Witwassen van motorschepen via een buitenlandse vennootschap in Mega Ridderkerk: veroordeling via procesafspraken, en veroordeling en gedeeltelijke vrijspraak van de medeverdachte en zijn vennootschap

Rechtbank Rotterdam 14 juli 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:10424, ECLI:NL:RBROT:2026:10426 en ECLI:NL:RBROT:2026:10423

De rechtbank Rotterdam deed in het onderzoek Mega Ridderkerk drie samenhangende uitspraken over het witwassen van geld en motorschepen. De verdachte in de eerste zaak wordt via procesafspraken veroordeeld voor het medeplegen van witwassen en het feitelijk leidinggeven aan witwassen door een commanditaire vennootschap. Een medeverdachte, tevens uiteindelijk belanghebbende van een in een belastingparadijs gevestigde vennootschap, en die vennootschap zelf worden voor één zaaksdossier veroordeeld en voor het andere vrijgesproken. Die vrijspraak volgt omdat het Openbaar Ministerie de concrete en verifieerbare verklaring over de herkomst van het geld niet heeft onderzocht, zodat een legale herkomst niet is uit te sluiten. De rechtbank legt de eerste verdachte een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op en verklaart een motorschip verbeurd. De medeverdachte krijgt vijf maanden gevangenisstraf en de vennootschap een geldboete van € 50.000, beide lager dan geëist wegens de overschrijding van de redelijke termijn en de doorwerking van artikel 63 Sr.

Inleiding en context

De drie zaken maken deel uit van het onderzoek Mega Ridderkerk en worden op dezelfde dag beslist door dezelfde meervoudige kamer, in eerste aanleg en op tegenspraak, na het onderzoek op de zittingen van 28 mei en 14 juli 2026. In de zaak met ECLI:NL:RBROT:2026:10424 staat een natuurlijk persoon terecht, geboren in 1964, bijgestaan door mr. S.R. Bordewijk. Deze verdachte heeft met het Openbaar Ministerie procesafspraken gemaakt. De zaken met ECLI:NL:RBROT:2026:10426 en ECLI:NL:RBROT:2026:10423 betreffen een natuurlijk persoon, geboren in 1949, bijgestaan door mr. S. Kegreisz, en de door hem als uiteindelijk belanghebbende beheerde vennootschap, gevestigd in een belastingparadijs en op de zitting door hem vertegenwoordigd. In deze twee zaken zijn geen procesafspraken gemaakt. Het gemeenschappelijke feitencomplex betreft de aankoop van motorschepen met contant geld waarvan de criminele herkomst in geschil is, waarbij de buitenlandse vennootschap als witwasvehikel is gebruikt en valse facturen en vrachtbrieven zijn opgemaakt.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Centraal staat witwassen, strafbaar gesteld in de artikelen 420bis en 420quater Sr, in de varianten medeplegen (artikel 47 Sr) en feitelijk leidinggeven aan een verboden gedraging van een rechtspersoon (artikel 51 Sr). De eerste verdachte wordt drie witwasfeiten verweten: het medeplegen van witwassen van ongeveer € 273.250 en een motorschip in juni 2016, het feitelijk leidinggeven aan witwassen door de commanditaire vennootschap in de periode van 1 september 2017 tot en met 27 december 2018 en het medeplegen van witwassen van ongeveer € 390.000 en een motorschip eind 2018. Daarnaast wordt hem medeplegen van valsheid in geschrift verweten, bestaande uit valse CMR-vrachtbrieven. De medeverdachte en de buitenlandse vennootschap worden twee zaaksdossiers verweten: één met € 275.000 en een motorschip, en één met betalingen via de buitenlandse vennootschap, waaronder € 350.000, € 95.010, € 82.500 en € 12.500.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

In de eerste zaak rekwireert de officier van justitie overeenkomstig de procesafspraken: bewezenverklaring van de witwasfeiten, vrijspraak van de valsheid in geschrift, en een taakstraf van 240 uren met een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een proeftijd van één jaar. In de zaken van de medeverdachte en de vennootschap vordert de officier van justitie mr. S. Sondermeijer bewezenverklaring. Tegen de medeverdachte eist zij een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van € 100.000. Tegen de vennootschap eist zij een geldboete van € 350.000 en teruggave van het in beslag genomen bedrag van € 459.263,06.

Standpunt van de verdediging

In de eerste zaak voert de verdediging overeenkomstig de procesafspraken geen bewijs- en geen strafmaatverweren. Voor de medeverdachte en de vennootschap voert mr. Kegreisz een bewijsverweer: er is geen bewijs dat de voorwerpen uit misdrijf afkomstig zijn en evenmin van verhullingshandelingen, terwijl de verklaring over de legale herkomst concreet en verifieerbaar is en niet door het Openbaar Ministerie is weerlegd. De verdediging bepleit vrijspraak.

Oordeel gerecht

Bij de eerste verdachte toetst de rechtbank de procesafspraken. Zij is daarbij geen partij, stelt de vrijwilligheid, de bewustheid van de inhoud en de mogelijke gevolgen aan de orde en oordeelt dat de verdachte weloverwogen en vrijwillig heeft ingestemd en dat sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. In de zaken van de medeverdachte en de vennootschap stelt de rechtbank vast dat het dossier geen concreet gronddelict bevat. Zij loopt daarom het beoordelingskader voor witwassen zonder brondelict langs: bestaat een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen, geeft de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring, en heeft het Openbaar Ministerie die verklaring onderzocht. Voor het zaaksdossier met € 275.000 en een motorschip acht de rechtbank de verklaring van de medeverdachte, dat de buitenlandse vennootschap onderdelen in China inkocht voor een Nederlands bedrijf en daarvoor ongeveer € 900.000 met een marge van 20 tot 50 procent ontving, concreet en verifieerbaar, mede door zijn schriftelijke verklaring van 26 september 2023 en de bankafschriften die bij het Openbaar Ministerie berusten. Het Openbaar Ministerie heeft die verklaring niet geverifieerd, zodat een legale herkomst niet is uit te sluiten en een criminele herkomst niet de enige aanvaardbare verklaring is. Dat leidt tot vrijspraak van de medeverdachte en de vennootschap voor dit dossier. Voor het andere zaaksdossier oordeelt de rechtbank anders. De buitenlandse vennootschap is gevestigd in een belastingparadijs, ontplooit daar geen activiteiten en is niet actief in de scheepvaart, terwijl het vervoer van generatorsets aantoonbaar niet heeft plaatsgevonden, valse facturen en vrachtbrieven zijn opgemaakt en de omschrijvingen op de facturen niet stroken met de bankafschriften. Dat levert een gerechtvaardigd vermoeden op. De verklaring die de medeverdachte hierover ter zitting geeft, acht de rechtbank niet concreet, niet verifieerbaar en hoogst onwaarschijnlijk, mede omdat uit het andere dossier blijkt dat hij nauw bij de bedrijfsvoering en de geldstromen betrokken was. Het vermoeden is daarmee niet weerlegd en de criminele herkomst geldt als enige aanvaardbare verklaring. Bij de vennootschap spreekt de rechtbank daarnaast vrij voor € 350.000, € 65.000, € 21.010,36 en het motorschip, omdat de doorstortingen buiten de ten laste gelegde periode vallen.

Bewezenverklaring

Bewezen wordt verklaard:

  • ECLI:NL:RBROT:2026:10424: het medeplegen van witwassen van ongeveer € 273.250 en een motorschip (juni 2016); het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van witwassen door de commanditaire vennootschap van € 350.000, € 95.010, € 82.500 en € 12.500 (1 september 2017 tot en met 27 december 2018); en het medeplegen van witwassen van ongeveer € 390.000 en een motorschip (30 november tot en met 17 december 2018). Vrijspraak van medeplegen van valsheid in geschrift.

  • ECLI:NL:RBROT:2026:10426: het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van witwassen door de buitenlandse vennootschap van € 350.000, € 95.010, € 82.500, € 12.500, € 65.000, € 21.010,35 en € 2.362,50 (1 september 2017 tot en met 27 december 2018). Vrijspraak van medeplegen van witwassen van € 275.000 en een motorschip.

  • ECLI:NL:RBROT:2026:10423: het medeplegen van witwassen door de buitenlandse vennootschap van € 95.010, € 82.500, € 12.500 en € 2.362,50 (13 november 2017 tot en met 27 december 2018). Vrijspraak voor de overige bedragen, het motorschip en het andere zaaksdossier.

Strafoplegging en maatregelen

Aan de eerste verdachte legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren op, na aftrek van voorarrest 228 uren, met vervangende hechtenis voor 114 dagen, en een gevangenisstraf van zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar. Het in beslag genomen motorschip wordt als bijkomende straf bij het tweede feit verbeurd verklaard. De rechtbank betrekt de sterke doorwerking van artikel 63 Sr, nu na de bewezen feiten nog een vrijheidsstraf van drie jaar is opgelegd, en de forse overschrijding van de redelijke termijn; tegen die achtergrond doen de overeengekomen straffen voldoende recht aan de ernst van de feiten. Aan de medeverdachte legt de rechtbank een gevangenisstraf van vijf maanden op, lager dan de geëiste één jaar, omdat slechts één feit bewezen is en de redelijke termijn aanzienlijk is overschreden; artikel 63 Sr is van toepassing en voor een geldboete ziet de rechtbank geen aanleiding. De vennootschap krijgt een geldboete van € 50.000, lager dan de geëiste € 350.000, gelet op de gedeeltelijke bewezenverklaring en de overschrijding van de redelijke termijn; zij is niet eerder veroordeeld. De rechtbank heft het beslag op grond van artikel 94 Sv op en gelast teruggave van € 459.263,06, onverlet een mogelijk voortdurend beslag op grond van artikel 94a Sv.

Lees de volledige uitspraken hier: ECLI:NL:RBROT:2026:10424, ECLI:NL:RBROT:2026:10426 en ECLI:NL:RBROT:2026:10423.

Print Friendly and PDF ^