DNB krijgt grotere bevoegdheden op het gebied van “naming and shaming”

Uit de wetgevingsbrief van de minister van financiën van 15 juli 2014 (wetgevingsbrief op het terrein van de financiële markten) blijkt dat de minister gehoor zal gaan geven aan het verzoek van DNB om meer naming & shaming mogelijk te maken. DNB wenst meer bevoegdheden om lasten onder dwangsom en boetes opgelegd aan onder DNB-toezicht staande instellingen bekend te mogen maken. Een en ander zoals de AFM dit al veel langer doet.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Als feitelijk leidinggevende in strijd met de Wtk 1992 bedrijfsmatig gelden aantrekken van het publiek en uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling & in strijd met Wte 1995 effecten aanbieden aan het publiek

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 juli 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:4794

Samenvatting

Verdachte heeft zich als feitelijk leidinggevende van de ondernemingen bedrijf 18, bedrijf 3 en/of bedrijf 13 schuldig gemaakt aan overtreding van de Wtk 1992 door in strijd met deze wet bedrijfsmatig gelden van het publiek aan te trekken en het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen.

De Wtk 1992, welke wet sinds 1 januari 2007 is vervangen door de Wet financieel toezicht, had tot doel om misbruik op de financiële markt te voorkomen en de belangen van de crediteuren die gelden aan kredietinstellingen toevertrouwen, te beschermen. De Wtk 1992 kende een vergunningenstelsel waarmee een voorafgaande controle door de STE c.q. AFM was gewaarborgd op het gedrag van de financiële instellingen en de informatie die werd gegeven over de financiële producten en diensten die werden aangeboden. Aangezien bedrijf 18, bedrijf 3 en bedrijf 13 als niet gerechtigde hebben gehandeld, is het aantrekken van geld geschied zonder de controle zoals voorzien in de Wtk 1992.

Door zonder vergunning het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen, heeft bedrijf 13 zich aan het in de wet voorziene toezicht onttrokken dat in Nederland op financiële instellingen middels de Wtk 1992 werd uitgeoefend. Door zijn handelwijze als feitelijk leidinggevende heeft verdachte de door de wet beschermde belangen geschaad en de integriteit van de financiële sector geschonden. Daar komt bij dat ondernemingen die zich wel houden aan de wettelijke voorschriften in verhouding tot de ondernemingen van verdachte in een nadeliger positie zijn gebracht.

Voorts heeft verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18 in strijd met de Wte 1995 aan het publiek effecten aangeboden.

De Wte 1995 heeft als doelstelling een adequaat functioneren van de effectenmarkten en bescherming van de beleggers. Door in strijd met voornoemde wet effecten aan te bieden aan het publiek, zonder dat er een goedgekeurde prospectus algemeen verkrijgbaar was, heeft verdachte een aanzienlijk geldbedrag aan het publiek onttrokken, zonder dat ook maar enigszins sprake is geweest van de waarborgen en garanties die voornoemde wet beoogt te bewerkstelligen. Ondernemingen die zich wel houden aan de wettelijke voorschriften zijn in verhouding tot verdachte in een nadelige positie gebracht en beleggers zijn onvoldoende geïnformeerd. Verdachte heeft daardoor gedurende een periode van ruim 3 jaar de integriteit van de aanbieders van financiële producten op ernstige wijze aangetast en het in haar gestelde vertrouwen en het vertrouwen in de effectenmarkt in het algemeen geschaad.

De rechtbank stelt vast dat (mede) door het handelen van verdachte van tientallen personen aanzienlijke sommen geld zijn aangetrokken. Uit het dossier blijkt dat in elk geval een deel van de geïnvesteerde gelden niet is terugbetaald aan de investeerders, waardoor aan die investeerders financieel nadeel is toegebracht. De grootte van het nadeel is echter op basis van het voorliggende dossier niet vast te stellen.

Start onderzoek

Naar aanleiding van aangiften van DNB Bank van 11 november 2002, de AFM van 5 februari 2003 en de PVK van 9 januari 2003 ontstond een verdenking jegens bedrijf 13, bedrijf 18, bedrijf 5, bedrijf 2, bedrijf 15 en de daaraan gelieerde natuurlijke personen van overtreding van in elk geval de Wtk 1992 en de Wte 1995. Naar aanleiding van deze aangiften zijn getuigen gehoord, zijn bankbescheiden gevorderd en heeft op 10 februari 2004 een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij administratie in beslag is genomen. Vervolgens is op 23 juli 2004 door de AFM aangifte gedaan tegen bedrijf 18 en haar bestuurders, onder wie verdachte.

Feit 1

Ten aanzien van bedrijf 18

Onder dit feit wordt verdachte verweten dat hij opzettelijk artikel 82, eerste lid, van de Wtk 1992 heeft overtreden, in die zin dat hij, al dan niet met anderen, door middel van de rechtspersonen bedrijf 18, bedrijf 5, bedrijf 2 en bedrijf 13 opzettelijk bedrijfsmatig al dan niet opvorderbare gelden heeft aangetrokken, ter beschikking heeft gekregen en/of ter beschikking heeft gehad dan wel dat hij daarbij heeft bemiddeld. Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij als feitelijk leidinggevende van genoemde rechtspersonen dit misdrijf heeft begaan.

De rechtbank acht, gelet op het bovenstaande, wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 18 middels de vermelde bedrijf 6 van de in de tenlastelegging genoemde personen en nog andere personen geld heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen. Uit de in de prospectussen opgenomen tekst, inhoudende dat het geld wordt aangetrokken als (werk)kapitaal ten behoeve van deelnemingsprojecten, leidt de rechtbank af dat bedrijf 18 het aangetrokken geld ook ter beschikking heeft gehad gedurende de looptijd van de obligaties.

Nu het aangetrokken geld volgens de inhoud van de genoemde prospectussen in samenhang met de inhoud van de certificaatgegevens op enig moment terugbetaald moet worden, terwijl op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald en op welke wijze de vergoeding moet worden berekend, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van “op termijn opvorderbare gelden”.

Uit artikel 1 van de Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 van 10 juli 2002 leidt de rechtbank af dat onder het aantrekken van geld van het publiek moet worden aangemerkt het aantrekken van gelden voor zover dit niet gebeurt binnen een besloten kring en/of van professionele marktpartijen.

De inhoud van genoemde prospectussen en de verklaring van naam 11 brengt de rechtbank tot de conclusie dat in casu geen sprake is van een besloten kring of van professionele marktpartijen en dat er dus sprake is van aantrekken van gelden van het publiek.

Gelet op het aantal deelnemers aan de obligaties van bedrijf 18 en de bedrijfsomschrijving van bedrijf 18 is de rechtbank voorts van oordeel dat sprake is van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden.

Dat de gelden opzettelijk zijn aangetrokken van het publiek blijkt reeds uit de inhoud van de genoemde prospectussen.

Voor zover door de verdediging wordt betoogd dat niet opzettelijk wederrechtelijk is gehandeld door bedrijf 18 en/of verdachte omdat er is vertrouwd op de deskundigheid van adviseurs, verwerpt de rechtbank dit verweer. In het kader van de vraag of het onder 1 genoemde delict opzettelijk is gepleegd, geldt dat niet is vereist dat verdachte weet of willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat voor het rechtmatig aantrekken van geld een vrijstelling of ontheffing was vereist. Op dat aspect behoeft het opzet niet gericht te zijn geweest. Dat is geen bestanddeel van de delictsomschrijving.

Nu niet is gebleken dat aan bedrijf 18 op grond van lid 3 van artikel 82 Wtk vrijstelling of ontheffing was verleend, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat bedrijf 18 opzettelijk artikel 82, eerste lid, van de Wtk heeft overtreden.

Daarbij oordeelt de rechtbank dat de verboden gedraging (het aantrekken van geld van het publiek) in redelijkheid aan bedrijf 18 kan worden toegerekend. Die gedraging valt binnen de bedrijfsomschrijving van bedrijf 18, nu, gelet op die bedrijfsomschrijving, het aantrekken van gelden paste in de normale bedrijfsvoering van bedrijf 18 en dienstig was in het door bedrijf 18 uitgeoefende bedrijf.

Vervolgens is de vraag of verdachte in persoon zelfstandig, al dan niet tezamen met anderen, dan wel als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18 dit delict heeft gepleegd.

Gelet op de feiten en omstandigheden, in combinatie met de constatering dat in de prospectussen van bedrijf 18 werd opgenomen dat verdachte in elk geval samen met medeverdachte 1 en medeverdachte 2 het management c.q. de directie van bedrijf 18 vormde, acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18 opzettelijk genoemde gelden van het publiek heeft aangetrokken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit delict zelfstandig als persoon of medepleger heeft gepleegd, nu uit het dossier blijkt dat hij steeds heeft gehandeld als bestuurder van bedrijf 18 en daarbij tevens handelde ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 18. Hij handelde derhalve bij uitstek als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18.

Ten aanzien van naam 2

De rechtspersoon bedrijf 5 (hierna: bedrijf 3) is opgericht op 8 maart 1999. De bedrijfsomschrijving luidt: belegging van middelen en financiering. Bestuurders van bedrijf 3 zijn verdachte en medeverdachte 3.

De rechtspersoon bedrijf 2 is opgericht op 4 juni 1998 en (statutair) gevestigd in plaats 2 aan de adres 3. Bestuurders van bedrijf 2 zijn bedrijf 23 (met als bestuurder medeverdachte 3) en bedrijf 19. Ook zijn als medebestuurders opgetreden bedrijf 24 (van 1-2-1998 tot 5-6-2002) en bedrijf 25 (van 1-2-1998 tot 4-6-1998).

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 3 middels de voorfinanciering van bedrijf 14 van de in de tenlastelegging genoemde personen medeverdachte 5, naam 4, medeverdachte 6 en slachtoffer 20 geld heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen. Uit de in de brochure opgenomen tekst dat het geld is bestemd voor de voorfinanciering van bedrijf 15, leidt de rechtbank af dat bedrijf 3 het aangetrokken geld ook ter beschikking heeft gehad gedurende de looptijd van de voorfinanciering.

Nu het aangetrokken geld volgens de inhoud van de genoemde brochure in samenhang met genoemde voorbeeldberekening op enig moment terugbetaald moet worden, terwijl op voorhand duidelijk is welk nominaal bedrag moet worden terugbetaald en op welke wijze de vergoeding moet worden berekend, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van “op termijn opvorderbare gelden”.

Uit artikel 1 van de Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 van 10 juli 2002 leidt de rechtbank af dat als het aantrekken van geld van het publiek moet worden aangemerkt het aantrekken van gelden voor zover dit niet gebeurt binnen een besloten kring en/of van professionele marktpartijen.

De inhoud van de brochure en de inhoud van de brief van bedrijf 3 van 14 mei 2001 brengt de rechtbank tot het oordeel dat in casu geen sprake is van een besloten kring of van professionele marktpartijen en dat er dus sprake is van aantrekken van gelden van het publiek.

Gelet op het aantal deelnemers aan deze voorfinanciering en de bedrijfsomschrijving van bedrijf 3 is de rechtbank voorts van oordeel dat sprake is van het bedrijfsmatig aantrekken van gelden.

Dat de gelden opzettelijk zijn aangetrokken van het publiek blijkt reeds uit de inhoud van de genoemde brochure.

Voor zover door de verdediging wordt betoogd dat niet opzettelijk wederrechtelijk is gehandeld door bedrijf 3 en/of verdachte omdat er is vertrouwd op de deskundigheid van geraadpleegde personen, verwerpt de rechtbank dit verweer. In het kader van de vraag of het onder 1 genoemde delict opzettelijk is gepleegd geldt dat niet is vereist dat verdachte weet of willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat voor het rechtmatig aantrekken van geld een vrijstelling of ontheffing was vereist. Op dat aspect behoeft het opzet niet gericht te zijn geweest. Dat is geen bestanddeel van de delictsomschrijving.

Nu niet is gebleken dat aan bedrijf 3 op grond van lid 3 van artikel 82 Wtk vrijstelling of ontheffing was verleend, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat bedrijf 3 opzettelijk artikel 82, eerste lid, van de Wtk heeft overtreden.

Daarbij oordeelt de rechtbank dat de verboden gedraging (het aantrekken van geld van het publiek) in redelijkheid aan bedrijf 3 kan worden toegerekend. Die gedraging heeft immers plaatsgevonden ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 3, nu, gelet op die bedrijfsomschrijving, het aantrekken van gelden paste in de normale bedrijfsvoering van bedrijf 3 en dienstig was in het door bedrijf 3 uitgeoefende bedrijf.

Uit het dossier valt op te maken dat bedrijf 2 heeft bemiddeld bij het aantrekken van geld middels de voorfinanciering van bedrijf 14

De rechtbank stelt echter vast dat niet is gebleken dat verdachte een zodanige rol bij bedrijf 2 heeft gehad dat hij als persoon (voor bedrijf 2) dan wel als feitelijk leidinggevende van bedrijf 2 kan worden aangemerkt ten aanzien van de bemiddeling van bedrijf 2 bij deze voorfinanciering.

Verdachte zal dan ook van feit 1 worden vrijgesproken voor zover dit betrekking heeft op bedrijf 2.

De rechtbank acht genoegzaam bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf 3 opzettelijk genoemde gelden van het publiek heeft aangetrokken. Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit delict zelfstandig als persoon dan wel als medepleger heeft gepleegd, nu uit het dossier blijkt dat hij steeds heeft gehandeld als bestuurder van bedrijf 3 en daarbij tevens handelde ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 3. Hij handelde derhalve bij uitstek als feitelijk leidinggevende van bedrijf 3.

Ten aanzien van bedrijf 13

De rechtspersoon bedrijf 13 is opgericht door medeverdachte 3 (als gevolmachtigde van bedrijf 26 te Curaçao) op 14 maart 2000 en statutair gevestigd in plaats 2. Bedrijf 3 was voorheen gevestigd aan de adres 3 in plaats 2, maar was vanaf 7-12-2001 gevestigd in Breda aan de adres 4 en daarna aan de straatnaam te Breda. De bedrijfsomschrijving luidt: beleggingen, groenbeleggingen en financiële dienstverlening plus het voeren van een callcenter. Bestuurder van bedrijf 13 tot 2 september 2002 is bedrijf 26 te Curaçao. Vanaf 2 september 2002 is naam 5 bestuurder en vanaf 16 december 2002 is naam 20 bestuurder.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 13 middels de converteerbare bedrijf 6 bedrijf 13 I van de in de tenlastelegging genoemde personen slachtoffer 21, medeverdachte 4, medeverdachte 2 en slachtoffer 24 geld heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen. Uit de in het informatieblad opgenomen tekst dat het geld is bestemd voor de financiering van grondaankoop, aanplant en werkkapitaal van een nieuwe onderneming, leidt de rechtbank af dat bedrijf 13 het aangetrokken geld ook ter beschikking heeft gehad gedurende de looptijd van de obligaties.

Met een soortgelijke redenering als hierboven bij bedrijf 3 en bedrijf 18 door de rechtbank is gegeven, is de rechtbank ook in het geval van bedrijf 13 van oordeel dat sprake is van het bedrijfsmatig aantrekken, ter beschikking krijgen en ter beschikking hebben van al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek. Dat de gelden opzettelijk zijn aangetrokken van het publiek blijkt reeds uit de inhoud van de genoemd informatieblad.

Voor zover door de verdediging wordt betoogd dat niet opzettelijk wederrechtelijk is gehandeld door bedrijf 13 en/of verdachte omdat er is vertrouwd op de deskundigheid van geraadpleegde personen, verwerpt de rechtbank, nu niet is gebleken dat aan bedrijf 13 op grond van artikel 82, derde lid Wtk 1992 vrijstelling of ontheffing was verleend, dit verweer op dezelfde gronden als hierboven bij bedrijf 3 en bedrijf 18 is overwogen.

Daarbij oordeelt de rechtbank dat de verboden gedraging (het aantrekken van geld van het publiek) in redelijkheid aan bedrijf 13 kan worden toegerekend. Die gedraging valt immers binnen de bedrijfsomschrijving van de rechtspersoon, nu, gelet op die bedrijfsomschrijving, het aantrekken van gelden paste in de normale bedrijfsvoering van bedrijf 13 en dienstig was in het door bedrijf 13 uitgeoefende bedrijf.

De rechtbank acht genoegzaam bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf 13 opzettelijk via de genoemde converteerbare obligaties gelden van het publiek heeft aangetrokken.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit delict zelfstandig als persoon of als medepleger heeft gepleegd, nu uit het dossier blijkt dat hij steeds heeft gehandeld ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 13. Hij handelde derhalve bij uitstek als feitelijk leidinggevende van bedrijf 13.

Feit 2

Onder dit feit wordt verdachte, nadat reeds eerder is vastgesteld dat ten aanzien van een groot deel van de oorspronkelijk onder dit feit genoemde personen de feiten zijn verjaard (zie hieronder), thans nog verweten dat hij opzettelijk artikel 3, eerste lid, van de Wte 1995 heeft overtreden, te weten dat hij, al dan niet met anderen, door middel van de rechtspersoon bedrijf 18 opzettelijk buiten een besloten kring bij uitgifte effecten heeft aangeboden aan onder andere: slachtoffer 3 en/of slachtoffer 4; slachtoffer 13 en/of slachtoffer 14; slachtoffer 15 en/of slachtoffer 16.

Subsidiair wordt verdachte verweten dat hij als feitelijk leidinggevende van genoemde rechtspersoon dit misdrijf heeft begaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat bedrijf 18 middels de vermelde bedrijf 6 aan de in de tenlastelegging genoemde personen bij uitgifte obligaties heeft aangeboden.

De rol die verdachte bij het aanbieden van deze obligaties had, is dezelfde als de rol die verdachte had bij het aantrekken van gelden. Verdachte kan dan ook als feitelijk leidinggevende ten aanzien van het bij uitgifte aanbieden van de bedrijf 6 worden aangemerkt. Dat door de uitgifte van de obligaties gelden van het publiek zijn aangetrokken, zoals al eerder is vastgesteld door de rechtbank, impliceert dat deze obligaties ook bij uitgifte buiten een besloten kring zijn aangeboden.

De door bedrijf 18 aangeboden producten (obligaties) zijn voorts op basis van artikel 1, onder a, sub 1 en 3 Wte aan te merken als effecten in de zin van artikel 3 Wte.

In dit verband acht de rechtbank maatgevend dat de door bedrijf 18 aangeboden producten een vaste looptijd hebben en voorzien in een vast (voorschot) rendement per jaar gedurende de looptijd, terwijl terugbetaling van het ingelegde bedrag bij afloop van de looptijd in beginsel is gegarandeerd.

Dat de effecten opzettelijk zijn aangeboden buiten een besloten kring blijkt reeds uit de inhoud van de genoemde prospectussen.

Voor zover door de verdediging wordt betoogd dat niet opzettelijk wederrechtelijk is gehandeld door bedrijf 18 en/of verdachte omdat er is vertrouwd op de deskundigheid van geraadpleegde personen, verwerpt de rechtbank dit verweer. In het kader van de vraag of het onder 2 genoemde delict opzettelijk is gepleegd geldt dat niet is vereist dat verdachte weet of willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaardt dat voor het rechtmatig aanbieden van effecten een prospectus aan de AFM dient te worden overgelegd dan wel dat daarvoor een vrijstelling of ontheffing was vereist. Op dat aspect behoeft het opzet niet gericht te zijn geweest. Dat is geen bestanddeel van de delictsomschrijving.

Nu is gebleken dat bedrijf 18 geen prospectus in de zin van artikel 3, lid 2 sub b Wte 1995 aan de AFM heeft overgelegd en daarnaast niet is gebleken dat de door bedrijf 18 aangeboden obligaties onder een vrijstelling als weergegeven in de Vrijstellingsregeling Wte 1995 valt of dat de AFM ter zake van onderhavige aanbieding geen ontheffing had verleend op grond van artikel 4, lid 1, Wte 1995, kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat bedrijf 18 opzettelijk artikel 3, eerste lid, van de Wte 1995 heeft overtreden.

Daarbij betrekt de rechtbank ook de al eerder genoemde brief van verdachte (namens bedrijf 18) van 23 april 2001 aan de STE , waarin verdachte erkent dat bedrijf 18 door middel van aanbieding van een prospectus bedrijf 6 gelden van derden heeft aangetrokken. Hij zegt in die brief ook toe dat bedrijf 18 tot aan het moment van deponeren van een goedgekeurde prospectus uitsluitend obligaties zal aanbieden aan geïnteresseerden met een minimum deelnamebedrag van fl. 100.000,=. Uit de inhoud van bovengenoemde certificaatgegevens en ontvangstbevestigingen blijkt overigens dat bedrijf 18 zich niet aan die toezegging heeft gehouden.

Voorts oordeelt de rechtbank dat de verboden gedraging (het bij uitgifte aanbieden van effecten buiten besloten kring) in redelijkheid aan bedrijf 18 kan worden toegerekend. Die gedraging valt immers binnen de bedrijfsomschrijving van de rechtspersoon, nu, gelet op die bedrijfsomschrijving, het aanbieden van effecten paste in de normale bedrijfsvoering van bedrijf 18 en dienstig was in het door bedrijf 18 uitgeoefende bedrijf.

De vraag is vervolgens of verdachte in persoon zelfstandig, al dan niet tezamen met anderen, dan wel als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18 dit delict heeft gepleegd.

Gelet op hetgeen eerder is overwogen, in combinatie met de eerder gedane constatering dat in de prospectussen van bedrijf 18 werd opgenomen dat verdachte in elk geval samen met medeverdachten medeverdachte 1 en medeverdachte 2 het management c.q. de directie van bedrijf 18 vormde, acht de rechtbank genoegzaam bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18 opzettelijk buiten een besloten kring genoemde obligaties bij uitgifte heeft aangeboden.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit delict zelfstandig als persoon of als medepleger heeft gepleegd, nu uit het dossier blijkt dat hij steeds heeft gehandeld als bestuurder van bedrijf 18 en daarbij tevens handelde ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 18. Hij handelde derhalve bij uitstek als feitelijk leidinggevende van bedrijf 18.

Feit 3

Onder dit feit is ten laste gelegd dat bedrijf 13 (opzettelijk) zonder een vergunning van de PVK het directe verzekeringsbedrijf heeft uitgeoefend door het als bedrijf voor eigen rekening sluiten van overeenkomsten van schadeverzekeringen, en dat verdachte aan die verboden gedraging feitelijk leiding heeft gegeven.

De rechtbank is met de PVK van oordeel dat bedrijf 13 in Nederland heeft bemiddeld bij de totstandkoming van overeenkomsten van verzekering met een verzekeraar die het verzekeringsbedrijf uitoefent zonder de daarvoor vereiste vergunning, te weten bedrijf 13 en dat bedrijf 13 als bijkantoor in Nederland van bedrijf 13 heeft gefungeerd.

De officier van justitie heeft het feitelijk leidinggeven aan overtreding van artikel 180 van de Wtv 1993 evenwel niet tenlastegelegd, terwijl verdachten het feitelijk leidinggeven aan het handelen van bedrijf 13 niet meer wordt verweten, omdat de officier van justitie bij wijziging van de tenlastelegging op 19 juni 2013 bedrijf 13 uit de tenlastelegging heeft verwijderd.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde feit.

Feit 4

Onder dit feit wordt bedrijf 3 en bedrijf 13 verweten dat zij opzettelijk artikel 6, eerste lid, van de Wtk hebben overtreden, te weten dat zij, (opzettelijk) het bedrijf van kredietinstelling hebben uitgeoefend en dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan die gedragingen.

Ten aanzien van bedrijf 3 zou dit hebben bestaan uit het via de voorfinanciering van bedrijf 14 aantrekken van gelden van het publiek en het aanhouden van deze gelden op de eigen bankrekening en/of het beleggen dan wel verstrekken van deze gelden aan bedrijf 28/bedrijf 15 en/of anderen.

Nu uit een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt  dat bedrijf 13 op 10 mei 2005 nog bestond, en niet is gebleken dat de obligaties voor het einde van de looptijd zijn afgelost, dan wel dat de hiervoor genoemde uit de balans blijkende schuldposities voor die tijd waren afgebouwd, is de rechtbank van oordeel dat bedrijf 13 gedurende de ten laste gelegde periode van 1 november 1999 tot en met 1 juli 2004, het bedrijf van kredietinstelling heeft uitgeoefend door de genoemde gelden aan te houden op de eigen bankrekening en gelden te verstrekken aan een ander, in casu bedrijf 18, waarmee de rechtbank het onder feit 4 ten laste gelegde ten aanzien van bedrijf 13 wettig en overtuigend bewezen acht.

Onder verwijzing naar hetgeen onder de bewijsoverwegingen omtrent feit 1, onderdeel bedrijf 13, is overwogen over de rol van verdachte bij de uitgifte van de bedrijf 13 obligaties, acht de rechtbank ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte als feitelijk leidinggevende van de onder feit 4 bewezen geachte gedragingen dient te worden aangemerkt.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte dit delict zelfstandig als persoon of als medepleger heeft gepleegd, nu uit het dossier blijkt dat hij steeds heeft gehandeld ten behoeve van de bedrijfsuitoefening van bedrijf 13. Hij handelde derhalve bij uitstek als feitelijk leidinggevende van bedrijf 13.

Verjaring

Feit 1

Onder feit 1 is ten laste gelegd dat verdachte als zelfstandig natuurlijk persoon dan wel als feitelijk leidinggevende van (een) rechtsperso(o)n(en) opzettelijk bedrijfsmatig opvorderbare gelden van het publiek heeft aangetrokken en/of ter beschikking heeft verkregen en/of ter beschikking heeft gehad.

Voor wat onder “aantrekken van opvorderbare gelden” wordt verstaan, sluit de rechtbank aan bij de uitleg die daaraan is gegeven in de Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992, die De Nederlandse Bank in 2002 heeft opgesteld, inhoudende: “Het ter beschikking verkrijgen of aantrekken van opvorderbare gelden betreft niet alleen het feitelijk verkrijgen van (de beschikking) over de gelden maar ook het overnemen van de terugbetalingsverplichting ten aanzien van de opvorderbare gelden.”

De rechtbank beschouwt het “aantrekken van opvorderbare gelden” dan ook als het voortbestaan van een toestand die pas eindigt wanneer de terugbetalingsverplichting is komen te vervallen.

De onder feit 1 omschreven handelingen, welke handelingen betreffen het bedrijfsmatig aantrekken van op termijn opvorderbare gelden voor langer durende projecten alsmede de daaraan gekoppelde terugbetalingsverplichting, dienen dan ook, zolang niet aan de terugbetalingsverplichting is voldaan, per genoemde rechtspersoon als een voortdurend delict te worden aangemerkt.

Bedrijf 18 heeft door middel van het uitgeven van obligaties gelden aangetrokken van personen. Laatstelijk is in dat kader van de in de tenlastelegging met name genoemde personen op 13 februari 2003 (namelijk van slachtoffer 15 en/of naam 3) geld ontvangen door bedrijf 18. Nu in de tenlastelegging de woorden “onder andere” zijn opgenomen kunnen ook andere, niet in de tenlastelegging met name genoemde, personen vallen onder dit ten laste gelegde feit. De rechtbank stelt vast dat op 28 januari 2004 door bedrijf 18 nog geld is ontvangen van naam 18. De verjaringstermijn voor dit voortdurende delict vangt derhalve pas op zijn vroegst op 29 januari 2004 aan, zodat met inachtneming van hetgeen in de artikelen 70, 72 en 72 Sr. is bepaald, dit feit met betrekking tot bedrijf 18 nog niet is verjaard.

Bedrijf 5 c.q. bedrijf 2 heeft door middel van het laten deelnemen van personen aan de voorfinanciering van bedrijf 14 geld van die personen aangetrokken. Uit het dossier blijkt dat in elk geval op 5 september 2000 in het kader van deze voorfinanciering geld is gestort op de bankrekening van bedrijf 5 door naam 4. De looptijd van deze voorfinanciering bedraagt 12 maanden. Uit verklaringen van personen die hebben deelgenomen aan deze voorfinanciering blijkt dat na afloop van de looptijd, al dan niet met een jaar verlengd, er problemen ontstonden over de terugbetaling van de inleg in de voorfinanciering. Zo wordt in een brief van bedrijf 5 van 14 mei 2001 aan de deelnemers vermeld dat naar een oplossing wordt gezocht voor de problemen en dat aan de deelnemers wordt gevraagd het opeisen van hun deelname tot nader order uit te stellen. Op 27 maart 2002 wordt aan deelnemers een voorstel gedaan tot omzetting van hun deelname in bedrijf 5 in een teakbelegging bij bedrijf 13. Per brief van 29 januari 2003 wordt door bedrijf 5 aan deelnemers een overeenkomst betreffende de omzetting van de investering in bedrijf 14 naar de groenbelegging van bedrijf 13 toegezonden, waarna per brief van 4 april 2003 door bedrijf 5 nog nadere informatie aan deelnemers wordt verstrekt over deze omzetting. Uit deze gang van zaken blijkt dat op 4 april 2003 nog altijd niet is voldaan aan de terugbetalingsverplichting aan deelnemers van de voorfinanciering van bedrijf 14, zodat op dat moment nog altijd niet het (voortdurend) delict was voltooid. De verjaringstermijn vangt derhalve pas op zijn vroegst na 4 april 2003 aan, zodat met inachtneming van hetgeen in de artikelen 70, 71 en 72 Sr. is bepaald, dit feit met betrekking tot naam 2 nog niet is verjaard.

Bedrijf 13 heeft gelden aangetrokken door obligaties uit te geven aan in elk geval de in de tenlastelegging genoemde personen. De rechtbank constateert dat die personen allen in 2000 een obligatie van bedrijf 13 hebben aangeschaft en dat de laatste obligatie door slachtoffer 21 op 28 juni 2000 is verkregen. De looptijd van deze obligaties is 5 jaar, waarna een conversiemogelijkheid ontstaat, namelijk om de opgebouwde eindwaarde van de obligatie om te zetten in een participatie van een teakbelegging. Derhalve is op het moment dat de obligatie werd afgesloten na 5 jaar een terugbetalingsverplichting ontstaan, met dien verstande dat de obligatie op dat moment kon worden ingezet voor participatie in een teakbelegging. De verjaringstermijn is naar het oordeel van de rechtbank dan ook pas na 28 juni 2005 aangevangen, hetgeen betekent dat het feit met betrekking tot bedrijf 13 nog niet is verjaard.

Feit 2

Onder feit 2 is ten laste gelegd dat verdachten als zelfstandig natuurlijk personen (primair) dan wel als feitelijk leidinggevenden van (een) rechtspers(o)on(en) (subsidiair) buiten een besloten kring bij uitgifte effecten hebben aangeboden dan wel zodanige aanbiedingen door middel van advertenties of documenten in het vooruitzicht hebben gesteld.

Voor een uitleg wat onder het “aanbieden van effecten” dient te worden verstaan verwijst de rechtbank naar de “Beleidsregel Aanbieden ex artikel 3 Wet toezicht effectenverkeer 1995” van de Autoriteit Financiële Markten, waarin het volgende is opgenomen met betrekking tot de definitie van het begrip “aanbieden” in de zin van artikel 3, eerste en vierde lid, Wte 1995: “Deze definitie omvat handelingen die bestaan uit het doen van een civielrechtelijk aanbod of een uitnodiging tot het doen van een dergelijk aanbod”.

De rechtbank sluit zich aan bij deze definitie en is op grond van deze definitie, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat er bij het aanbieden van effecten telkens opnieuw sprake is van het doen van een aanbod bij de uitgifte van effecten. Derhalve dienen de onder feit 2 (zowel primair als subsidiair) genoemde feiten telkens als afzonderlijke delicten te worden aangemerkt en dienen deze delicten te worden aangemerkt als aflopende delicten.

Dit houdt voor de verjaring van de onder 2 tenlastegelegde feiten het volgende in.

Feiten die vóór 8 maart 2000 zijn gepleegd zijn, gelet op de stuitingsdatum van 8 maart 2006, verjaard op grond van het bepaalde in artikel 70, eerste lid, 71 en 72, eerste lid Sr.

Feiten die vóór 16 juli 2002 zijn gepleegd zijn, gelet op de datum van onderhavig vonnis, verjaard op grond van artikel 72, tweede lid Sr.

De rechtbank stelt ten aanzien van de obligaties van bedrijf 18 vast dat de volgende in de tenlastelegging genoemd personen bedrijf 6 hebben afgesloten in 2000 en 2001, zodat ten aanzien van die personen de feiten zijn verjaard. Het betreffen: slachtoffer 1, 2, 5, 6, 7 en/of 8 (2 x), slachtoffer 9 en/of slachtoffer 10 en slachtoffer 11.

De in de tenlastelegging genoemde slachtoffer 12 heeft op 31 januari 2002 een bedrijf 8 afgesloten. Ook dat feit is dus verjaard.

Ten aanzien van de obligaties van bedrijf 13 stelt de rechtbank vast dat de onder 2 tenlastegelegde feiten met betrekking tot alle in de tenlastelegging genoemde personen (te weten slachtoffer 21, medeverdachte 4, medeverdachte 2 en slachtoffer 24) verjaard zijn, nu de obligaties door genoemde personen alle zijn verkregen in 2000. Nu uit het dossier niet is gebleken dat op of na 16 juli 2002 andere personen obligaties van bedrijf 13 hebben verkregen dan wel dat verdachten op of na 16 juli 2002 zodanige aanbiedingen door middel van advertenties of documenten in het vooruitzicht hebben gesteld, is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde onder feit 2 is verjaard ten aanzien van de feiten die betrekking hebben op bedrijf 13.

Feit 3

Onder dit feit is ten laste gelegd dat bedrijf 13 zonder een vergunning het directe verzekeringsbedrijf heeft uitgeoefend.

Dit feit dient naar het oordeel van de rechtbank reeds uit de aard van het “uitoefenen van een verzekeringsbedrijf” te worden aangemerkt als een voortdurend delict, waarvan de verjaringstermijn pas begint te lopen nadat het verzekeringsbedrijf is gestopt. Zolang er aanspraken uit polissen bestaan en de vennootschap is nog niet ontbonden, is het verzekeringsbedrijf niet gestopt.

bedrijf 13 zou schadeverzekeringen, te weten Waarborgpolissen Plantage-Calamiteiten hebben afgesloten. Deze polissen zijn verbonden aan participatie-overeenkomsten met bedrijf 13, welke overeenkomsten worden aangegaan voor de duur van maximaal 16 jaar.

Ten aanzien van de duur van deze polis staat in de polisvoorwaarden opgenomen: “Deze waarborgpolis wordt verlengd overeenkomstig de op het blad “Polisgegevens” aangegeven termijn.”

Uit een lijst van participanten, opgemaakt op 14 augustus 2000 blijkt dat in 2000 een aantal stortingen is gedaan, waarbij door de meeste participanten tevens een waarborgpolis is afgesloten.

Uit brieven die door bedrijf 13 aan participanten zijn verstuurd, blijkt dat de premie in 16 jaarlijkse termijnen kan worden voldaan, maar dat de mogelijkheid ook bestaat om door een eenmalige storting van fl. 1.950,= voor de volledige looptijd van de polis de risico’s conform de voorwaarden af te dekken. Uit een grootboekrekening van bedrijf 13 tot en met mei 2001 blijkt dat door verschillende personen een bedrag van fl. 1.950,= is betaald in het kader van deze waarborgpolis.

Uit deze feiten en omstandigheden leidt de rechtbank af dat in 2000 een aantal participatie-overeenkomsten met bedrijf 13 is afgesloten, welke overeenkomsten een looptijd van 16 jaar hebben. In het kader van deze overeenkomsten is door een aantal participanten tevens een waarborgpolis afgesloten die 16 jaar liep. Veel van die participanten hebben hun premie voor de gehele periode van 16 jaar middels eenmalige storting van de volledige premie over die periode voldaan.

Derhalve is gelet op de looptijd van die polissen de verjaringstermijn nog niet aangevangen en is hetgeen onder feit 3 ten laste is gelegd, niet verjaard.

Feit 4

Onder dit feit is ten laste gelegd dat dat bedrijf 5 en bedrijf 13 het bedrijf van kredietinstelling hebben uitgeoefend door:

  • (in het geval van bedrijf 3) via de voorfinanciering van bedrijf 14 gelden van het publiek aan te trekken, aan te houden op de eigen bankrekening en/of te beleggen dan wel te verstrekken aan bedrijf 14 en/of anderen;
  • (in het geval van bedrijf 13) middels de uitgifte van de bedrijf 17 gelden van het publiek aan te trekken, aan te houden op de eigen bankrekening en/of te verstrekken aan anderen.

In artikel 1, lid 1 onder a, ten eerste Wtk 1992 wordt als definitie van het begrip ‘kredietinstelling’ gegeven: “een onderneming of instelling die haar bedrijf maakt van het ter beschikking verkrijgen van, al dan niet op termijn, opvorderbare gelden en het voor eigen rekening verrichten van kredietuitzettingen of beleggingen”.

De rechtbank acht, gelet op deze definitie, dit delict een voortdurend delict, waarvan de verjaringstermijn pas begint te lopen nadat de kredietinstelling is gestopt.

In de Beleidsregel kernbegrippen markttoetreding en handhaving Wtk 1992 van 2002 staat dat onder “kredietuitzettingen” wordt begrepen (artikel 9):

“het verstrekken van nominaal opvorderbare gelden aan een ander teneinde daarvoor voor de geldgever of voor aan hem gerelateerde partijen op geld waardeerbare voordelen te verkrijgen. Het aanhouden van gelden op de eigen bankrekening is een kredietuitzetting aan de desbetreffende bank.”

Ten aanzien van bedrijf 13 zijn bedrijf 17 uitgegeven.

De rechtbank beschouwt dit als het voor eigen rekening verrichten van beleggingen en daarmee, gelet op genoemde definitie van “kredietinstelling”, als het uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling. Zoals al eerder is vastgesteld, hebben de in de tenlastelegging genoemde personen (slachtoffer 21, medeverdachte 4, medeverdachte 2 en slachtoffer 24) allen in 2000 een obligatie van bedrijf 13 verkregen. De laatste obligatie is op 28 juni 2000 door slachtoffer 21 aangeschaft. De looptijd van deze obligaties is 5 jaar, waarna een conversiemogelijkheid ontstaat, namelijk om de opgebouwde eindwaarde van de obligatie om te zetten in een participatie van een teakbelegging.

De verjaringstermijn is naar het oordeel van de rechtbank dan ook pas na 28 juni 2005 aangevangen, hetgeen impliceert dat het feit met betrekking tot bedrijf 13 niet is verjaard.

Ten aanzien van bedrijf 5 is al eerder overwogen dat in het kader van de voorfinanciering van bedrijf 14 geld van personen is aangetrokken. Uit het dossier blijkt dat van de in de tenlastelegging genoemde personen (medeverdachte 5, naam 4, medeverdachte 6 en medeverdachte 7) laatstelijk op 5 september 2000 in het kader van deze voorfinanciering geld is gestort op de bankrekening van bedrijf 5 door naam 4. De looptijd van deze voorfinanciering bedroeg 12 maanden.

Anders dan bij feit 1 beperkt de tenlastelegging zich tot deze vier personen, nu in de tenlastelegging onder feit 4 (anders dan bij feit 1) niet de woorden “onder andere” zijn opgenomen.

naam 4. medeverdachte 6 en medeverdachte 7 zijn niet als getuigen gehoord en uit de inhoud van het dossier valt niet op te maken of deze personen na afloop van de looptijd (in elk geval laatstelijk op 5 september 2001) hun inleg terug hebben gekregen dan wel dat zij hun ingelegde geld langer aan bedrijf 5 ter beschikking hebben gesteld en zo ja, tot wanneer dat is geweest. Derhalve is niet vast te stellen of dit feit ten aanzien van deze personen is verjaard. Overigens zal de rechtbank, voor zover dit feit ten aanzien van naam 4, medeverdachte 6 en medeverdachte 7 niet is verjaard, hieronder concluderen dat die feiten niet wettig en overtuigend bewezen zijn.

Genoemde medeverdachte 5 is wel als getuige gehoord. Hij heeft verklaard dat hij op 27 mei 2002 zijn deelname in bedrijf 14 heeft omgezet in een belegging bij bedrijf 13. Vanaf dat moment had medeverdachte 5 naar het oordeel van de rechtbank geen vordering meer op bedrijf 3 en fungeerde bedrijf 5 ten aanzien van medeverdachte 5 niet meer als kredietinstelling.

Vastgesteld kan worden dat bedrijf 5 in elk geval tot 27 mei 2002 als kredietinstelling heeft gefungeerd, in welke periode dit feit, gelet op het bepaalde in artikel 72, tweede lid en tweede volzin, Sr., verjaard was en dat voor het overige niet vastgesteld kan worden of na die periode het bedrijf van kredietinstelling nog werd uitgeoefend.

Bewezenverklaring

Feit 1 subsidiair: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 2 subsidiair: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet toezicht effectenverkeer 1995, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

Feit 4: Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 6, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Strafoplegging

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Lees hier de volledige uitspraak.

 

Print Friendly and PDF ^

OM eist taakstraf tegen trucker wegens koersmanipulatie

Het OM heeft gisteren één jaar voorwaardelijk en een taakstraf van 230 uur geëist tegen André K. voor koersmanipulatie, verduistering en poging tot oplichting. Volgens de officier van justitie was een ‘forse gevangenisstraf’ op zijn plaats geweest, maar vanwege de sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte is de strafeis beperkt.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

‘Een Verordening Marktmisbruik: wat gaat er straks veranderen?’

Op 20 oktober 2011 kondigde de Europese Commissie aan de huidige Richtlijn Marktmisbruik (Market Abuse Directive of MAD) te herzien en om te vormen tot een verordening (concept Market Abuse Regulation of concept-MAR). De reden voor herziening van het huidige marktmisbruikregime, is volgens de Commissie, dat een verdere versterking van de marktintegriteit en de bescherming van de belegger tegen gebruik van voorwetenschap en marktmanipulatie wenselijk is. Om dat te realiseren, acht de Commissie het nodig de MAD te actualiseren aan de hand van de laatste ontwikkelingen op het gebied van wetgeving, markt en technologie. De Commissie verkiest een verordening boven een richtlijn, om de regels vergaand te harmoniseren binnen Europa. Naast de op 20 oktober 2011 geïntroduceerde concept-MAR, kondigde de Commissie een conceptrichtlijn betreffende strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik aan. De Commissie acht dat nodig, omdat de strafrechtelijke wijze van afdoening onvoldoende is verankerd in een aantal lidstaten.

Na enkele herziene versies van de eerste concept-MAR, is in juni 2013 triloogovereen- stemming bereikt tussen de Europese Commissie, de Europese Raad en het Europees Parlement over de tekst van de concept-MAR. Dat heeft geresulteerd in een op punten gewijzigde concept-MAR (hierna: MAR).

De verwachting is dat de MAR vanaf begin 2016 de thans vigerende MAD zal vervangen. Overigens zal op dat moment ook de Richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID) worden vervangen door de Verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR) met de bijbehorende richtlijn MiFID-II. Dit valt samen, omdat de MAR afhankelijkheden heeft in de MiFIR en MiFID-II (zoals de definitie van handelsplatform).

Nu triloogovereenstemming over de tekst van de MAR bestaat, ontstaat zicht op wat gaat veranderen. Doel van het artikel is in het eerste deel op hoofdlijnen enig inzicht te geven in wat er in Nederland zal veranderen. In het tweede deel wordt ingegaan op wat de MAR voor uitgevende instellingen kan betekenen. Hierbij moet onder andere gedacht worden aan wijzigingen van de regels over: uitstel van openbaarmaking van koersgevoelige informatie, melden van transacties in onder meer eigen aandelen, de insiderlijst, de duur van gesloten perioden en het reglement voorwetenschap.

Lees verder:

Print Friendly and PDF ^

Publicatie Verordening marktmisbruik & Richtlijn strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik

Op 12 juni zijn de Verordening over marktmisbruik (No 600/2014) en de Richtlijn over strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik (2014/57/EU) gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Nu de instrumenten zijn gepubliceerd, heeft de Commissie 24 maanden om uitvoeringsmaatregelen voor de verordening vast te stellen. Lidstaten dienen de richtlijn nu binnen 2 jaar om te zetten naar nationaal recht.

Zie ook:

Print Friendly and PDF ^

Kabinet verbiedt manipuleren benchmarks

Minister Dijsselbloem van Financiën introduceert een nationaal verbod op het manipuleren van financiële benchmarks door uitbreiding van de reikwijdte van regels ter voorkoming van marktmisbruik. Naar aanleiding van de betrokkenheid van de Rabobank bij de manipulatie van LIBOR en EURIBOR, is toegezegd om manipulatie van benchmarks onder het wettelijk toezichtkader te brengen. Daar wordt nu door de Minister aan voldaan.

Toelichting

Benchmarks vervullen een belangrijke rol in het financiële stelsel. Veel financiële instrumenten en (financiële) overeenkomsten gebruiken benchmarks voor de prijsstelling; zo wordt de interbancaire rentevoet LIBOR gebruikt als (onderdeel van het) rentetarief voor renteswaps, obligaties en hypothecaire leningen met variabele rente. De recente onderzoeken naar de manipulatie van de interbancaire rentetarieven LIBOR en EURIBOR hebben aangetoond dat benchmarks gevoelig kunnen zijn voor manipulatie. Derge- lijke manipulatie kan ernstige negatieve gevolgen hebben voor het vertrouwen in de financiële markten en resulteren in benadeling van consumenten, beleggers en andere marktpartijen. Het is daarom van essentieel belang dat manipulatie van benchmarks effectief aangepakt kan worden om zodoende marktpartijen te beschermen en het vertrouwen in de financiële markten te waarborgen.

Het onderzoek naar de betrokkenheid van Rabobank bij de manipulatie van EURIBOR en LIBOR heeft aangetoond dat het bestuursrechtelijke toezichtkader op dit moment niet voldoende effectief is. Tijdens het Algemeen Overleg over de betrokkenheid van Rabobank bij de manipulatie van LIBOR en EURIBOR van 13 november 2013, heeft de minister van Financiën toegezegd deze leemte te repareren. Er wordt een verbod geïntroduceerd op het (trachten te) verstrekken of verspreiden van onjuiste of misleidende informatie ten behoeve van de vaststelling van een benchmark op basis waarvan het uit hoofde van een financieel instrument te betalen bedrag of de waarde van een financieel instrument wordt vastgesteld. Ook andere gedragingen met het oogmerk de vaststelling van een benchmark te manipuleren worden verboden. Deze verbodsbepalingen worden opgenomen in hoofdstuk 5.4 van de Wft (regels ter voorkoming van marktmisbruik en voor het optreden op markten in financiële instrumenten) en overtreding van deze verbodsbepalingen zal in de Wet op de econo- mische delicten tevens strafbaar worden gesteld als economisch delict. Het verbod op het manipuleren van benchmarks laat overigens onverlet dat wanneer instellingen (tevens) samenspannen om een benchmark te manipuleren dit een overtreding van de relevante mededingingsrechtelijke regels kan opleveren.

Ontwerpverordening en ontwerprichtlijn marktmisbruik

De Europese Commissie heeft op 25 juli 2012 voorstellen gepresenteerd die strekken tot aanvulling van de ontwerpverordening en de ontwerprichtlijn betreffende handel met voorwetenschap en marktmanipulatie (markt- misbruik), die de Commissie op 20 oktober 2011 heeft ingediend.

De voorgestelde aanvullingen beogen – net als de onderhavige wijziging – zeker te stellen dat manipulatie van (financiële) benchmarks en poging daar- toe zowel onder het verbod als onder de strafbaarstelling van marktmanipulatie valt.

Hoewel de tekst van de nieuwe Verordening marktmisbruik op 14 april 2014 door de Raad is vastgesteld na afronding van de co-decisieprocedure met het Europees Parlement, heeft officiële publicatie nog niet plaats- gevonden. Het is dus nog niet duidelijk wanneer de verordening exact in werking zal treden. Verscheidene bepalingen in de Verordening marktmisbruik verwijzen namelijk naar de herschikking van de Richtlijn markten voor financiële instrumenten (MiFID II) en de Verordening markten voor financiële instrumenten (MiFIR). Ook de teksten van MiFID II/MiFIR zijn ondertussen vastgesteld door de Europese Raad en het Europees Parlement. Ook hiervan moet echter nog publicatie plaatsvinden. Naar verwachting zullen de voorstellen medio 2016 daadwerkelijk van toepassing zijn. Aangezien het kabinet manipulatie van benchmarks als een ernstig vergrijp beschouwt, met potentieel verstrekkende gevolgen voor de (deelnemers op de) financiële markten, vindt het kabinet het belangrijk om te bewerk- stelligen dat manipulatie van benchmarks ook voor inwerkingtreding van de Europese voorstellen bestuursrechtelijk en strafrechtelijk gehandhaafd kan worden. Daarvoor is het noodzakelijk om – vooruitlopend op Europese regelgeving – op nationaal niveau maatregelen te treffen. Bij de formulering van de verbodsbepalingen is wel rekening gehouden met de aankomende Europese regels op dit vlak en is zeer nauw aangesloten bij de relevante bepalingen uit de Verordening marktmisbruik. Deze nationale regeling zal daarom de verwezenlijking van het door de Verordening marktmisbruik beoogde resultaat niet in gevaar brengen.

De nationale bepalingen met betrekking tot marktmisbruik zullen word- en ingetrokken op het moment dat de nieuwe Verordening markt- misbruik van toepassing is.

Print Friendly and PDF ^

Wijziging van de Wet op het financieel toezicht & andere wetten op het terrein van de financiële markten

Minister Dijsselbloem van Financiën stuurt de Tweede Kamer mede namens de minister van Veiligheid en Justitie, de nota van wijziging bij de wijziging van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op het terrein van de financiële markten (Wijzigingswet financiële markten 2015), een afschrift van het nader rapport en een afschrift van het advies van de Raad van State.

Achtergrond

De Wijzigingswet financiële markten 2015 bevat wijzigingen van de Wet op het financieel toezicht (Wft) en van andere wetgeving op het terrein van de financiële markten. Het wetsvoorstel maakt onderdeel uit van een jaarlijkse wijzigingscyclus, waarbij als uitgangspunt wordt gehanteerd dat daarin alle nationale wet- en regelgeving op het terrein van de financiële markten wordt opgenomen. Het wetsvoorstel heeft als beoogde inwerkingtredingdatum 1 januari 2015.

In dit wetsvoorstel wordt uitvoering gegeven aan twee onderdelen uit het regeerakkoord: de uitbreiding van de geschiktheids- en betrouwbaarheids- toetsing alsmede de uitbreiding van de eed of belofte voor personen werkzaam in de financiële sector. Daarnaast wordt in dit wetsvoorstel de bevoegdheid geïntroduceerd voor DNB om ten behoeve van haar financiële stabiliteitstaak gegevens op te vragen bij (semi)overheidsinstellingen, ondernemingen, vrije beroepsbeoefenaren, instellingen en rechtspersonen. Tevens bevat het wetsvoorstel nog een aantal kleinere wetswijzigingen op het terrein van de financiële markten.

Print Friendly and PDF ^

Marktmisbruik: EU stelt strafrechtelijke sancties vast om marktintegriteit te verdedigen

De Raad voor de Europese Unie heeft vandaag het voorstel van de Europese Commissie voor een verordening over marktmisbruik en haar voorstel voor een richtlijn over strafrechtelijke sancties voor marktmisbruik formeel goedgekeurd. Dit volgt op de stemmingen in de plenaire vergadering van het Europees Parlement waarmee de verordening en de richtlijn werden gesteund van respectievelijk 10 september 2013 en 4 februari 2014.

Vicevoorzitter Viviane Reding, EU-commissaris voor Justitie, en commissaris voor Interne Markt en Diensten, Michel Barnier, verklaarden: "De goedkeuring van vandaag is een krachtige zero tolerance-waarschuwing voor diegenen die zich schuldig maken handel met voorkennis en marktmanipulatie. Dit toont aan dat Europa vastbesloten is om de integriteit van zijn financiële markten te beschermen en criminelen die geld willen verdienen door opzettelijk informatie te manipuleren, af te schrikken. Administratieve autoriteiten zullen voortaan meer bevoegdheden hebben om marktmisbruik te onderzoeken en boetes op te leggen die miljoenen euro kunnen bedragen, terwijl degenen die schuldig worden bevonden aan marktmisbruik, zullen worden afgeschrikt door het vooruitzicht van een gevangenisstraf in de hele Unie. De tijd is gekomen om nu de wetgeving in de praktijk om te zetten: de lidstaten zouden deze nieuwe regels snel ten uitvoer moeten leggen zodat de criminelen zich nergens in Europa nog kunnen verstoppen."

Volgende stappen: Na de ondertekening van de verordening en de richtlijn door de voorzitters van het Europees Parlement en de Raad en de bekendmaking ervan in het Publicatieblad, naar verwachting aankomende juni, zal de Commissie over een periode van 24 maanden beschikken om uitvoeringsmaatregelen voor de verordening vast te stellen en zullen de lidstaten over die periode beschikken om de richtlijn in nationaal recht om te zetten.

De goedkeuring van de verordening betekent dat:

  • de bestaande regels inzake marktmisbruik worden uitgebreid tot misbruik van de elektronische handelsplatforms, die de afgelopen jaren snel in aantal zijn toegenomen;
  • via hoogfrequente handel uitgevoerde misbruikstrategieën duidelijk verboden zijn;
  • degenen die benchmarks zoals LIBOR manipuleren, zich schuldig maken aan marktmisbruik en aan hoge boetes worden onderworpen;
  • marktmisbruik dat zowel op grondstoffenmarkten als op aanverwante derivatenmarkten plaatsvindt, verboden is en de samenwerking tussen de voor het toezicht op de financiële en de grondstoffenmarkten verantwoordelijke autoriteiten wordt versterkt;
  • het afschrikkend effect van de wetgeving veel groter zal zijn dan nu, met de mogelijkheid van geldboetes van ten minste het drievoudige van de door marktmisbruik verkregen winst, of ten minste 15 % van de omzet van ondernemingen. De lidstaten kunnen beslissen om verder te gaan dan dit minimum.

De goedkeuring van de richtlijn betekent dat:

  • er voor de hele EU geldende definities komen van misdrijven van marktmisbruik, zoals handel met voorkennis, onwettige openbaarmaking van informatie en marktmanipulatie;
  • er gemeenschappelijke strafrechtelijke sancties komen, zoals boetes en vrijheidsstraffen van minstens vier jaar voor handel met voorkennis en marktmanipulatie en twee jaar voor onwettige openbaarmaking van interne informatie;
  • rechtspersonen (bedrijven) aansprakelijk worden gesteld voor marktmisbruik;
  • de lidstaten hun rechtsmacht moeten vestigen voor deze strafbare feiten als die op hun grondgebied plaatsvinden of als de dader een staatsburger is;
  • de lidstaten ervoor moeten zorgen dat justitie en politie voldoende zijn opgeleid om deze zeer complexe zaken te behandelen.

Voor meer informatie:

 

Print Friendly and PDF ^

Weekers overweegt wetswijziging naar aanleiding van Liborboete

Geldboetes en schikkingen die zijn betaald aan een buitenlandse overheid, zijn op grond van de Nederlandse wet in beginsel aftrekbaar. Echter, voordat tot aftrekbaarheid van een buitenlandse boete of schikking kan worden gekomen, moet wel vaststaan of deze boete of schikking niet kan worden toegerekend aan een buitenlandse dochtermaatschappij of aan een buitenlandse vaste inrichting (filiaal). Immers, als de boete in het buitenland thuishoort, kan er geen sprake zijn van aftrek in Nederland.  De wetgever heeft destijds bij de parlementaire behandeling in 1990 om de volgende redenen afgezien van het uitbreiden van de niet-aftrekbaarheid tot boetes die aan een buitenlandse overheid zijn betaald:

 1) Voor buitenlandse (niet EU-) boetes geldt dat er geen inbreuk op de Nederlandse rechtsorde is geweest. Bij boetes die door de Nederlandse overheid zijn opgelegd, is de niet-aftrekbaarheid ingevoerd om te voorkomen dat de in Nederland opgelegde straf wordt uitgehold doordat de boete ten laste van de winst kan worden gebracht.

 2) Uitbreiding tot buitenlandse boetes zou kunnen inhouden dat ook de aftrekbaarheid wordt uitgesloten voor vergrijpen die het Nederlandse rechtsbestel niet kent of indien bij de berechting van een gedraging niet de algemeen aanvaarde beginselen van een behoorlijk strafrechtspleging in acht zijn genomen.

 3) Een meer praktisch bezwaar is dat het voor toetsing van de aftrekbaarheid van de in het buitenland opgelegde boetes de fiscus zou moeten kunnen beschikken over adequate informatie omtrent de veroordelingen tot deze geldboetes. Indien de niet-aftrekbaarheid zich zou uitstrekken tot buitenlandse boetes en de Belastingdienst steeds zou moeten toetsen of een buitenlandse boete voldoet aan de Nederlandse maatstaven, zou dat leiden tot meer uitvoeringslasten.

 Voor fiscale doeleinden kan een voorziening worden getroffen ten laste van de fiscale winst indien op de balansdatum duidelijk is dat een toekomstige betaling moet worden gedaan die zijn oorsprong vindt in feiten en omstandigheden die zich voorafgaand aan de balansdatum hebben voorgedaan. Daarbij geldt dat er een redelijke mate van zekerheid moet bestaan dat de uitgaven zich ook daadwerkelijk materialiseren en bovendien toerekenbaar zijn aan het onderhavige jaar. Wellicht ten overvloede merk ik op dat vorming van een voorziening niet aan de orde kan zijn indien de gemaakte uitgaven niet voor aftrek in aanmerking komen op grond van een wettelijke bepaling.

 Er bestaat geen verschil in fiscale behandeling van een opgelegde boete of het aangaan van een schikking. Deze worden fiscaal op een gelijke wijze behandeld. Schadevergoedingen daarentegen vloeien voort uit een privaatrechtelijke rechtsbetrekking en kunnen als kosten die samenhangen met het drijven van een onderneming in mindering worden gebracht bij de bepaling van de belastbare winst. Overigens kent het Nederlandse burgerlijk recht als zodanig geen schadevergoedingen van punitieve aard.

 Weekers vraagt zich echter sterk af of een onderscheid in behandeling tussen binnenlandse en buitenlandse boetes in het huidige tijdsgewricht nog wenselijk is. De staatssecretaris overweegt daarom voor te stellen ook buitenlandse boetes niet langer in aftrek toe te laten. Ik zal daarover zo mogelijk dit jaar nog of anders begin volgend jaar een brief aan de kamer sturen. Daarin zal ik de gevolgen van een eventuele wijziging, onder andere voor de uitvoerbaarheid daarvan, tegen het licht houden. Daarbij wil ik ook bekijken hoe voorkomen zou kunnen worden dat het in het buitenland actieve Nederlandse bedrijfsleven onevenredig zwaar zou worden getroffen door in het buitenland opgelegde geldboetes die in een vergelijkbaar geval nooit in Nederland zouden kunnen worden opgelegd.

 Vragen van de leden Nijboer en Groot (beiden PvdA) aan de minister van Financiën over het bericht dat de Rabobank heeft aangekondigd de Liborboete in mindering te brengen op de nettowinst van de bank

 

Print Friendly and PDF ^

Overzicht belangrijkste voornemens en ontwikkelingen van wet- en regelgeving op het terrein van de financiële markten

Dijsselbloem heeft afgelopen 8 juli een overzicht verzonden van de belangrijkste voornemens en ontwikkelingen ten aanzien van wet- en regelgeving op het terrein van de financiële markten, aan de hand van de wetgevingswensen van De Nederlandsche Bank (DNB) en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).

Actuele ontwikkelingen

Europees toezicht

Dijsselbloem acht snelle overeenstemming over de oprichting van een Europese bankenunie van belang. Er wordt daarom ook stevig ingezet in Europa opdat alle elementen die daarvan onderdeel uitmaken goed geregeld zijn.

Implementatie en vormgeving nationale regelgeving

De minister is voornemens in overleg met DNB en de AFM te verkennen op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat de Wft ook in de toekomst een adequaat wetgevingskader vormt waarin nationale en Europese regels zonder problemen kunnen worden ingepast.

EIOPA preparatory guidelines

Eerst wordt de definitieve EIOPA prepatory Guidelines afgewacht, voordat bezien wordt of en in hoeverre het noodzakelijk is om in lijn met die Guidelines het Bpr aan te passen. Wel wordt er reeds - voorafgaand aan Solvency II – gewerkt aan verdere versterking van het verzekeringstoezicht.

Eerder geformuleerde wetgevingswensen

Trigger event bepalingen

In het richtlijnvoorstel voor herstel en afwikkeling van banken en beleggingsondernemingen (bank recovery en resolution directive; BRRD) is voorzien in een uitbreiding van de trigger event regeling tot zogenoemde ‘crisis prevention measures’. Dijsselbloem zal bij de implementatie van de richtlijn deze uitbreiding van de trigger event regeling in nationale wetgeving omzetten.

Oversight betalingsverkeer

De invoering van het toezicht op afwikkelondernemingen en het voorgenomen aanpassing van artikel 3:17 Wft zijn een uiting van het belang dat Dijsselbloem hecht aan goed toezicht op betalingsverkeer. Het betalingsverkeer wordt steeds internationaler en er doen zich veel nieuwe ontwikkelingen voor. Dijsselbloem blijft graag in gesprek met DNB over de vormgeving van het toezicht en het waarborgen van betrouwbaarheid in de gehele keten van het betalingsverkeer.

Vvgb-plicht voor dividenduitkeringen door banken

Artikel 3:96 van de Wft zal in lijn met de wens van DNB worden aangevuld.

Schorsen beleidsbepalers en commissarissen

Vooralsnog is Dijsselbloem van mening dat de Wft de mogelijkheid biedt voor een toezichthouder om, in geval van twijfel aan betrouwbaarheid van een beleidsbepaler of commissaris, een onderneming een aanwijzing te geven waarin die onderneming wordt gevraagd om de betrokken beleidsbepaler of commissaris te schorsen. Het is naar zijn mening vooralsnog niet nodig of wenselijk om regelgeving op te stellen die het mogelijk maakt om ook al bij twijfel aan geschiktheid een aanwijzing met een dergelijke inhoud te kunnen geven.
De discussie hierover zet Dijsselbloem graag voort met de toezichthouders.

Beleggingsondernemingen derde landen

Conform de wens van DNB bevat het implementatiewetsvoorstel richtlijn kapitaaleisen (CRD IV) een regeling voor beleggingsondernemingen uit derde landen die geënt is op die voor bijkantoren van banken uit derde landen. De eis van vestiging via een bijkantoor in Nederland is daarin niet opgenomen, aangezien Dijsselbloem deze te ver strekkend vind.

Portefeuille-overdracht verzekeraars

In lijn met de wens van DNB worden artikel 3:118 Wft en artikel 2 van Besluit bijzondere prudentiële maatregelen beleggerscompensatie en depositogarantie Wft aangepast.

Nieuwe wetgevingswensen

Macroprudentiële bevoegdheden

In het implementatiewetsvoorstel richtlijn CRD IV wordt DNB als ‘designated authority’ voor de toepassing van de in de CRD IV genoemde macroprudentiële instrumenten aangewezen. Vanwege de rol van de minister van Financiën ten aanzien van de stabiliteit van het financiële stelsel en de mogelijke invloed van bepaalde maatregelen op het functioneren van de reële economie en de nationale vastgoedmarkt, wordt voor de in de met CRD IV samenhangende verordening (CRR) genoemde instrumenten bezien op welke manier de betrokkenheid van de minister tot uitdrukking kan worden gebracht.

Evaluatie interventiewet

De door DNB opgebrachte punten zullen worden meegenomen in de evaluatie van de Interventiewet. In de evaluatie zal ook aandacht worden besteed aan de samenloop tussen de BRRD en de Interventiewet. De verwachting is dat de evaluatie van de Interventiewet dit najaar zal worden afgerond. De Tweede Kamer zal te zijner tijd worden geïnformeerd over de uitkomsten van deze evaluatie. Eventuele aanpassingen van de Interventiewet die voortkomen uit de evaluatie van deze wet zullen parallel aan de implementatie van de BRRD plaatsvinden, voor zover de implementatietermijn van de BRRD zulks mogelijk maakt.

Transparantie

Dijsselbloem staat positief tegenover de wens van DNB. Hij zal in overleg met DNB de mogelijkheden verkennen van een wettelijke bevoegdheid om geselecteerde gegevens op de website te kunnen publiceren.

Covered bonds

Dijsselbloem zal conform het verzoek van DNB de gezamenlijk te ontwikkelen voorstellen ten aanzien van covered bonds implementeren en – voor zover nodig de regelgeving aanpassen.

Aanwijzingsbevoegdheid Sanctiewet 1977

Dijsselbloem onderschrijft de wenselijkheid van een gericht handhavingsinstrumentarium in de Sanctiewet 1977 en zal in overleg treden met de Minister van Buitenlandse Zaken over de gevraagde introductie van een aanwijzingsbevoegdheid.

Toezicht trustkantoren

Dijsselbloem: "Ik onderken dat bij trustkantoren waar het dagelijks beleid wordt bepaald door niet meer dan één persoon sprake kan zijn van een verhoogd integriteitsrisico. In dat verband is in de voorgenomen herziening van de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren een versterking van de compliancefunctie opgenomen. In aanvulling daarop ben ik voornemens te regelen dat ten minste twee natuurlijke personen het dagelijks beleid bepalen van een trustkantoor, tenzij blijkt dat de met bedoelde herziening van de Regeling integere bedrijfsvoering Wet toezicht trustkantoren dit risico adequaat wordt ondervangen. Daartoe zal ik het effect van die herziening, in overleg met DNB als toezichthouder, een jaar na inwerkingtreding evalueren." 

Implementatie depositogarantiestelsel

Volgens huidige planning zal het Besluit ex ante DGS, dat aan de zorgen van DNB tegemoet komt per 1 juli 2015 in werking treden. Voor de tussenliggende periode zal Dijsselbloem in overleg met DNB bezien welke oplossing tot inwerkingtreding van voornoemd Besluit haalbaar is.

Informatie-uitwisseling DNB-AFM inzake Wet toezicht accountantsorganisaties (Wta)

Dit punt zal worden meegenomen in de Wijzigingswet Financiële Markten 2015.

Vvgb-plicht 403- verklaringen

Dit punt zal worden betrokken in de evaluatie van de Interventiewet.

Wetgevingswensen AFM 2013

Nationaal

  • Onderzoek naar de wenselijkheid van regelgeving met betrekking tot de volgende onderwerpen: de rol van de AFM bij de afhandeling van klachten door financiële ondernemingen; de mogelijkheid beleidsbepalers en commissarissen te schorsen in afwachting van een hertoetsing van de geschiktheid of betrouwbaarheid; en transparantie over de total cost of ownership (TCO).

Dijsselbloem beziet momenteel in overleg met de AFM en DNB of met betrekking tot de door de AFM genoemde onderwerpen nadere aanpassing van wet- en regelgeving nodig is.

  • Wensen op het terrein van de financiële verslaggeving, opgenomen in de wetgevingsbrief van 13 september 2012 en met betrekking tot artikel 2:403 BW, omzetting herwaarderingsreserve in kapitaal en volledig inzicht via register.

De wensen van de AFM op het terrein van de financiële verslaggeving vallen voor het merendeel onder de verantwoordelijkheid van de minister van Veiligheid en Justitie. De wens van de AFM met betrekking tot artikel 2:403 van het Burgerlijk Wetboek zal worden meegenomen in de herziening van de jaarrekeningrichtlijn. Ook zal het verschil in taalregime tussen het Burgerlijk Wetboek en de Wft op het terrein van de financiële verslaggeving, waar nodig, worden gestroomlijnd, via de Wijzigingswet Financiële Markten 2015. Voor wat betreft de overige wensen van de AFM op het terrein van financiële verslaggeving zal in overleg met het ministerie van V&J en de AFM worden bezien of hiervoor nadere aanpassing van wet- en regelgeving nodig is.

Europees

Evenals de AFM verwacht Dijsselbloem dat de komende jaren toenemende aandacht uitgaat naar de implementatie van Europese richtlijnen en aanpassing van nationale regelgeving aan Europese Verordeningen. Dit leidt tot meer toezichtconvergentie, hetgeen met het oog op een ordelijke werking van de financiële markten wenselijk is, maar ook zekere aandachtspunten met zich brengt, zoals de AFM constateert. Hierover kan het volgende worden opgemerkt.

  • Aandacht voor sector- specifieke karakter van Europese regels en de implementatie in cross- sectorale Wet op het financieel toezicht

Zoals hierboven reeds vermeld, is Dijsselbloem voornemens in overleg met DNB en de AFM te verkennen op welke wijze kan worden bewerkstelligd dat de Wft ook in de toekomst een adequaat wetgevingskader vormt waarin nationale en Europese regels zonder problemen kunnen worden ingepast.

  • Aandacht voor behoud van Nederlands niveau van consumentenbescherming

Nederland kent een hoog niveau van consumentenbescherming. Dijsselbloem zet zich in Europa in voor handhaving hiervan. Zo wordt getracht ervoor te zorgen dat de Europese Financiële Bijsluiter qua inhoud en reikwijdte zoveel mogelijk aansluit bij de huidige Nederlandse Financiële Bijsluiter.

  • Aandacht dat vormgeving van de Bankenunie niet negatief interfereert met de huidige gedragsregels

De rol van het gedragstoezicht in de bankenunie heeft de aandacht van de minister. Dijsselbloem zal bij de implementatie van de SSM-verordening goed oog houden voor het borgen van de gedragsrechtelijke aspecten en de rol van de AFM.

Overzicht bij de Tweede Kamer aanhangige en in departementale voorbereiding zijnde wetgevingstrajecten op het terrein van de financiële markten

  • Wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014 (33632): Het wetsvoorstel is in mei 2013 bij de Tweede Kamer ingediend. De Kamer heeft op 28 juni 2013 verslag uitgebracht.
  • Wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen in verband met de toepassing van artikel 1, onderdeel b, van het Verdrag van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van kernenergie (33660): Het wetsvoorstel is in juni 2013 bij de Tweede Kamer ingediend.
  • Implementatiewet richtlijn financiële conglomeraten I: Het wetsvoorstel is in maart 2013 bij de Tweede Kamer ingediend. De Kamer heeft verslag uitgebracht. De nota n.a.v. het verslag is op 5 juni 2013 naar de Kamer gestuurd.
  • Implementatiewet richtlijn kapitaalvereisten (CRD IV): Het wetsvoorstel is in departementale voorbereiding en wordt naar verwachting in oktober 2013 bij de Tweede Kamer ingediend.
  • Wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2015: Het wetsvoorstel is in departementale voorbereiding.
  • Voorstel van wet houdende wijziging van de Wet op het financieel toezicht in verband met het verstrekken van vertrouwelijke gegevens of inlichtingen door de Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten aan de Algemene Rekenkamer: Het wetsvoorstel wordt naar verwachting in augustus 2013 bij de Tweede Kamer ingediend.
  • Wetsvoorstel ter aanvulling van de Wet op het financieel toezicht met regels met betrekking tot het verlenen van afwikkeldiensten en het toezicht daarop (32025): De bepalingen met betrekking tot het verlenen van afwikkeldiensten en het toezicht daarop worden meegenomen met het wetsvoorstel Wijzigingswet financiële markten 2014.

Europees wetgevingsprogramma financiële markten

Reeds aangenomen Europese regelgeving

  • RICHTLIJN 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvency II): Implementatiedatum uitgesteld tot 01-01- 2016
  • RICHTLIJN 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (AIFM): De wet ter implementatie van de AIFM- richtlijn is gepubliceerd in het Staatsblad en zal op 22 juli 2013 in werking treden.
  • RICHTLIJN 2011/89/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 houdende wijziging van de Richtlijnen 98/78/EG, 2002/87/EG, 2006/48/EG en 2009/138/EG betreffende het aanvullende toezicht op financiële entiteiten in een financieel conglomeraat (FICO I): Wetsvoor stel ligt bij de Tweede Kamer
  • RICHTLIJN 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013
betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (CRD IV): Ligt op schema, uiterste implementatiedatum is 31-12-2013
  • Richtlijn inzake kredietbeoordelaars (CRA III): ligt op schema, uiterste implementatiedtum is 21-12-2013
  • VERORDENING (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad
van 26 juni 2013
betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (CRR): uiterste implementatiedatum 01-01-2014
  • Verordening inzake kredietbeoordelaars (CRA III)
  • Verordening Short selling 

Verwachte Europese regelgeving

Richtlijnen

  1. Herziening Depositogarantiestelsel (DGS) Richtlijn: De onderhandelingen gaan de triloog fase in.
  2. MIFID Richtlijn + herziening huidige uitvoeringsrichtlijn
De MiFID reguleert beleggingsondernemingen (en handelsplatformen). De MiFID bestrijkt een groot aantal onderwerpen waaronder: infrastructuur handelsplatformen, pre- en post trade transparantie, data consolidatie, transactierapportages, regulering derivaten en een breed scala aan gedragsregels en consumentenbescherming: De onderhandelingen bevinden zich in de triloog fase.
  3. Omnibus II
  4. Hypothekenrichtlijn: Momenteel bevinden de onderhandelingen zich in de afrondende fase.
  5. Herziening Overnamerichtlijn: In de eerste helft van 2013 heeft de Europese Commissie een advies uitgebracht. Hierin concludeert de Europese Commissie om thans niet tot herziening van de Overnamerichtlijn over te gaan maar te volstaan met Europese verduidelijking op een enkel onderdeel. Momenteel wordt aan deze verduidelijking gewerkt (via onder meer ESMA en questionnaires van de Europese Commissie).
  6. Herziening Transparantierichtlijn: Naar verwachting wordt de herziene Transparantierichtlijn in de tweede helft van 2013 vastgesteld.
  7. Richtlijn informatiedocument voor verpakte beleggingsproducten (PRIPs): Momenteel in de onderhandelingsfase.
  8. Herziening Richtlijn Verzekeringstussenpersonen (IMD II): De onderhandelingen zijn in 2012 gestart en zullen op enig moment worden hervat.
  9. Herziening Activities and supervision of institutions for occupational retirement provision (IORPs) Richtlijn: Voorstel wordt in de tweede helft van 2013 verwacht.
  10. Bank Recovery Resolution Richtlijn
In het kader van crisismanagement: De onderhandelingen gaan de triloogfase in.
  11. Financiële Conglomeraten Richtlijn (FICO II): Er wordt gewacht op een Commissievoorstel.
  12. Securities Law Richtlijn: Over cross border effectentransacties en uitoefening van stemrechten 
  13. Investor Compensation Schemes (ICS)
  14. Verzekeringsgarantiestelsel Richtlijn (Insurance Guarantee Scheme – IGS): Er wordt gewacht op een Commissievoorstel.
  15. UCITS V: De onderhandelingen zijn in 2012 gestart en zullen op enig moment worden hervat.
  16. Accountants Richtlijn: Momenteel in de onderhandelingsfase.
  17. 4e antiwitwasrichtlijn: De onderhandelingen zijn recent gestart.
  18. Benchmarks: Het voorstel zal naar verwachting juli 2013 worden gepubliceerd. De onderhandelingen zullen naar verwachting in de tweede helft van 2013 beginnen.

Verordeningen

  1. Single Supervisory Mechanism: In april 2013 is een definitief akkoord bereikt tussen de Raad en het Europees Parlement (EP) over het juridisch kader van het SSM. Naar verwachting zal dit kader in september 2013 formeel worden aangenomen.
  2. MIFID Verordening + herziening huidige uitvoeringsverordening: Gekoppeld aan MIFID Richtlijn.
  3. Accountancy: Gekoppeld aan Accountants Richtlijn.
  4. Central Securities Depository
  5. Marktmisbruik: Momenteel in de onderhandelingsfase. De Raad en het Europees Parlement hebben een politiek akkoord bereikt maar de verordening wordt – gelet op de onderlinge samenhang - pas vastgesteld na de finalisering van de MIFID Richtlijn (en VO).

Bron: Wetgevingsbrief op het terrein van de financiële markten

Print Friendly and PDF ^