Witwasconstructie met fictieve facturen door rechtbank doorgeprikt
/Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1400
Rechtbank Den Haag veroordeelt een man wegens medeplegen van witwassen en valsheid in geschrift. De verdachte stort samen met anderen ruim 129.000 euro aan contant geld op diverse bankrekeningen. Deze geldbedragen worden vervolgens overgemaakt naar het buitenland met gebruik van valse facturen. De verdediging stelt dat sprake is van legale Hawala-transacties, maar dit wordt door de rechtbank verworpen. De verdachte krijgt 270 dagen gevangenisstraf, waarvan 173 dagen voorwaardelijk, mede wegens termijnoverschrijding. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte bewust en structureel heeft bijgedragen aan een criminele geldstroom.
Context van de zaak
De rechtbank Den Haag buigt zich over een strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1991 in het buitenland, woonachtig in Nederland. De verdachte wordt ervan verdacht actief te hebben deelgenomen aan een grootschalige witwasconstructie, waarbij aanzienlijke contante geldbedragen – meer dan 4,5 miljoen euro – via diverse zakelijke rekeningen werden gestort en overgemaakt naar het buitenland. De verdachte heeft dit volgens het Openbaar Ministerie (OM) samen met medeverdachten gedaan, onder wie bekenden en familieleden. Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij een valse factuur heeft (laten) opmaken om een bancaire transactie van 20.000 euro te rechtvaardigen. De strafzaak is behandeld in eerste aanleg door een meervoudige kamer van de strafrechtsector, op tegenspraak.
De tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat hij zich samen met anderen heeft schuldig gemaakt aan medeplegen van witwassen, bestaande uit het verwerven, voorhanden hebben, omzetten en gebruiken van geldbedragen die onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig zijn. Het gaat onder meer om contante stortingen op rekeningen van eenmanszaken en vennootschappen, alsook een geldbedrag van 33.300 euro dat bij zijn aanhouding in zijn bezit werd aangetroffen.
Daarnaast wordt hem verweten dat hij op 25 maart 2021 tezamen en in vereniging met anderen een valse factuur heeft opgemaakt ten behoeve van een buitenlandse betaling van 20.000 euro, met als doel een banktransactie aannemelijk te maken.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het OM acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Het wijst op de omvang van de contante stortingen, de wijze waarop deze zijn uitgevoerd (vaak in kleine bedragen en op verschillende tijdstippen en locaties), het gebruik van katvangers, en de gefingeerde facturen om deze transacties een schijn van legitimiteit te geven. De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 48 maanden.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging voert primair aan dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Subsidiair verzoekt de verdediging bij een veroordeling te volstaan met een werkstraf en een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf die gelijk is aan het voorarrest. Er zou sprake zijn van geldtransacties via het informele Hawala-systeem, dat niet zonder meer illegaal is. De verdachte zou slechts een ondergeschikte rol hebben gespeeld, geen crimineel verleden kennen en de redelijke termijn is fors overschreden.
Het oordeel van de rechtbank
Witwassen
De rechtbank oordeelt dat sprake is van een gestructureerde en gecoördineerde werkwijze waarbij contante geldbedragen zijn omgezet in giraal geld en overgemaakt naar buitenlandse rekeningen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte meerdere stortingen zelf heeft verricht of daarbij aanwezig is geweest, waarbij sprake was van nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten.
Volgens de rechtbank is er geen geloofwaardige verklaring voor de herkomst van de gelden gegeven. De verdediging beroept zich voor het eerst op zitting op het Hawala-bankieren, maar dit verweer wordt als hoogst onwaarschijnlijk van de hand gewezen. De verdachte heeft zich immers steeds op zijn zwijgrecht beroepen, en nadere verifieerbare informatie is uitgebleven.
De rechtbank acht het witwassen van een bedrag van 129.800 euro bewezen, deels gepleegd in vereniging met een medeverdachte.
Valsheid in geschrift
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 25 maart 2021, samen met medeverdachten, een factuur heeft laten opmaken waarin ten onrechte werd vermeld dat parfum ter waarde van 20.000 euro was geleverd. Deze valse factuur werd vervolgens door een medeverdachte ingediend bij een bank ter ondersteuning van een betaling. De verdachte heeft de opdracht daartoe verstrekt en de benodigde gegevens aangeleverd. De rechtbank stelt vast dat ook hier sprake is van nauwe en bewuste samenwerking.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Medeplegen van witwassen van geldbedragen, deels zelfstandig en deels samen met anderen;
Medeplegen van valsheid in geschrift, door betrokkenheid bij het opstellen en indienen van een valse factuur.
Strafoplegging
De rechtbank onderkent de ernst van de feiten. De verdachte heeft bijgedragen aan het verhullen van de criminele herkomst van geldbedragen, wat de integriteit van het financiële systeem aantast. Daarnaast heeft hij bewust meegewerkt aan een frauduleuze handeling richting een bankinstelling.
Toch ziet de rechtbank aanleiding tot een strafvermindering. De verdachte heeft geen strafblad voor soortgelijke feiten, en zijn rol wordt omschreven als faciliterend. Voorts is de redelijke termijn voor berechting overschreden met maar liefst twee jaar en negen maanden, zonder dat daarvoor een rechtvaardiging is gegeven.
Alles afwegende legt de rechtbank een gevangenisstraf op van 270 dagen, waarvan 173 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest. Daarbij geldt een proeftijd van twee jaren, met de algemene voorwaarde dat de verdachte zich in die periode niet opnieuw schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Lees hier de volledige uitspraak.
