andere buitengewone uitgaven (waaronder telkens een ooglaserbehandeling en vaste aftrek wegens chronische ziekte) en studiekosten voor verdachte zelf en zijn partner (waaronder telkens bedragen voor een PC). In 2006 is bij de studiekosten een bedrag voor een dicteerecorder opgegeven en in 2007 bij de ziektekosten een keuring. In de aangifte IB 2008 die de Belastingdienst op 7 januari 2009 heeft ontvangen, is het brutoloon bij werkgever A opgegeven. De aftrekposten die zijn opgevoerd, bestonden uit de kosten voor eigen woning (waaronder een taxatierapport), ziektekosten en buitengewone uitgaven (waaronder een keuring, ooglaserbehandeling en vaste aftrek wegens chronische ziekte) en studiekosten (waaronder bedragen voor een dicteerecorder en een PC). De aangifte IB 2008 heeft verdachte opnieuw op 10 januari 2009 naar de Belastingdienst verzonden, maar daarin is geen aanpassing aangebracht in het inkomen van verdachte alsmede de hiervoor genoemde aftrekposten. Over 2009 heeft de Belastingdienst twee aangiften IB ontvangen, te weten op 12 juli 2010 en 26 januari 2011. In de eerste aangifte wordt het brutoloon bij werkgever A en een geldbedrag afkomstig van het UWV opgegeven. Verder staan als aftrekposten de kosten voor eigen woning, ziektekosten en studiekosten vermeld. Een deel van deze aftrekposten zijn in de tweede aangifte komen te vervallen, maar het opgegeven brutoloon bestaat nog steeds uit het brutoloon bij werkgever A alsmede de inkomsten van UWV.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het onder 1 en 3 ten laste gelegde blijkt dat verdachte inkomsten heeft verworven door het doen van de aangifte IB op naam van derden. Door deze inkomsten niet in zijn aangiften IB 2006 tot en met 2009 te vermelden als resultaat uit overige werkzaamheden, zijn die aangiften onjuist en onvolledig. Uit de omstandigheid dat uit D-642 blijkt dat het resultaat uit overige werkzaamheden voor het jaar 2005 door de Belastingdienst is gecorrigeerd van € 0,- naar € 330,-, kan worden afgeleid dat verdachte ook in dat jaar overige inkomsten heeft genoten die hij niet bij de aangifte IB heeft opgegeven.

Verder kan worden vastgesteld dat verdachte aftrekposten heeft opgevoerd die onjuist blijken te zijn. Een voorbeeld hiervan is dat verdachte in de jaren 2005 tot en met 2008 als aftrekpost heeft opgegeven dat er kosten zijn gemaakt voor een ooglaserbehandeling. Uit de factuur en de verklaring van de oogarts oogarts A blijkt echter dat verdachte deze ooglaserbehandeling alleen in 2002 heeft ondergaan. Ook partner verdachte en zoon van verdachte hebben verklaard geen ooglaserbehandeling te hebben ondergaan. Verder heeft partner verdachte verklaard dat zij de opgevoerde studiekosten over de jaren 2005 tot en met 2007 niet heeft gemaakt en dat de bedragen die zijn opgenomen bij de aftrekpost geldlening familie, te hoog zijn of haar niets zeggen. Daarbij vertoont het patroon van aftrekposten op de aangiften IB 2005 tot en met 2009 hetzelfde patroon als de aangiften IB zoals vermeld onder punt 4.1. In de aangiften op naam van verdachte komen dezelfde opvallende aftrekposten voor, waarbij het opmerkelijk is dat de kosten voor een taxatierapport, PC en een dicteerecorder (met uitzondering van 2007) jaarlijks terugkomen. Verder is het merkwaardig dat uit de aangiften IB blijkt dat verdachte zowel in 2007 als in 2008 een keuring heeft ondergaan. Bovendien heeft verdachte op geen enkele andere wijze aannemelijk gemaakt dat hij de door hem opgevoerde aftrekposten heeft gehad.

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank van oordeel is dat verdachte opzettelijk onjuiste aangiften IB over de jaren 2005 tot en met 2009 heeft gedaan. Er zijn immers te lage bedragen aan resultaat overige werkzaamheden opgevoerd en de aftrekposten zijn te hoog dan wel gefingeerd. Hierdoor is er door de Belastingdienst over het inkomen van verdachte te weinig belasting geheven. Hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de inkeer geldt ook voor het onder 2 ten laste gelegde. Hoewel verdachte bij zijn aangifte IB 2009 de aftrekposten heeft gewijzigd, is het door hem opgegeven brutoloon nog steeds te laag wegens het ontbreken van de post resultaat uit overige werkzaamheden. Het onder 2 ten laste gelegde kan dan ook ten aanzien van alle ten laste gelegde aangiften bewezen kan worden verklaard. Het verweer dat verdachte in de bezwaar- en beroepsprocedures tegen de naheffing gedeeltelijk in het gelijk is gesteld, wordt verworpen. Uit de uitspraken van de bestuursrechter blijkt immers dat dat niet het geval is.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde sprake is van medeplegen. Verdachte wordt dan ook van dat onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Strafoplegging

Verdachte wordt veroordeeld voor belastingfraude, gewoontewitwassen en het voorhanden hebben van een hennepplantage tot een gevangenisstraf van negen maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, en een geldboete van € 15.000,-.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

'Betrokkenheid bij btw-fraude: de zorgvuldige ondernemer wordt beschermd'

Btw-fraudeurs zijn dol op bonafide ondernemers. Het gebruik van nietsvermoedende ondernemers in verschillende lidstaten en de gebrekkige onderlinge informatieverstrekking tussen de heffende instanties, maken dat het blootleggen van een btw-fraudeketen een tijdrovende aangelegenheid kan zijn. En zolang er geen noodzakelijk verband bestaat tussen het recht op vooraftrek van de afnemer en betaling van de btw door de leverancier, behoudt het btw-stelsel een grote aantrekkingskracht op fraudeurs. Iedere ondernemer kan daardoor ongewild betrokken raken bij een btw-fraudeketen. Alsdan ontstaat niet zelden een geschil met de fiscus over de vraag of de betrokken ondernemer aanspraak kan maken op het recht op vooraftrek of de toepassing van het nultarief. Recente jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie biedt de nodige rechtsbescherming voor de zorgvuldige ondernemer.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Vrijspraak voor fiscale (IB) fraude wegens niet het opgeven van voordeel uit aanmerkelijk belang. Veroordeling voor onder meer bedrieglijke bankbreuk.

Rechtbank Amsterdam 13 november 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:7916

Verdachte heeft een valse factuur laten opmaken, waarvan hij in privé heeft geprofiteerd en die door zijn toedoen in de administratie van bedrijf 1 is opgenomen. Vervolgens heeft hij feitelijk leidinggegeven aan een strafbare gedraging van bedrijf 1, erop neerkomende dat deze valse factuur beschikbaar is gesteld aan de Belastingdienst ten behoeve van een boekenonderzoek en strekkende tot verlaging van de belastingdruk binnen deze vennootschap. Daarnaast heeft verdachte zich als bestuurder van bedrijf 1 schuldig gemaakt aan bedrieglijke bankbreuk. Bovendien heeft hij, hoewel hij daartoe wel wettelijk verplicht was, geen inlichtingen verstrekt op daartoe strekkende verzoeken van de curator.

Verdenking

Verdachte wordt verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het

  1. niet opgeven van inkomsten uit aanmerkelijk belang in zijn aangiften Inkomstenbelasting 2003 en 2006;
  2. opmaken van een valse factuur;
  3. feitelijk leidinggeven aan het opnemen van een valse factuur in de administratie van bedrijf 1 en het vervolgens beschikbaar stellen van die factuur aan de fiscus;
  4. als bestuurder niet voldoen aan zijn verplichting deugdelijke administratie te voeren, bewaren en beschikbaar te stellen na faillietverklaring van bedrijf 1 (primair) ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers, (subsidiair) idem, met uitzondering van het bestanddeel ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers;
  5. als bestuurder/commissaris van bedrijf 1 niet voldoen aan de inlichtingenplicht jegens de curator.

Feiten

De onderneming (bedrijf 1) is opgericht op 12 juli 2002. Per 2 oktober 2003 is bedrijf 2 enig aandeelhouder en per 17 oktober 2003 staan als bestuurders van bedrijf 1 ingeschreven, bedrijf 2 en verdachte. De enig aandeelhouder en bestuurder van bedrijf 2 sinds 14 mei 1991 is verdachte.

Bedrijf 1 is failliet verklaard per 23 juni 2009.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten 1, 2, 3, 4 primair en 5 kunnen worden bewezen verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1, eerste gedachtenstreepje, heeft de officier van justitie gesteld dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat het schip naam 1 in 2003 tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. De inkomsten uit de verkoop van dit schip, die verdachte in privé op zijn rekening ontving, had hij in zijn aangifte Inkomstenbelasting 2003 moeten vermelden als inkomsten uit aanmerkelijk belang, nu verdachte via zijn vennootschap bedrijf 2 100% aandeelhouder is van bedrijf 1.

Ten aanzien van feit 1, tweede gedachtenstreepje, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte in 2006 een bedrag van € 50.000, dat ziet op een deelbetaling van het schip naam 2, contant heeft ontvangen. Dit bedrag is niet verantwoord in de boekhouding van bedrijf 1 of de moedermaatschappij bedrijf 2, noch in rekening-courant tussen bedrijf 1 en verdachte verwerkt. Verdachte heeft bewust onjuist zijn aangifte Inkomstenbelasting 2006 ingevuld, aangezien hij voornoemde inkomsten niet heeft opgenomen als inkomsten uit aanmerkelijk belang.

Met betrekking tot de feiten 2 en 3 heeft de officier van justitie gewezen op de bij bedrijf 3 in de administratie aangetroffen bescheiden die zien op de aankoop van een keuken door verdachte en de verklaring van persoon 1, keukenadviseur bij bedrijf 3. Daaruit kan worden afgeleid dat verdachte de keukenverkoper expliciet heeft gevraagd een splitsing te maken in de order, een gedeelte op zijn eigen naam en een gedeelte op naam van het bedrijf 1. Verdachte heeft verklaard dat hijzelf afnemer van de keuken was. De factuur op naam van bedrijf 1 is dus vals opgemaakt.

Vervolgens is deze factuur in de administratie van bedrijf 1 verwerkt en bij controle door de Belastingdienst door de administratief medewerkster aan de belastingambtenaren ter beschikking gesteld. Verdachte is hiervoor strafrechtelijk verantwoordelijk, omdat hij als feitelijk leidinggever van deze gedraging kan worden aan gemerkt.

Deze gedraging heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en verdachte had opzet op deze gedraging. Immers, hij wist dat het om een valse factuur ging en dat het boekenonderzoek plaats zou vinden.

Ten aanzien van feit 4 heeft de officier van justitie betoogd dat bedrijf 1 per 23 juni 2009 failliet is verklaard, dat de curator op 22 oktober 2009 aangifte heeft gedaan van bedrieglijke bankbreuk en dat uit de brieven die door de curator aan verdachte zijn gestuurd blijkt dat, ondanks herhaalde verzoeken tot verstrekking van de administratie van bedrijf 1, verdachte niet voldoende gevolg aan die verzoeken heeft gegeven. Dit heeft ertoe geleid dat het voor de curator niet mogelijk was om de vermogenspositie van bedrijf 1 vast te kunnen stellen, noch wie de debiteuren in het faillissement waren en vast te stellen of sprake was van bevoordeling van specifieke crediteuren. Verdachte heeft verklaard dat hij wel aan alle verplichtingen heeft voldaan. Opvallend is daarom dat delen van de door de curator specifiek gevraagde administratie bij hem thuis zijn aangetroffen bij de doorzoeking van zijn woning in november 2009. Kortom, het staat vast dat verdachte, als bestuurder, niet heeft voldaan aan de op hem rustende verplichting ten opzichte van het voeren van een deugdelijke administratie.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte moedwillig een onvolledige administratie heeft verstrekt. Ook is van het boekenonderzoek in 2008/2009 bij de curator geen melding gemaakt. Daar komt bij dat de curator het vermoeden had dat sprake was van onttrekkingen aan de boedel. Gelet op de bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 3 heeft de officier van justitie betoogd dat verdachte belastingfraude pleegde en niet wilde dat de curator daar van op de hoogte raakte. De belastingfraude zag op onttrekkingen aan de vennootschap en onzakelijke transacties die er in de kern toe leidden dat de vennootschap verarmde waardoor schuldeisers worden benadeeld. Dit leidt tot de conclusie dat de primair ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk kan worden bewezen verklaard.

Ten aanzien van feit 5 heeft de officier van justitie verwezen naar hetgeen zij bij feit 4 heeft bepleit en benadrukt dat verdachte, ondanks herhaalde verzoeken van de curator daartoe, opzettelijk niet alle gevraagde stukken heeft verstrekt.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om verdachte vrij te spreken van het onder de feiten 1, 4 primair en subsidiair en 5 ten laste gelegde en daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1, eerste gedachtenstreepje, heeft de raadsman primair betoogd dat het schip naam 1 nimmer tot de handelsvoorraad van bedrijf 1 heeft behoord; verdachte heeft het casco van het schip in privé gekocht en betaald en ook privé de opdracht gegeven om het af te bouwen. Er is dus geen sprake van inkomsten uit aanmerkelijk belang en er is ook geen onjuiste informatie in de aangifte Inkomstenbelasting 2003 opgenomen. Verdachte heeft ten aanzien van feit 1, tweede gedachtenstreepje, verklaard dat hij de laatste betalingstermijn van € 50.000 nooit heeft ontvangen.

Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat verdachte nooit opzet op het onjuist of onvolledig invullen van de belastingaangiften heeft gehad. Immers, verdachte heeft zijn aangiften nooit zelf opgemaakt, maar dit door zijn boekhouder persoon 2 laten doen.

Met betrekking tot feit 4 primair en subsidiair heeft de raadsman bepleit dat vanaf de datum waarop het faillissement is uitgesproken de schuldenaar van rechtswege de beschikking en het beheer over zijn faillissementsvermogen verliest en de curator wordt belast met het beheer en de vereffening daarvan. Dat betekent dat de onder het eerste gedachtenstreepje ten laste gelegde verplichting van het voeren van een administratie niet meer bestond.

Aan de onder het tweede gedachtenstreepje genoemde verplichting tot het bewaren van de administratie heeft verdachte ook voldaan. De gehele administratie is bij verdachte thuis aangetroffen tijdens de doorzoeking.

Ten aanzien van het onder het derde gedachtenstreepje genoemde niet afgeven van stukken aan de curator heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat dit niet opzettelijk is gebeurd. Verdachte had niet begrepen dat de curator ook nog andere stukken nodig had dan die reeds door hem waren verstrekt.

Voorts heeft de raadsman ten aanzien van feit 4 primair betoogd dat geen sprake was van een oogmerk tot het bedrieglijk verkorten van de rechten van de schuldeisers.

Met betrekking tot feit 5 heeft de raadsman verwezen naar hetgeen hij bij feit 4 ten aanzien van het derde gedachtenstreepje heeft bepleit en benadrukt dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij alle benodigde stukken aan de curator had overhandigd. Hij heeft nimmer de opzet gehad om de curator te negeren.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Voor feit 3 heeft hij voorts opgemerkt dat sprake is van een voortgezette handeling die voortvloeit uit het reeds onder feit 2 ten laste gelegde feit.

Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van feit 1

De aangifte Inkomstenbelasting 2003 (eerste gedachtenstreepje)

Allereerst staat ter beoordeling of het schip naam 1 op het moment van de verkoop tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde.

Verdachte heeft dit ter terechtzitting betwist en, kort samengevat, het volgende verklaard. Nog voordat bedrijf 1 is opgericht en de werf in Roemenië heeft overgenomen, heeft verdachte met de toenmalige eigenaar van de werf, persoon 3 afgesproken dat een oud casco dat daar lag voor verdachtes rekening en risico afgebouwd zou worden. Verdachte heeft zelf alle kosten van de bouw van die boot, de naam 1 genaamd, betaald. Toen de boot gereed was, heeft hij deze op zijn kosten ingevoerd in de Europese Unie. Later heeft verdachte de boot op zijn naam verkocht.

Noch uit de door de officier van justitie in haar requisitoir aangehaalde bewijsmiddelen, noch uit de overige stukken van het dossier of het verhandelde ter terechtzitting kan de rechtbank afleiden dat het schip op het moment van de verkoop aan bedrijf 1 toebehoorde. De naam 1 komt voor op een document betreffende de productieplanning 2000-2001 van bedrijf 1, maar dat is op zich niet in strijd met het door de verdachte geschetste scenario. Het schip staat op enig moment vermeld als “onderhanden werken” op een document van bedrijf 2, viel in 2002 onder de door bedrijf 1 verzekerde jachten en bedrijf 1 wordt als “receiver” genoemd op een document. Uit de inhoud van deze documenten kan evenwel niet zonder meer de conclusie worden getrokken dat de naam 1 ten tijde van de verkoop tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde.

Daarentegen bevindt zich in het dossier een aantal documenten die het door verdachte geschetste scenario ondersteunen: een verkoopovereenkomst waarin verdachte als verkoper wordt vermeld; een vaarbewijs waarin verdachte als eigenaar van de naam 1 wordt vermeld en het eerder aangehaalde document waar bedrijf 1 weliswaar als “receiver” wordt genoemd, maar waar bij staat “for verdachte”.

Dit leidt er toe dat fiscaalrechtelijk niet vast is komen te staan dat de naam 1 ten tijde van de verkoop in 2003 tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. Met betrekking tot de verkoop van dit schip kan dus niet worden gezegd dat verdachte inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft genoten. Het gevolg daarvan is dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk dat hij geen inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft opgegeven bij zijn aangifte Inkomstenbelasting 2003, niet kan worden bewezen.

De aangifte Inkomstenbelasting 2006 (tweede gedachtenstreepje)

Verdachte wordt verweten dat hij een deelbetaling met betrekking tot de verkoop van het schip naam 2 in contanten in ontvangst heeft genomen zonder dit bedrag op de aangifte Inkomstenbelasting 2006 op te geven als inkomsten uit aanmerkelijk belang.

Niet in geschil is dat het schip waarop deze deelbetaling ziet, tot het bedrijfsvermogen van bedrijf 1 behoorde. Vervolgens dient te worden vastgesteld of verdachte een deel van de verkoopprijs, groot € 50.000, heeft ontvangen.

Dat verdachte dit bedrag zou krijgen, staat vermeld in een document genaamd “statement payments, persoon 4/ 051Y”. De rechtbank is van oordeel dat dit overzicht slechts kan worden geduid als een aanwijzing dat het de bedoeling was dat verdachte voornoemd bedrag in Wenen in contanten in ontvangst zou nemen. Uit het dossier, noch het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat deze betaling ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft ontkend dat hij het bedrag ooit heeft ontvangen.

Het gevolg daarvan is dat het verwijt dat verdachte wordt gemaakt, namelijk dat hij geen inkomsten uit aanmerkelijk belang heeft opgegeven bij zijn aangifte Inkomstenbelasting 2006, niet kan worden bewezen.

Conclusie

De rechtbank acht niet bewezen wat onder feit 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de feiten 2 en 3

In de administratie van bedrijf 1 is een factuur van bedrijf 3 gericht aan bedrijf 1 aangetroffen. Deze factuur heeft betrekking op de aankoop van keukenapparatuur ten behoeve van (de woning van) verdachte, in wiens woning de keukenapparatuur ook is geleverd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat bedrijf 1 al klant was bij bedrijf 3 toen hij voor privédoeleinden keukenmeubelen en –apparatuur bestelde. Hij heeft twee verschillende verklaringen gegeven voor het feit dat de factuur voor door hem in privé aangekochte apparatuur aan bedrijf 1 is gericht. De eerste verklaring is dat het ‘is fout gegaan’ bij de tenaamstelling; de factuur had aan hem gericht moeten worden en niet aan de vennootschap. De tweede verklaring is dat hij ‘in hoogmoed’ bij bedrijf 3 heeft gezegd dat het hem niet uitmaakte of zij de factuur aan hem richtte of aan bedrijf 1; hij zou toch degene zijn die de factuur feitelijk zou betalen. Indien de factuur op naam van bedrijf 1 was gesteld – zoals het geval is – dan had deze in de rekening-courant tussen bedrijf 1 en verdachte moeten worden opgenomen en dat is niet gebeurd, aldus verdachte.

De verklaringen van verdachte worden weersproken door de inhoud van het dossier en de verklaring die persoon 1 heeft afgelegd. persoon 1 heeft namelijk verklaard dat hij bij de aankoop van een keuken door verdachte en zijn echtgenote een eerste order op naam van verdachte heeft gemaakt en dat verdachte hem daarna heeft verzocht om de order te splitsen en alle keukenapparatuur op naam van bedrijf 1 te zetten. Dat heeft persoon 1 vervolgens gedaan.

In de orderbevestiging op naam van bedrijf 1 staat alle keukenapparatuur vermeld die ook in de oorspronkelijke order op naam van verdachte is opgenomen. Dit gegeven strookt niet met de verklaring van verdachte dat het slechts ‘niet goed is gegaan’ met de tenaamstelling van de factuur en ondersteunt de verklaring van persoon 1.

Kortom, de keukenapparatuur wordt in opdracht van verdachte onterecht gefactureerd aan bedrijf 1 in plaats van aan verdachte. Verdachte heeft derhalve opzettelijk een valse factuur doen opstellen door persoon 1.

Medeplegen

Medeplegen vereist bewuste en nauwe samenwerking. Dit houdt in dat medeplegers willens en wetens, dus met opzet, samenwerken tot het verrichten van de delictuele gedraging. Dat bij persoon 1 dit (voorwaardelijk) opzet aanwezig was, valt uit de bewijsmiddelen niet af te leiden, zodat hij niet als medepleger kan worden aangemerkt. Dat overigens sprake was van het tenlastegelegde medeplegen is evenmin gebleken. Verdachte zal derhalve voor dit bestanddeel worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht het onder feit 2 ten laste gelegde bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘medeplegen’.

Voorts ten aanzien van feit 3

Feitelijk leidinggeven

De eerste vraag die in dit verband beantwoord dient te worden is of de verweten gedraging van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon kan worden toegerekend. Volgens vaste jurisprudentie vindt vaststelling van daderschap van rechtspersonen plaats aan de hand van het criterium van de redelijke toerekening. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden of is verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

Per brief van 4 februari 2008 aan bedrijf 1 heeft de Belastingdienst een boekencontrole aangekondigd en meegedeeld dat de volledige administratie van bedrijf 1 over de jaren 2003 tot en met 2007 op 4 maart 2008 op het kantoor van de onderneming aanwezig diende te zijn.

Zoals overwogen met betrekking tot feit 2 is in de administratie van bedrijf 1 een factuur van bedrijf 3 gericht aan bedrijf 1 aangetroffen, waarvan de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat deze vals is. Persoon 5, office manager bij bedrijf 1, heeft deze factuur in het kader van voornoemde boekencontrole aan ambtenaren van de Belastingdienst ter beschikking gesteld. Dit ter beschikking leggen van administratie van de rechtspersoon ten behoeve van een verzoek aan de rechtspersoon past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon en is de rechtspersoon dienstig geweest in het door deze uitgeoefende bedrijf. Bovendien kon de rechtspersoon erover beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard. Het ter beschikking stellen van de valse factuur aan de ambtenaren van de Belastingdienst kan op grond van het voorgaande aan bedrijf 1 worden toegerekend.

De volgende vraag is of verdachte aan die gedraging feitelijk leiding heeft gegeven. Ook die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Verdachte was bestuurder en (indirect) aandeelhouder van bedrijf 1 (zoals reeds in rubriek 4.1 is vermeld). Bovendien besliste hij ook feitelijk op welke wijze stukken werden geadministreerd en droeg hij binnen de rechtspersoon de volle verantwoordelijkheid voor de administratie.

Uit het overwogene ten aanzien van feit 2 volgt dat verdachte wist dat de valse factuur onderdeel uitmaakte van de administratie van bedrijf 1, nu hij zelf deze factuur ten name van bedrijf 1 had laten opmaken en deze factuur dus door zijn toedoen terecht was gekomen in die administratie. Ook wist hij van het boekenonderzoek af, aangezien de controleambtenaar van de Belastingdienst hierover meerdere malen contact heeft gehad met een medewerker op het kantoor van bedrijf 1. Derhalve wist verdachte dat de administratie door bedrijf 1 ter beschikking zou dienen te worden gesteld aan de Belastingdienst en tevens dat de valse factuur onderdeel van die administratie vormde. Het aldus ter beschikking stellen van de valse factuur aan de Belastingdienst strekte ertoe dat er te weinig belasting werd geheven bij bedrijf 1; de omzetbelasting over de keukenapparatuur is immers ten onrechte in vooraftrek gebracht en de winst van de vennootschap is dus te laag aangegeven.

Verdachte heeft niettemin in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggever aan bedrijf 1 maatregelen ter voorkoming van het doen verstrekken van de valse factuur aan de Belastingdienst achterwege gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was. Hij heeft aldus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de verboden gedraging zich voordeed.

Gelet op de bovenomschreven interne organisatie en taak en verantwoordelijkheden van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat ditzelfde voorwaardelijk opzet van verdachte aan bedrijf 1 dient te worden toegerekend.

Medeplegen

Het ten laste gelegde medeplegen is door de officier van justitie niet nader gemotiveerd en ook overigens niet uit de bewijsmiddelen te destilleren. Verdachte dient dan ook voor dat bestanddeel te worden vrijgesproken.

Conclusie

De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde bewezen, met uitzondering van het bestanddeel ‘medeplegen’.

Ten aanzien van de feiten 4 en 5

De curator persoon 6 heeft op 29 juni 2009 een gesprek gehad met verdachte. Daarbij heeft verdachte mondeling toegezegd diverse stukken uit de administratie van bedrijf 1 aan te leveren, waaronder de bankafschriften en verkoopfacturen vanaf 1 januari 2008.

Vervolgens heeft de curator vier brieven, gedateerd 10 augustus 2009, 26 augustus 2009, 17 september 2009 en 28 september 2009, aan verdachte gestuurd inhoudende het (herhaalde) verzoek om een telefoonnummer op te geven waarop hij bereikbaar is, om contact met de curator op te nemen en om bepaalde stukken te overhandigen. In zijn eerste brief heeft de curator meegedeeld dat hij bij gebrek aan contact zijn werkzaamheden niet op correcte wijze kan uitvoeren. In zijn derde brief heeft de curator daar wederom op gewezen.

Op 19 oktober 2009 is verdachte op het kantoor van de curator geweest. De curator was tijdens dat bezoek niet aanwezig, dus heeft verdachte een aantal stukken uit de administratie aan een kantoormedewerkster overhandigd. De ingeleverde stukken bevatten niet de bankbescheiden, debiteurenlijst, jaarstukken 2008 en andere primaire bescheiden als in- en verkoopfacturen, waar de curator om gevraagd had. De ingeleverde administratie was voor de curator onvoldoende om de vermogenspositie van bedrijf 1 vast te kunnen stellen. Daarom heeft hij op 22 oktober 2009 aangifte gedaan van bedrieglijke bankbreuk door verdachte.

Op 27 november 2009 heeft een doorzoeking op het woonadres van verdachte, adres, te plaats, plaatsgevonden. Daarbij is een grote hoeveelheid administratie van bedrijf 1 in beslag genomen, te weten bankbescheiden Rabobankrekening 2008, verkoopfacturen 2008 en kopie inkoopfacturen 2008, zijnde bescheiden die de curator blijkens zijn verklaring reeds voor de doorzoeking bij verdachte had opgevraagd.

Op 27 november 2009 heeft verdachte verklaard: “Alles wat hij (de rechtbank begrijpt: de curator) wilde, heeft hij gehad van mij. Wat hij graag wil hebben, zijn debiteurenoverzichten, maar die zijn er niet.” Op de vraag later in het verhoor of verdachte bekend was met de debiteuren ten tijde van het faillissement en of hij geld had geïncasseerd van debiteuren, antwoordde verdachte: “Neen, ik weet niet wie de debiteuren in het faillissement zijn en ik heb nog geen gelden van debiteuren geïncasseerd”.

Ter terechtzitting heeft verdachte wederom verklaard dat er geen lijst met openstaande debiteuren bestond. Verdachte gaf hiervoor als verklaring dat de bouw van een boot in fasen verliep en dat er telkens per termijn betaald moet zijn voordat er met een volgende fase van de afbouw van een schip werd voortgegaan, zodat pas als de opdrachtgever een termijn had betaald, de volgende fase van start ging.

Ter terechtzitting heeft verdachte tevens verklaard dat hij in oktober 2009 de volledige boekhouding op het kantoor van de curator heeft afgeleverd, dat hij heeft gevraagd of dat afdoende was en dat hij nooit heeft begrepen dat de curator nog andere documenten wenste te ontvangen. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij wel op de brieven van de curator heeft gereageerd en dat de curator stukken waar hij om vroeg niet nodig had.

Voorts ten aanzien van feit 4

Het niet voeren van de administratie (eerste gedachtenstreepje)

Onder het eerste gedachtenstreepje wordt verdachte verweten dat hij de administratie van bedrijf 1 niet zodanig heeft gevoerd dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van bedrijf 1 konden worden gekend. De ten laste gelegde periode betreft een periode die aanvangt per de datum van de faillietverklaring, te weten op 23 juni 2009. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de verplichting tot het voeren van een volledige en deugdelijke administratie na faillietverklaring niet meer tot de taak van de bestuurder – in casu: verdachte – behoort. De in artikel 2:10 BW genoemde plicht om een administratie te voeren, houdt immers op vanaf het faillissement van de rechtspersoon. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.

Het niet bewaren van de administratie (tweede gedachtenstreepje)

Met betrekking tot het onder het tweede gedachtenstreepje van het ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat blijkens de bewijsmiddelen uiteindelijk pas bij de huiszoeking in de privéwoning van verdachte de nog ontbrekende door de curator opgevraagde stukken werden aangetroffen, zij het met uitzondering van de door de curator opgevraagde debiteurenlijst.

De rechtbank acht de verklaringen van verdachte omtrent het ontbreken van een debiteurenlijst, zoals hierboven weergegeven, onvoldoende consistent en niet aannemelijk. Ook indien wordt uitgegaan van de door verdachte beschreven (doch niet met stukken onderbouwde) fasegewijze oplevering, facturering en betaling, ligt het immers voor de hand dat openstaande en betaalde rekeningen worden geadministreerd. Dit sluit dus – de noodzaak van – het bestaan van een debiteurenadministratie bij bedrijf 1 bepaald niet uit. Voor zover verdachte heeft verklaard dat er na faillissement geen debiteurenlijst was omdat de onderneming geen debiteuren met openstaande rekeningen had, acht de rechtbank deze verklaring ongeloofwaardig. De administratie van bedrijf 1 zou minst genomen een debiteurenlijst moeten bevatten, ook al zouden er geen openstaande rekeningen op staan.

De rechtbank acht dan ook aannemelijk dat bij bedrijf 1 een debiteurenadministratie gevoerd had dienen te worden, en dat deze

  • of níet is gevoerd voorafgaand aan het faillissement zodat verdachte zich impliciet in de onmogelijkheid heeft gesteld deze te bewaren vanaf het faillissement,
  • of wèl is gevoerd maar vervolgens niet is bewaard.

In beide gevallen heeft verdachte niet voldaan aan zijn verplichting als bestuurder tot het bewaren van de gehele administratie.

Het niet uitleveren van de administratie (derde gedachtenstreepje)

Uit de hierboven opgenomen feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte niet heeft voldaan aan herhaalde verzoeken van de curator in het faillissement om onderdelen van de administratie van bedrijf 1 aan hem heeft uit te leveren, zoals onder het derde gedachtenstreepje ten laste is gelegd. Uit de inhoud van de bewijsmiddelen blijkt dat de curator aan verdachte tijdens de bespreking op 29 juni 2009 en wederom per brief van 28 september 2009 heeft verzocht om specifieke documenten uit de administratie. Op 19 oktober 2009 is weliswaar alsnog een deel uitgeleverd, maar niet alle gevraagde bescheiden. De ingeleverde stukken bevatten niet de bankbescheiden, debiteurenlijst, jaarstukken 2008 en andere primaire bescheiden zoals in- en verkoopfacturen, waar de curator om gevraagd had. De rechtbank constateert dat bij de doorzoeking van de woning van verdachte op 27 november 2009 documenten in beslag zijn genomen waar de curator om had verzocht, zoals verkoopfacturen en rekeningafschriften die betrekking hadden op het jaar 2008. Verdachte heeft dus, ondanks diverse verzoeken van de curator daartoe, deze stukken niet aan de curator uitgeleverd, terwijl deze wel beschikbaar waren. Bovendien is, zoals hiervoor is overwogen, de opgevraagde debiteurenlijst niet verstrekt aan de curator. Het verweer dat verdachte alles aan de curator heeft gegeven wat de curator wilde hebben, wordt dan ook verworpen.

Het verweer dat de curator om stukken vroeg die hij niet nodig had, kan evenmin slagen. De rechtbank acht aannemelijk dat de door de curator gevraagde en niet ontvangen stukken essentieel waren voor het vaststellen van de vermogenspositie van bedrijf 1 door de curator met het oog op een prudente afwikkeling van het faillissement, hetgeen verdachte moet hebben geweten dan wel had behoren te begrijpen.

Dat verdachte wel gereageerd zou hebben op de brieven van de curator blijkt – behalve uit de verklaring van verdachte – nergens uit en is bovendien in strijd met zijn eigen eerdere verklaring dat hij twee brieven van de curator niet heeft geopend. Het verweer dat het niet beschikbaar stellen van deze stukken niet opzettelijk is gebeurd, mist derhalve feitelijke grondslag en wordt reeds daarom verworpen.

Bedrieglijke bankbreuk

De volgende vraag die in het kader van het ten laste gelegde moet worden beantwoord, is of verdachte heeft gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de rechten van de schuldeisers van de rechtspersoon. De raadsman heeft ten verwere aangevoerd dat hiertoe geen oogmerk bestond bij verdachte. De rechtbank verwerpt dit verweer. Het volgende is hiervoor redengevend.

De in de tenlastelegging en bewezenverklaring voorkomende, aan artikel 341 Sr ontleende bewoordingen "ter bedrieglijke verkorting van de rechten van zijn schuldeisers" brengen tot uitdrukking dat de verdachte het opzet moet hebben gehad op de verkorting van de rechten van de schuldeisers, dat voorwaardelijk opzet in dat verband voldoende is en dat derhalve voor het bewijs van het opzet ten minste is vereist dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op verkorting van de rechten van de schuldeisers heeft doen ontstaan.

Dat het niet op vordering van de curator uitleveren van de bestaande administratie de aanmerkelijke kans op benadeling van de schuldeisers heeft doen ontstaan, moge duidelijk zijn en moet worden beschouwd als een feit van algemene bekendheid. Zonder de uit de administratie voortvloeiende informatie had de curator geen zicht op de baten en lasten van bedrijf 1, kon hij niet vaststellen wat de vermogenspositie was van deze vennootschap, wie de debiteuren waren in het faillissement, of er onttrekkingen aan de boedel waren geweest, of er bevoordeling van specifieke crediteuren had plaatsgevonden en of er ten behoeve van de boedel nog gelden te verkrijgen waren.

De rechtbank leidt bovendien uit de bewijsmiddelen af dat verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 tijdens de hem verweten gedraging de voornoemde aanmerkelijke kans dat de schuldeisers door de gedraging zouden worden benadeeld in hun verhaalsmogelijkheden bewust heeft aanvaard. Hiertoe wordt het volgende overwogen.

Verdachte had weet van het faillissement en het tekort daarin. Verdachte heeft niettemin, zoals hiervoor is overwogen, niet zijn gehele administratie bewaard en ondanks herhaalde verzoeken van de curator niet voldaan aan zijn gehoudenheid stukken uit de administratie tevoorschijn te brengen en uit te leveren. De curator heeft verdachte er in zijn eerste brief al op gewezen dat hij zonder contact zijn werkzaamheden niet correct kon uitvoeren en heeft verdachte er in zijn derde brief bovendien mee geconfronteerd dat hij concrete informatie miste en dat dit tot schade kon leiden. Verdachte heeft dus moeten weten wat het belang hiervan was. Uit de bewijsmiddelen volgt echter dat verdachte hardnekkig is geweest in het niet geven van inlichtingen aan de curator, waarvoor hij bovendien redenen geeft die niet steekhoudend zijn. Dit klemt temeer nu aan de curator uiteindelijk op 19 oktober 2009 weliswaar informatie werd verstrekt, welke evenwel nog altijd onvolledig was, terwijl vervolgens tijdens de huiszoeking op het privéadres die informatie grotendeels wel werd gevonden. Dit duidt op het moedwillig en langdurig achterhouden van relevante informatie. Daar komt bij dat verdachte na faillissementsdatum de post, in het bijzonder brieven van de curator, niet openmaakte.

De curator heeft verklaard dat verdachte telefonisch niet te bereiken was, dat het telefoonnummer op enig moment buiten bedrijf blijkt te zijn, dat verdachte de naam van zijn boekhouder niet kon geven en dat verdachte een verkeerd telefoonnummer van zijn boekhouder heeft doorgegeven. Ook heeft verdachte geen melding gemaakt van het boekenonderzoek dat de Belastingdienst uitvoerde. De curator had het vermoeden dat er sprake was van onttrekkingen aan de boedel, maar kon dit niet aantonen bij gebrek aan administratie.

Daarnaast heeft persoon 5 verklaard dat het reeds in de periode voor het faillissement voorkwam dat er geen geld was om betalingen te verrichten. In dat geval overlegde zij met verdachte hoe ze de diverse crediteuren een beetje konden betalen om één en ander te rekken.

Op basis van dit samenstel van omstandigheden en gedragingen en bij gebreke van contra-indicaties neemt de rechtbank aan dat hier geen sprake was van een incidentele slordigheid dan wel onkundigheid, maar dat verdachte in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 met zijn gedraging tenminste de aanmerkelijke kans op benadeling van schuldeisers bewust heeft aanvaard.

Daarmee is de ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk bewezen.

Conclusie

Verdachte heeft in zijn hoedanigheid van bestuurder van bedrijf 1 niet voldaan aan zijn verplichting de gehele administratie van bedrijf 1 te bewaren en aan de curator uit te leveren na daartoe strekkende verzoeken. Hierdoor was sprake van aanmerkelijke kans op nadeel voor de schuldeisers van de rechtspersoon. Verdachte heeft die kans bewust aanvaard. De onder feit 4 primair ten laste gelegde bedrieglijke bankbreuk dient daarom bewezen verklaard te worden.

Verdachte heeft als bestuurder zonder geldige reden geweigerd de vereiste inlichtingen te geven aan de curator, hetgeen leidt tot een bewezenverklaring van feit 5.

Medeplegen

Voor zover ten aanzien van de feiten 4 en 5 het medeplegen daarvan ten laste is gelegd, overweegt de rechtbank dat de officier van justitie dit niet nader heeft gemotiveerd. Ook overigens valt uit de bewijsmiddelen niette destilleren dat deze feiten in vereniging zijn gepleegd. Dit brengt mee dat verdachte voor dit bestanddeel van de feiten 4 en 5 zal worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Voortgezette handeling van

    • Feit 2: valsheid in geschrift;

en

    • Feit 3: opzettelijk een feit begaan, omschreven in artikel 68, tweede lid, onderdeel c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

Eendaadse samenloop van

    • Feit 4 primair: als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard terwijl hij ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon niet voldaan heeft of niet voldoet aan de op hem rustende verplichtingen ten opzichte van het bewaren en te voorschijn brengen van boeken, bescheiden en andere gegevensdragers als in artikel 10 lid 1 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek bedoeld;

en

    • Feit 5: als bestuurder van een rechtspersoon, welke in staat van faillissement is verklaard, wettelijk opgeroepen tot het geven van inlichtingen, zonder geldige reden weigeren de vereiste inlichtingen te geven.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uur.

In strafverzwarende zin weegt de rechtbank ook mee de ontwijkende proceshouding van verdachte, in het bijzonder ten aanzien van de strafbare feiten die zien op het niet verstrekken van inlichtingen en schriftelijke stukken aan de curator ten behoeve van de afwikkeling van het faillissement.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank in strafmatigende zin meegewogen dat verdachte zelf een grote verliezer is in die zin dat de overname van bedrijf 1 voor hem op een financieel debacle is uitgelopen. Er zijn geen aanwijzingen dat verdachte zichzelf ten koste van de boedel door middel van onttrekkingen heeft verrijkt. Daarnaast is, hoewel door het handelen van verdachte de kans op verkorting van de rechten van schuldeisers is ontstaan en bewust door verdachte is aanvaard, de rechtbank niet gebleken van omvangrijk daadwerkelijk financieel nadeel. Voorts zijn de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, in het bijzonder de inval waarmee verdachte, ruim een jaar na de doorzoeking van zijn huis, met vertoon van macht uit zijn woning is opgehaald en waarvan de rechtbank de dwingende noodzaak niet is gebleken.

Daarnaast wordt meegewogen de vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde, van het medeplegen zoals ten laste gelegd onder de feiten 2 tot en met 5, alsmede de samenloopbepalingen die van toepassing zijn op feit 2 en 3, respectievelijk 4 en 5.

Bovendien houdt de rechtbank rekening met het feit dat de redelijke termijn is overschreden.

 

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Basiscursus Fiscaal Strafrecht | Dinsdag 25 november

Tijdens deze basiscursus maakt u kennis met het fiscale strafrecht. De strafrechtelijke bepalingen uit de Awr zullen worden besproken alsmede de algemene straf- en fiscaalrechtelijke leerstukken die daarmee verband houden. Naast de materiële en formele regels van het fiscale strafrecht wordt stilgestaan bij de verschillen en overeenkomsten tussen het fiscaal strafprocesrecht en (commune) strafprocesrecht.

Concreet zullen leerstukken als het uni via-beginsel, samenloop, daderschap en deelneming en ook opzet en schuld de revue passeren en onderwerpen als het strekkingsvereiste, pleitbaar standpunt en sfeerovergang, toege- sneden op specifieke fiscale situaties. Voorts wordt aandacht geschonken aan de verschillende aspecten van de opsporing en handhaving van fiscale delicten.

 

Programma

Formele aspecten I & wijzen van handhaving

  • Richtlijnen AAFD
  • Una Via
  • Fiscale afdoening
  • Strafbeschikking
  • Transactie
  • Strafvervolging

Materiële aspecten I

  • Soorten fiscale delicten (68/69 AWP)
  • Kwaliteitsdelicten/deelneming in fiscaal strafrecht
  • Pleitbaar standpunt
  • Verhouding art. 69 AWR en 225 Sr en 326 Sr

Materiële aspecten II

  • Opzet
  • Strekkingsvereiste
  • Inkeer art. 69 lid 3 AWR
  • Belang fiscale nadeelberekening
  • Samenloop
  • Ne bis in idem
  • Generalis-specialis

Formele aspecten II

  • Normadressaten 47 en 52 AWR
  • Informatieverplichtingen
  • Sfeerovergang
  • Opsporing en (afwijkende) dwangmiddelen
  • De FIOD

 

Niveau: Basis, wel enige voorkennis van het strafrecht vereist.

 

Doelgroep

  • Advocaten
  • Fiscalisten
  • Adviseurs
  • Bedrijfsjuristen
  • Leden van de zittende magistratuur
  • Openbaar Ministerie
  • Accountants

 

Docenten

 

Praktische Informatie

Datum & tijd: Dinsdag 25 november 2014 | Gehele dag

Locatie: Spui 173 Plein te Den Haag. Op loopafstand van station Den Haag Centraal en Den Haag Hollands Spoor (ca. 10 minuten).

Routebeschrijving Klik hier voor de routebeschrijving.

Kosten: € 349,- excl. BTW Deze prijs is inclusief:

  • Syllabus
  • Lunch
  • Consumpties

Nemen er meerdere personen van uw kantoor of organisatie deel aan de cursus, dan ontvangt u beiden €35,- korting.

 

Klik hier voor meer informatie of om in te schrijven.

 

Print Friendly and PDF ^

'Fraudebestrijding in de fiscaliteit, slaat de wetgever door?'

Met ingang van 1 januari 2014 is een nieuwe fiscale strafbepaling in werking getreden. Art. 69a AWR stelt het opzettelijk niet (geheel) of niet tijdig betalen van een aangiftebelasting (zoals omzetbelasting en loonbelasting) strafbaar. In tijden waar het kabinetfraudebestrijding hoog in het vaandel heeft staan, is deze nieuwe strafbepaling inhet leven geroepen ter versterking van de fraudebestrijding in de fiscaliteit. Het zou dan met name gaan om het bestrijden van BTW-carrouselfraudes. In deze bijdrage zal aan de orde komen dat kan worden betwijfeld of het artikel een adequaat middel is om deze fraude te bestrijden en dat de werkingssfeer van de bepaling ruimer is dan wellicht door de wetgever is beoogd en overigens ook ruimer dan wellicht wenselijk is.

Lees verder:

 

Print Friendly and PDF ^

Belastingfraude begaan door een rechtspersoon & valsheid in geschrifte

Gerechtshof Amsterdam 10 september 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:3996

Omvang van het hoger beroep en grondslag van de tenlastelegging

De raadsman heeft voor alles aangevoerd dat de rechtbank in eerste aanleg ten onrechte wijzigingen van de tenlastelegging heeft toegestaan, hetgeen, zo begrijpt het hof, in hoger beroep geredresseerd zou moeten worden.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het hoger beroep zich blijkens de appelakte richt tegen het eindvonnis en niet tegen de tussenbeslissingen van de rechtbank ter zake van de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging van de officier van justitie in eerste aanleg, zodat deze, zo begrijpt het hof, thans onherroepelijk zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

In de appèlakte is slechts opgenomen dat de verdediging hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2012. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad echter dient voor het oordeel of het hoger beroep mede is ingesteld tegen tussenbeslissingen niet slechts acht te worden geslagen op de inhoud van de akte van hoger beroep, maar is tevens van belang of door of namens de verdachte in hoger beroep over die beslissingen is geklaagd.

Het hoger beroep richt zich, blijkens de appelschriftuur die namens de verdachte is ingediend en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, mede tegen de beslissingen van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging. Gelet hierop liggen in hoger beroep deze beslissingen mede ter toetsing voor. Nu de zogenoemde voorvragen van artikel 348 Sv moeten worden onderzocht en beslist op de grondslag van de tenlastelegging, dient als eerste vastgesteld te worden of de door het Openbaar Ministerie gevorderde wijzigingen van de tenlastelegging al dan niet ten onrechte zijn toegewezen.

De wijzigingen van de tenlastelegging in eerste aanleg

Ter terechtzitting in eerste aanleg van 13 augustus 2012 heeft de rechtbank de door de officier van justitie ingediende vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. De tenlastelegging is daardoor gewijzigd door kort gezegd toevoeging van:

1.) de zinsnede dat rechtspersoon 1 als rechtsopvolger van de rechtspersoon 2 en/of als zichzelf zou hebben opgetreden (1 primair en 2 primair en subsidiair, alsmede opgenomen in het toegevoegde feit onder 1 subsidiair);

2.1) 1 subsidiair, waarbij ten laste wordt gelegd het door een of meer rechtspersonen in vereniging en/of alleen valselijk gebruiken en/of doen afleveren en/of voorhanden hebben van een of meer valse en/of vervalste geschriften;

3.) het door rechtspersoon 1 in vereniging met een of meer anderen valselijk (doen) opmaken of vervalsen van facturen uit 2006 respectievelijk 2005, met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken (1 subsidiair en 2 primair en subsidiair);

4.) de zinsnede dat rechtspersoon 1 niet een juiste administratie heeft laten en/of doen voeren (2 subsidiair).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep primair op het standpunt gesteld, dat de vorderingen tot wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg afgewezen hadden moeten worden, omdat deze zouden leiden tot partiële niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het hof zal dit deel van het verweer hierna onder “Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie” bespreken, nu het door de raadsman genoemde bezwaar op zichzelf niet tot afwijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging behoeft te leiden. Hetzelfde geldt voor de stelling van de raadsman dat er na wijziging van de tenlastelegging sprake is van eendaadse samenloop tussen het opstellen van valse facturen en het niet op een juiste wijze voeren van een administratie.

De raadsman heeft voorts gesteld dat in eerste aanleg onjuiste beslissingen zijn genomen door de wijzigingen van de tenlastelegging toe te wijzen, en wel, zo begrijpt het hof, om de volgende redenen:

  1. door in de tenlastelegging rechtspersoon 1 als zelfstandig pleger van het niet voldoen aan de fiscale verplichtingen van de rechtspersoon 2 op te voeren, worden twee verschillende feiten gecreëerd ten aanzien van twee verschillende rechtssubjecten. De rechtspersoon 2 en rechtspersoon 1 zijn immers twee afzonderlijke entiteiten;
  2. het ter raadpleging beschikbaar stellen van valse of vervalste bescheiden aan de Belastingdienst (feit 1 subsidiair) is niet hetzelfde feit als het gebruikmaken, afleveren en voorhanden hebben van deze stukken (feit 1 primair). Er is sprake van een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en in de gedragingen van de verdachte. Ook is er geen sprake van gelijktijdigheid nu naast het moment van het ter raadpleging beschikbaar stellen ook het verwerken van de facturen in de administratie en het voorhanden hebben van die facturen in die administratie ten laste wordt gelegd;
  3. het ‘zelfstandig vervalsen’ (feit 1 meer subsidiair en feit 2 subsidiair) betreft een ander feit dan ‘het als feitelijk leidinggever betrokken zijn bij het vervalsen door een rechtspersoon’ (1 subsidiair en 2 primair).

Standpunt van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat

1.) rechtspersoon 1 als rechtsopvolger van de rechtspersoon 2 dient te worden aangemerkt. Bepalend is de maatschappelijke realiteit, te weten de onveranderde activiteiten van de rechtspersoon 2, na wijziging van de rechtsvorm en het aanblijven van de verdachte als feitelijk leidinggever;

2. en 3.) er geen sprake is van een ander feit ten opzichte van de eerdere tenlastelegging na doorvoering van de gevorderde wijzigingen. Het gaat (nog) steeds om hetzelfde feitelijk handelen.

Oordeel van het hof

Artikel 313, tweede lid, Sv, staat geen wijzigingen van de tenlastelegging toe wanneer als gevolg daarvan niet langer sprake is van tenlastelegging van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Als door de Hoge Raad verduidelijkt (HR 1 februari 2011, LJN BM9102, HR 6 maart 2012, NJ 2012/448), dient ter beantwoording van de vraag of er na wijziging al dan niet nog sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin als hiervoor bedoeld, de mate van verwantschap tussen de verschillende delictsomschrijvingen te worden onderzocht en het verband tussen de verweten gedragingen, waarbij relevant is de juridische aard van de feiten en de gedraging van de verdachte. Van belang is vooral of de wijziging al dan niet leidt tot hetzelfde feitencomplex dat de officier van justitie voor ogen stond bij het opstellen van de tenlastelegging.

Het hof constateert dat de gevorderde wijzigingen enerzijds betrekking hebben op de rol en/of de hoedanigheid van de daarin genoemde (rechts)personen in het vervolgde feitencomplex. Wat daarvan verder ook zij – en het hof komt in dit arrest nog terug op de rol van eigenaar rechtspersoon 1, rechtspersoon 1 en de rechtspersoon 2 in deze en hoe deze (rechts)personen en hun rollen ieder voor zich en ten opzichte van elkaar moeten worden geduid – bezien in het hiervoor weergegeven toetsingskader is er naar het oordeel van het hof geen sprake van dat de desbetreffende wijzigingen tenlastelegging van een ander feit in de zin van artikel 68 Sr tot gevolg hebben.

Wat de overige wijzigingen betreft, deze leiden weliswaar tot het mede ten laste leggen van andere strafbare feiten in die zin dat het te vervolgen feitencomplex mede onder één of meer andere delictsomschrijvingen wordt gebracht, maar dit leidt niet tot tenlastelegging van een ander feit in de zin van artikel 68 Sr. Zoals overigens ook door de raadsman zelf – terecht – is betoogd in een ander verband, is hier steeds sprake van tenlastelegging ter zake van eenzelfde feitencomplex en dezelfde gedragingen als aanvankelijk door de steller van de tenlastelegging bedoeld. Er is voorts geen sprake van in dit kader relevante verschillen in de door de verschillende delictsomschrijvingen te beschermen rechtsgoederen en de strafbedreigingen die aan die delictsomschrijvingen zijn gekoppeld, zodat het bepaalde in artikel 313, tweede lid, Sv aan toewijzing van de gevorderde wijzigingen niet in de weg staat.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen in eerste aanleg terecht zijn toegewezen en dat de tenlastelegging zoals die door de rechtbank is vastgesteld ook in hoger beroep de grondslag van deze zaak vormt.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

  • Eerste ontvankelijkheidsverweer (het onder 1 subsidiair ten laste gelegde)

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het (na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg) onder 1. subsidiair ten laste gelegde. Hetgeen daar, kort gezegd, als handelen in strijd met het bepaalde in artikel 225, tweede lid, Sr ten laste is gelegd, valt ook onder de fiscale strafbepalingen die zijn opgenomen in artikel 69, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). In een dergelijk geval staat artikel 69, vierde lid, AWR vervolging (ook) ter zake van artikel 225, tweede lid, Sr niet toe, aldus de raadsman.

Het hof stelt op grond van de tenlastelegging en de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting vast dat de verdachte – teruggebracht tot de essentie en voor zover van belang voor de bespreking van dit verweer – wordt verweten in enigerlei vorm betrokken te zijn geweest bij het al dan niet opzettelijk aan de Belastingdienst ter beschikking stellen van valse facturen.

Dit is strafbaar gesteld bij artikel 68, eerste lid, aanhef en onder c., juncto artikel 69, tweede lid, van de AWR en kan derhalve op grond van deze bepalingen strafrechtelijk worden vervolgd. Artikel 69, vierde lid, van de AWR bepaalt dat in dat geval strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid, Sr, is uitgesloten. De strekking van deze bepaling is – kort samengevat – dat de wetgever niet heeft gewild dat fiscaal strafrechtelijke waarborgen kunnen worden omzeild door fiscaal strafbare feiten ten laste te leggen als commune delicten. Daarvan is in dit geval echter geen sprake. Integendeel, primair is juist het fiscaal strafbare feit ten laste gelegd. Alleen voor het geval dat zou blijken dat er geen sprake is geweest van een fiscaal strafbaar feit is subsidiair het commune strafbare feit ten laste gelegd. Het hof zag en ziet niet in – anders dan de raadsman in het door hem aangehaalde arrest van dit hof van 7 juli 2011 meent te lezen, welke lezing op een verkeerde interpretatie van dat arrest berust – dat dit in strijd zou zijn met de wet of anderszins niet door de beugel zou kunnen.

Het verweer wordt daarom verworpen.

  • Tweede ontvankelijkheidsverweer (het onder 2 primair ten laste gelegde)

De raadsman heeft bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in de vervolging van de verdachte ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde. Het feitencomplex dat daar als handelen in strijd met het bepaalde in artikel 225, eerste lid, Sr, is ten laste gelegd, is ook strafbaar gesteld bij de hier aan de orde zijnde fiscaal strafrechtelijke bepalingen, zodat ook hier het ten laste leggen van – tevens – de commune strafbepalingen strijdig is met aard en strekking van het verbod van artikel 69, vierde lid, AWR, aldus, zo begrijpt het hof, de raadsman.

Naar het oordeel van het hof biedt de tekst van artikel 69, vierde lid, AWR, geen ruimte voor een uitbreiding van de daar geformuleerde uitsluiting naar vervolging op grond van artikel 225, eerste lid, Sr.

Het verweer wordt daarom verworpen.

Bespreking van diverse gevoerde verweren

  • De vereenzelviging van rechtspersoon 1 en de rechtspersoon 2

De raadsman voert, zakelijk weergegeven, aan dat, nu er geen sprake is van vereenzelviging tussen rechtspersoon 1 en de vennootschap onder firma eigenaar rechtspersoon 1 (verder te noemen: de rechtspersoon 2 of uitsluitend: de rechtspersoon 2) – rechtspersoon 1 heeft de rechtspersoon 2 niet opgevolgd, noch op andere wijze rechten en/of verplichtingen van de rechtspersoon 2 overgenomen – het vrijwillig beschikbaar stellen van de boekhouding door rechtspersoon 1 niet zijn grondslag vindt in artikel 47 AWR (dat zich richt tot de direct belastingplichtige). Ook is er geen sprake van een maatschappelijke identiteit tussen rechtspersoon 1 en de rechtspersoon 2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter beoordeling van de vraag of er in de strafrechtelijke context gesproken kan worden van de voortzetting van de niet meer bestaande vennootschap onder firma door de thans gedagvaarde vennootschap – en meer in het bijzonder of rechtspersoon 1 vervolgd en veroordeeld kan worden ter zake van strafbare feiten die mogelijk zijn gepleegd door de rechtspersoon 2 – is bepalend de maatschappelijke realiteit (HR 28 oktober 1980, NJ 1981, 123 en HR 22 februari 2011, NJ 2011/124). Niet doorslaggevend in deze beoordeling is derhalve de (gekozen) civielrechtelijke constructie(s), noch of er formeel (civielrechtelijk) sprake is geweest van rechtsopvolging en/of overdracht van rechten en/of verplichtingen.

Het hof stelt vast dat de bedrijfsactiviteiten van de beide entiteiten, de rechtspersoon 2 (vanaf 2004) en rechtspersoon 1 (vanaf 2008), identiek zijn (geweest) (zakelijk weergegeven betrof het (aanneming van) stukadoorswerkzaamheden) en tevens dat eigenaar rechtspersoon 1 in zijn hoedanigheid van directeur van respectievelijk de rechtspersoon 2 en rechtspersoon 1 aan deze primaire bedrijfsactiviteiten feitelijk leiding heeft gegeven. Ter zitting in eerste aanleg heeft eigenaar rechtspersoon 1 in dit kader verklaard dat hij sinds 2003 een stukadoorsonderneming dreef.

Het hof concludeert op grond van deze feiten dat er in werkelijkheid in ieder geval sinds omstreeks 2004 sprake is geweest van continuering van voornoemde stukadoorsonderneming en dat daarmee vast staat, gelet op deze maatschappelijke realiteit, dat de in 2008 opgerichte nieuwe civielrechtelijke entiteit (rechtspersoon 1) als normadressaat dient te worden gezien van het bepaalde in artikel 47 AWR, ook waar het de niet meer bestaande rechtspersoon 2 betreft. Het enkele feit dat de partner van eigenaar rechtspersoon 1, mevrouw vennoot, medevennoot van de rechtspersoon 2 is geweest en in die hoedanigheid de administratie van de rechtspersoon 2 heeft verzorgd, is onvoldoende om tot een andere conclusie te komen.

Het hof concludeert voorts dat uit het feit dat rechtspersoon 1 aan het verzoek van de Belastingdienst om de litigieuze facturen van de rechtspersoon 2 te verstrekken heeft voldaan, tevens redelijkerwijs kan en dient te worden afgeleid dat de feitelijke gang van zaken (het in 2008 beschikbaar stellen door de zwager van eigenaar rechtspersoon 1, zwager) door rechtspersoon 1. is aanvaard. Dat de ter beschikking gestelde facturen gedateerd zijn voor dat rechtspersoon 1 werd opgericht, doet hieraan niets af.

  • Alternatief scenario

De verdediging heeft ten titel van ‘alternatief scenario’ gesteld dat er aanwijzingen te vinden zijn in het dossier op grond waarvan aangenomen zou kunnen worden dat de in de tenlastelegging genoemde facturen door eigenaar rechtspersoon 3 zelf zijn opgesteld op een manier waardoor het zou lijken dat deze door een derde waren vervalst, voor wel door eigenaar rechtspersoon 3 uitgeleend maar niet – naar het hof begrijpt: fiscaal – verantwoord personeel dat ook niet noodzakelijkerwijs bestaan hoeft te hebben uit de personen die in de mandagenregisters van rechtspersoon 4 voorkomen. Gelet hierop zou niet met zekerheid zijn vast te stellen dat de facturen vals zijn.

Het hof begrijpt de door de raadsman in dit verband geschetste gang van zaken aldus dat de verdachte zwart personeel van eigenaar rechtspersoon 3 zou hebben ingeleend dat kennelijk ook nog onder valse namen opereerde, en dat eigenaar rechtspersoon 3 de verdachte hiervoor opzettelijk facturen zou hebben gezonden die op een aantal punten verschillen van de door hem bij regulier ingeleend personeel verstuurde facturen. Dit laatste met de vooropgezette bedoeling om, wanneer de Belastingdienst en/of de FIOD ooit via deze facturen bij eigenaar rechtspersoon 3 terecht zou komen en ter zake om opheldering zou vragen, te kunnen ontkennen dat de facturen van hem afkomstig waren en dat hij zwart personeel in dienst zou hebben en zou uitlenen.

Het hof acht het geschetste scenario, met hetgeen door de raadsman ter zake in zijn pleitnotities is aangevoerd, onvoldoende onderbouwd en ook overigens niet aannemelijk geworden, nu ook in dat geval van rechtspersoon 1 dan wel van eigenaar rechtspersoon 1 als feitelijk leidinggever toch wel verwacht had mogen worden dat namens rechtspersoon 1 iets substantieels aangevoerd had kunnen worden ter zake van de projecten waar deze ingeleende personen dan voor zouden zijn ingeleend en de inkomsten die zij daaruit heeft gegenereerd, hetgeen niet is gebeurd. Voorts blijft onbegrijpelijk waarom rechtspersoon 1 dan wel eigenaar rechtspersoon 1 die stukadoorswerkzaamheden verricht, personeel van een niet-stukadoorsbedrijf zou inlenen. Ook in hoger beroep is hier geen verklaring voor gekomen. Namens rechtspersoon 1 is niemand in hoger beroep verschenen om ter zake wellicht nog enige mondelinge reactie te geven.

De mogelijkheid van het bestaan van het door de raadsman geschetste alternatieve scenario wordt derhalve door het hof verworpen.

  • Het opstellen van valse facturen

Het door de raadsman gevoerde verweer dat er geen aanwijzingen zijn dat de valse facturen feitelijk door de verdachte en/of eigenaar rechtspersoon 1 zelf zijn opgesteld, behoeft geen verdere bespreking, nu het hof het plegen van valsheid in geschrift in die zin bewezen acht dat deze stukken in het kader van de bedrijfsvoering van de onderneming waaraan voornoemde eigenaar rechtspersoon 1 feitelijk leiding gaf valselijk zijn opgemaakt.

  • Het strekkingsvereiste

De raadsman heeft voorts betoogd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 1 primair dan wel feit 2 subsidiair, nu – kort samengevat – het strekkingsvereiste ontbreekt. Ter onderbouwing en berekening van het nadeel dat de Belastingdienst zou hebben geleden, stellen de FIOD en het Openbaar Ministerie dat de valse facturen dienden om betalingen aan anonieme werknemers te verhullen. Deze aanname vormt de basis voor de berekening van de door de Belastingdienst misgelopen premies werknemersverzekeringen en loonheffing. Uit het dossier, zo stelt de raadsman, komt onvoldoende naar voren dat er (anonieme) werknemers hebben gewerkt voor wie geen premies zijn afgedragen en loonheffing is ingehouden om tot een bewezenverklaring te komen van het strekkingsbestanddeel.

Het hof verwerpt dit verweer, omdat naar het oordeel van het hof sprake is van een onjuiste interpretatie van het “strekkingsvereiste”. De zinsnede "indien het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven" is – blijkens de wetsgeschiedenis – bedoeld om “het niet of te laat doen van de belastingaangifte als misdrijf strafbaar te stellen, indien door die gedraging de te geringe heffing naar redelijke, uit de objectieve omstandigheden af te leiden, verwachting waarschijnlijk is”. Bedoelde strekking kan worden aangenomen "op grond van ervaringsgegevens die tot het oordeel leiden dat het niet (tijdig) doen van aangifte, gezien de effecten die daarvan in het algemeen uitgaan, geschikt is om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven".

Het hof is van oordeel dat de bewezenverklaarde feiten – het opzettelijk verstrekken van valse facturen aan de Belastingdienst – bij uitstek geschikt zijn om te bereiken dat onvoldoende belasting wordt geheven. De (geschatte) hoogte van dat nadeel dat in de berekening in document D-88 in het FIOD proces-verbaal is opgenomen, maakt geen deel uit van de bewezenverklaring; het is bedoeld als een handreiking om op basis van de ATV-Richtlijn te beslissen of een zaak al dan niet strafrechtelijk dient te worden vervolgd. In de Richtlijn wordt onder fiscaal nadeel immers verstaan het bedrag aan belasting dat in de onderzoeksperiode vermoedelijk te weinig is of zou zijn geheven, dan wel is of zou zijn betaald indien de inspecteur de aangifte van belanghebbende had gevolgd. Indien op grond van onjuiste gegevens (in de aangifte) een te hoge teruggaaf is verleend, telt die te hoge teruggaaf mee voor het vaststellen van het bedrag van het fiscaal nadeel.

Bewezenverklaring

Feit 1 primair: als degene die verplicht is tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, opzettelijk deze in valse vorm voor dit doel beschikbaar stellen, begaan door een rechtspersoon.

Feit 2 primair: valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafoplegging

De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het onder 1 primair en onder 2 primair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van €20.000.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van €18.000.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^

Nieuwe druk 'Fiscaal straf- en strafprocesrecht'

Op 4 september is een nieuwe uitgave van het boek Fiscaal straf- en strafprocesrecht uitgekomen. Auteurs van het boek zijn Wim Valkenburg en Henk van der Werff.

De doelstelling van het boek is de belangrijkste strafrechtelijke- en strafprocesrechtelijke bepalingen uit de AWR 1998 van commentaar te voorzien. De strafrechtelijke aansprakelijkheid voor fiscale gedragingen wordt besproken, onder andere in relatie tot de misdrijven uit het commune strafrecht.

Getracht is om daarnaast een beeld te geven van de theorie en de praktijk van de fiscale fraudebestrijding in Nederland en de rol die de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie op dit terrein spelen. De taken en bevoegdheden van, en de afstemming tussen beide instanties komen aan bod. In een apart hoofdstuk is bovendien aandacht geschonken aan de internationale samenwerking bij het bestrijden van fiscale fraude. Het boek wordt afgesloten met een korte beschouwing waarin enkele algemene zaken en ontwikkelingen in het fiscale strafrecht nog eens op een rijtje worden gezet.

Dit overzicht maakt duidelijk dat een aantal thema’s buiten beschouwing wordt gelaten. Zo is in het boek weinig terug te vinden over het fiscale strafrecht in de douanesfeer, fraudemethoden of analyses over de beste aanpak van fiscale fraude. Evenmin treft men in dit boek uitgebreide beschouwingen over de fiscale boete aan, tenzij er een duidelijke relatie bestaat met het fiscaal strafrechtelijke afdoeningstraject.

In het boek is niet volstaan met louter een beschrijving van de aangegeven onderwerpen. Getracht is juist om de thema’s op een wetenschappelijk verantwoorde wijze ook van commentaar te voorzien. Aldus is het boek goed bruikbaar voor zowel de rechtspraktijk als het onderwijs.

Klik hier voor het bekijken van de inhoudsopgave.

Over de auteurs

  • Wim Valkenburg (1960) studeerde Nederlands recht, afstudeerrichting strafrecht, aan de toenmalige Katholieke Hogeschool Tilburg. Van 1986 tot 2003 was hij verbonden aan de vakgroep strafrechtswetenschappen van de Katholieke Universiteit Brabant waar hij in 1993 promoveerde op het onderwerp ‘Het bezwaarschrift tegen de dagvaarding’. Van 1994 tot 1999 was hij rechterplaatsvervanger in de Rechtbank Breda en vanaf 1999 tot 2003 raadsheer-plaatsvervanger in het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. In 2003 maakte hij de overstap naar de rechterlijke macht. Op dit moment is hij senior raadsheer en voorzitter van de afdeling strafrecht in genoemd hof. Daarnaast is hij part-time docent bij de SSR. Van zijn hand verschenen diverse boeken, commentaren en artikelen over het fiscale strafrecht en de fiscale boeten.
  • Henk van der Werff (1958) studeerde Nederlands recht aan de Vrije Universiteit in Amsterdam met afstudeerrichtingen privaatrecht en strafrecht. Van 1985 tot 1998 werkte hij in verschillende functies bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst. In 1998 stapte hij over naar het Openbaar Ministerie in Amsterdam en werkte daar als officier van justitie in verschillende hoedanigheden. Van 2002 tot en met 2005 is hij als officier van justitie uitgezonden geweest naar Curaçao. Na zijn terugkeer in Nederland werkte hij wederom bij het Amsterdamse Parket en vanaf 2007 bij het Functioneel Parket in zowel leidinggevende- als inhoudelijke functies. Naast zijn huidige werkzaamheden bij het Functioneel Parket is hij part-time docent bij de SSR en verricht hij werkzaamheden voor het Amsterdamse Ressortsparket en het Curaçaose Openbaar Ministerie. Hij publiceerde meermalen op het terrein van het fiscale strafrecht, laatstelijk in 2013 met het boek getiteld: Internationale rechtshulp en het fiscale delict.

Praktisch

Druk:  5
ISBN: 9789013088526
Verschijningsdatum: 4 sep 2014
Aantal pagina's: 408

Klik hier om het boek via Kluwer te bestellen.

Op dinsdag 25 november verzorgt Henk van der Werff samen met Wiebe de Vries de Basiscursus Fiscaal Strafrecht.

Tijdens deze basiscursus maken deelnemers kennis met het fiscale strafrecht. De strafrechtelijke bepalingen uit de Algemene Wet Rijksbelastingen zullen worden besproken alsmede de algemene straf- en fiscaalrechtelijke leerstukken die daarmee verband houden. Naast de materiële en formele regels van het fiscale strafrecht wordt stilgestaan bij de verschillen en overeenkomsten tussen het fiscaal strafprocesrecht en (commune) strafprocesrecht.

Concreet zullen leerstukken als het uni via-beginsel, samenloop, daderschap en deelneming en ook opzet en schuld de revue passeren en onderwerpen als het strekkingsvereiste, pleitbaar standpunt en sfeerovergang, toegesneden op specifieke fiscale situaties. Voorts wordt aandacht geschonken aan de verschillende aspecten van de opsporing en handhaving van fiscale delicten.

Print Friendly and PDF ^

Conclusie AG Vegter over artikel 69 AWR & "kwaliteit"

Hoge Raad 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2784

Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 9 juli 2013 de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden ter zake van 1.) opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit er toe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd en 2.) valsheid in geschrift.

Mr. E.M.G. van Nuenen, advocaat te Breda, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld.

De Hoge Raad verwerpt het beroep op grond van artikel 81 RO.

Eerste Middel

Het eerste middel behelst de klacht dat het Hof onvoldoende gemotiveerd heeft bewezenverklaard dat verdachte als pleger van het onder 1 tenlastegelegde kan worden beschouwd, althans dat het onder 1 bewezenverklaarde ten onrechte, althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, is gekwalificeerd als overtreding van art. 69, tweede lid AWR.

AG Vegter

De klacht is allereerst gestoeld op de stelling dat artikel 69 van de AWR een (impliciet) kwaliteitsdelict is. Het middel berust kennelijk op de veronderstelling dat daaruit voor de motivering van de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing in het algemeen nadere vereisten voortvloeien. Vereist wordt dat de kwaliteit van verdachte als belastingplichtige uit de bewijsmiddelen moet volgen dan wel dat de kwalificatiebeslissing op dit punt motivering behoeft. De zojuist vermelde stelling wordt in de schriftuur onderbouwd. Dat brengt echter geen strenge nadere eisen met zich. De Hoge Raad overwoog eerder: ”Immers, ook een onverplicht gedane aangifte, zoals een aangifte die is gedaan door middel van een zogenoemd T-biljet of een daarmee vergelijkbare, langs elektronische weg gedane aangifte, heeft te gelden als een bij de belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in art. 69, tweede lid (oud), AWR.“ Aangifte doen heeft dus kennelijk onder omstandigheden reeds te gelden als aangifte doen als belastingplichtige in de zin van de wet.

De vereisten die in de schriftuur liggen besloten vinden geen steun in het recht. Alleen voor het bewijs van bestanddelen van de tenlastelegging geldt immers dat deze moeten worden belegd met enig bewijsmiddel. In de bewezenverklaring is niet vermeld dat verdachte de belastingplichtige is en dat hoeft dus ook niet te worden bewezen. Nadere motivering is evenmin in het kader van de kwalificatiebeslissing noodzakelijk, omdat de wettelijke kwalificatie niet de kwaliteit van belastingplichtige bevat. De AG begrijpt ook meer in het algemeen niet goed wat het stellen van dergelijke eisen voor zin heeft ingeval de belastingdienst zich richt tot een burger, omdat de belastingdienst deze burger als belastingplichtige beschouwt en die burger vervolgens aangifte doet. Indien in een dergelijk geval door de aangeslagene noch tegenover de belastingdienst noch (in vervolg daarop) tegenover de feitenrechter wordt betoogd dat de kwaliteit van belastingplichtige ontbreekt, mag er vanuit worden uitgegaan dat die kwaliteit aanwezig is. Nadere motivering inzake de kwaliteit van belastingplichtige is alleen vereist indien die kwaliteit ten overstaan van de feitenrechter uitdrukkelijk en onderbouwd wordt betwist. Bij de omzetbelasting lijkt het Vegter niet principieel anders te liggen dan bij de inkomstenbelastingbelasting. Verdachte die een aangiftebiljet invult om omzetbelasting terug te ontvangen gedraagt zich daarmee als belastingplichtige.

De steller van het middel wijst er op dat is bewezenverklaard dat het een aangifte ten name van betrokkene betreft, dat zulks ook naar voren komt uit de bewijsmiddelen 1 en 15 en dat uit die bewijsmiddelen tevens blijkt dat die betrokkene eigenaar is van een eenmanszaak met de naam A. Onbegrijpelijk maakt dat echter de bewezenverklaring en kwalificatiebeslissing niet, omdat zowel door de fiscus als door het Hof door die kennelijk louter papieren werkelijkheid is heengekeken. Immers bewijsmiddel 15 houdt voorts nog als verklaring van verdachte in: “[betrokkene] was op papier de eigenaar, maar ik runde eigenlijk de zaak. Ik verzorgde de administratie van [A], die bestond uit inkomende en uitgaande facturen, kostenbonnen, urenlijsten en dergelijk. Ik maakte de facturen, alle binnenkomende post werd door mij behandeld.”

Tweede middel

Het tweede middel komt op tegen de motivering van het in het kader van het eerste feit bewezenverklaarde opzet. De klacht is dat het verweer dat verdachte geen (voorwaardelijk) opzet had op het onjuist doen van belastingaangifte(n) ontoereikend gemotiveerd is verworpen, althans dat de bewezenverklaring van opzet onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd.

Het Hof heeft het bedoelde verweer strekkende tot vrijspraak in verband met het ontbreken van opzet als volgt samengevat en verworpen:

“C.1 Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat hij moet worden vrijgesproken van het hem onder 1. ten laste gelegde, omdat er onvoldoende bewijs is dat de aangiften opzettelijk onjuist zijn gedaan. Daartoe is aangevoerd – zakelijk weergegeven - dat de omstandigheid dat verdachte denkfouten heeft gemaakt waardoor hij onjuiste aangiften voor de omzetbelasting heeft gedaan, onvoldoende bewijs oplevert om opzet te kunnen bewijzen.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

C.2. Het hof stelt voorop dat het doen van aangiftes voor de omzetbelasting de nodige kennis vraagt, gelet in het bijzonder op de complexiteit van de regelgeving. Om die reden wordt het doen van aangiftes voor de omzetbelasting door bedrijven veelal uitbesteed. Naar het oordeel van het hof mag dan ook van een ondernemer die zelf de aangiftes voor de omzetbelasting doet, worden verlangd dat hij zich goed en terdege laat informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

C. 3 Verdachte heeft blijkens de inhoud van bewijsmiddel 16 tegenover de verbalisanten verklaard dat hij de aangiftes gewoon had geschat. 'Het is allemaal wel een heel globale schatting. Ik kon dat niet staven aan de hand van de administratie omdat deze niet bij was.' Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep desgevraagd verklaard over de wijze waarop hij de aangiftes voor de omzetbelasting heeft gedaan, dat hem dat 'zo is uitgelegd'. Gelet op deze vage bewoordingen is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte zich goed en terdege heeft laten informeren over de juiste wijze van invullen van de aangifte voor de omzetbelasting.

Door zulks na te laten en te volstaan met een globale schatting heeft verdachte naar het oordeel van het hof bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de aangiftes voor de omzetbelasting onjuist zou doen.

Het hof verwerpt bijgevolg het verweer.”

AG Vegter

Blijkens de toelichting op het middel heeft het Hof de juiste maatstaf voor opzet gehanteerd, maar "is de vervolgens door het Hof getrokken conclusie (te weten dat rekwirant de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij de aangifte voor de omzetbelasting onjuist zou doen) niet te verenigen met de door het Hof voor het bewijs gebezigde onderdelen van de verklaringen van rekwirant voor zover inhoudende hetgeen hierboven is weergegeven.” Voorop gesteld moet worden dat de bewijsoverweging van het Hof echter niet alleen op zich zelf kan en moet gelezen worden, maar in de context van de overige bewijsmiddelen.

In de bewijsoverweging wordt de als bewijsmiddel 16 gebezigde verklaring van verdachte geciteerd dat de schatting waarop verdachte de aangifte baseerde, wel heel globaal was. Die omstandigheid komt ook in de laatste zin van de bewijsoverweging weer naar voren als de (naar het oordeel van de AG) centrale bouwsteen voor voorwaardelijk opzet. Uit bewijsmiddel 3 (analyse van de administratie) valt af te leiden dat die zeer globale schatting nauwelijks iets met de werkelijkheid te maken had. In dit bewijsmiddel is te lezen dat het verschil tussen de werkelijkheid en de fictie(ve schatting) zich zo ongeveer verhoudt als 1:10. Volgens verdachte kon hij zijn globale schatting niet staven aan de hand van administratie. Uit bewijsmiddel 5 blijkt dat de administratie die ten behoeve van het fiscale boekenonderzoek dat werd overgelegd negen verkoopfacturen van A aan B (bewijsmiddelen 6 t/m 14) bevatte tot een factuurbedrag van in totaal meer dan 250 duizend euro en een BTW bedrag van globaal ergens tussen 40 en 50 duizend euro. Voor het bewijs is verder gebruikt de verklaring van verdachte dat hij binnen het A zorgde voor de facturen, dat van de negen facturen niets klopt (bewijsmiddel 15) en dat er nooit werkzaamheden voor B zijn verricht (bewijsmiddel 17). Het Hof heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat een belangrijk deel van de te veel terug ontvangen belasting (totaal meer dan 73 duizend euro) voor zeer aanzienlijk meer dan de helft is terug te voeren tot de door verdachte zelf opgemaakte fictieve facturen. Uit deze bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang kon het Hof de opzet op het doen van een onjuiste aangifte afleiden.

De steller van het middel kwalificeert hetgeen in feitelijke aanleg omtrent opzet is aangevoerd als een verweer. Het is hem ongetwijfeld bekend dat het uitgangspunt van de wetgever is dat de rechter niet gehouden is op een bewijsverweer te reageren. In deze zaak wordt de juistheid daarvan ook weer eens geïllustreerd. Weerlegging van het opzetverweer is op zich zelf niet nodig, omdat dat ‘verweer’ wordt weerlegd door de gebezigde bewijsmiddelen. Uitzondering op deze regel is (in hoofdzaak) het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. In de schriftuur wordt het ‘opzetverweer’ terecht niet zo gekwalificeerd.

Anders dan de steller van het middel kennelijk meent, wordt het opzet in de onderhavige zaak niet alleen of in overwegende mate gestoeld op de omstandigheid dat verdachte zich niet heeft geïnformeerd over de wijze van aangifte doen. Het is kennelijk slechts een factor die in aanmerking is genomen en meer ook niet. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. Dat het Hof uit de verklaring van verdachte dat het ‘hem zo is uitgelegd’ gelet op de vaagheid in het licht van kennelijk specifieke vragen afleidt dat hij zich niet heeft geïnformeerd, is niet onbegrijpelijk en voor het overige ook sterk verweven met de feiten.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^