Boekhouder helpt bij valse factuur en witwast 8.050 euro: gevangenisstraf ondanks blanco strafblad
/Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1399
Een boekhouder wordt veroordeeld voor het witwassen van 8.050 euro en het medeplegen van valsheid in geschrift. Hij maakt een valse factuur op voor een parfumlevering van 20.000 euro die nooit heeft plaatsgevonden. De factuur wordt gebruikt om een verdachte banktransactie te rechtvaardigen. In zijn ouderlijk huis wordt contant geld aangetroffen, waarvan de herkomst niet aannemelijk wordt verklaard. De rechtbank acht beide feiten bewezen ondanks het blanco strafblad van de verdachte. Hij krijgt 65 dagen gevangenisstraf opgelegd, met aftrek van voorarrest en strafvermindering wegens termijnoverschrijding.
Context van de zaak
De verdachte betreft een natuurlijk persoon, geboren in 1995, zonder strafrechtelijk verleden. Ten tijde van de strafbare feiten woont hij bij zijn ouders in ’s-Gravenhage en is hij werkzaam als zelfstandig boekhouder. In deze zaak staat hij terecht voor twee strafbare feiten: witwassen van een contant geldbedrag en medeplegen van valsheid in geschrift. Beide feiten vinden plaats in het voorjaar en de zomer van 2021 en hangen nauw samen met het opzetten van schijnconstructies met als doel crimineel geld wit te wassen.
Het strafrechtelijk onderzoek start na de aanhouding van een medeverdachte, bij wie de politie een telefoon in beslag neemt. De analyse van de inhoud onthult uitgebreide WhatsApp-gesprekken tussen de verdachte en de medeverdachte. Hierin bespreken zij plannen om meerdere bedrijven op te richten, facturen op te stellen en grote geldstromen op afstand te beheren. Ze spreken over het ontvangen van "een maandelijks salaris van 25.000", over het belang van voorzichtigheid ("je moet slim zijn") en over toekomstige rijkdom (“500.000 in zes maanden”). De medeverdachte stelt dat hij een boekhouder regelt – doelend op de verdachte – en dat zij geld “pakken van afstand”. De verdachte gaat akkoord, mits hij alleen vanuit kantoor en met papieren werkt.
Op 25 maart 2021 vraagt de medeverdachte aan de verdachte om een factuur op te stellen voor een Italiaanse onderneming (Srl) aan een Nederlandse firma voor de levering van parfums ter waarde van 20.000 euro. Aanleiding is een blokkade van een internationale betaling door de Regiobank, die documentatie verlangt om de transactie te kunnen verantwoorden. De verdachte, als boekhouder, levert diezelfde avond een factuur aan waarin de levering van parfums wordt bevestigd. Deze factuur wordt vervolgens gebruikt richting de bank, hoewel van enige daadwerkelijke levering geen sprake is.
Enkele maanden later, op 30 juni 2021, wordt tijdens een doorzoeking in de woning van de ouders van de verdachte een bedrag van 10.050 euro aan contant geld aangetroffen in een doos met kleding. De moeder verklaart dat 2.000 euro van haar is, gepind voor vakantie. De verdachte stelt tijdens de zitting dat het overige bedrag van hem is en dat hij dit over een langere periode contant heeft opgenomen voor de financiering van zijn huwelijk. Ondersteunende documenten worden pas de dag vóór de zitting overgelegd, waardoor nader onderzoek onmogelijk is.
Uit telefoontaps blijkt bovendien dat de moeder van de verdachte zich zorgen maakt over zijn betrokkenheid bij ‘zaken van anderen’ en het risico dat facturen op zijn adres bezorgd worden. De verdachte stelt in dat gesprek dat hij “goed behandeld wordt” door zijn medeverdachte(n) en dat hij “50 heeft verdiend”, kennelijk doelend op 50.000 euro.
De tenlastelegging
De verdachte wordt verweten dat:
Hij op 30 juni 2021 in ’s-Gravenhage een geldbedrag van circa 10.000 euro heeft witgewassen, door dit voorhanden te hebben terwijl hij wist dat het uit misdrijf afkomstig was;
Hij op 25 maart 2021 samen met een ander een valse factuur heeft opgemaakt voor een levering van parfums van 20.000 euro, terwijl er in werkelijkheid geen sprake was van een levering of transactie, hetgeen valsheid in geschrift oplevert.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht beide tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Gelet op de aard van de feiten en de uitvoerende rol van de verdachte, vordert het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 65 dagen. Daarbij houdt de officier al rekening met een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit vrijspraak van beide feiten. Subsidiair wordt verzocht om een taakstraf van 130 uur in plaats van een gevangenisstraf. Aangevoerd wordt dat de verdachte sinds zijn aanhouding zijn leven heeft verbeterd, meerdere diploma’s heeft behaald en dat een taakstraf een VOG minder in de weg staat dan een detentie. De verdachte verklaart dat het geld uit spaargeld afkomstig is en dat het op een cultuur gebonden gewoonte is om contant te sparen. Ten aanzien van de factuur stelt hij slechts een vriendendienst te hebben verleend zonder kwade opzet.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat beide feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
Ten aanzien van feit 1 (witwassen) stelt de rechtbank vast dat de verklaringen van de verdachte over de herkomst van het geld niet voldoende verifieerbaar en geloofwaardig zijn. Hoewel 2.000 euro van het bedrag mogelijk afkomstig is van de moeder, kan de verdachte geen overtuigende verklaring geven voor het resterende bedrag van 8.050 euro. Bovendien blijkt uit bankafschriften dat hij ook regelmatig geld op zijn rekening stortte, hetgeen niet strookt met zijn bewering dat hij geld juist contant spaarde. Omdat de verdachte pas op zitting zijn verklaring geeft, is nader onderzoek niet mogelijk. De rechtbank acht het witwassen van 8.050 euro bewezen.
Ten aanzien van feit 2 (valsheid in geschrift) acht de rechtbank eveneens bewezen dat de verdachte bewust en in nauwe samenwerking met zijn medeverdachte een valse factuur heeft opgesteld. Als boekhouder had hij moeten beseffen dat het opmaken van een factuur zonder feitelijke grondslag – en bestemd voor gebruik bij de bank – strafbaar is. De rechtbank acht het medeplegen van dit feit bewezen, gezien de uitvoerende rol van de verdachte en het doelgerichte gebruik van zijn expertise.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte:
Op 30 juni 2021 een bedrag van 8.050 euro heeft witgewassen;
Op 25 maart 2021 samen met een medeverdachte een valse factuur heeft opgemaakt.
De strafoplegging
De rechtbank rekent de verdachte zwaar aan dat hij, als boekhouder, zijn kennis en kunde heeft ingezet ten dienste van witwasconstructies en financiële fraude. Dergelijke gedragingen ondermijnen het vertrouwen in het financiële stelsel. Het opmaken van valse facturen draagt bovendien bij aan het verhullen van criminele geldstromen.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met het blanco strafblad van de verdachte, het ontbreken van verdere problematiek en zijn positieve persoonlijke ontwikkeling na de feiten. De overschrijding van de redelijke termijn – meer dan tweeënhalf jaar – leidt tot strafvermindering.
Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank desondanks van oordeel dat niet kan worden volstaan met een taakstraf. Alles afwegende wordt een gevangenisstraf opgelegd van 65 dagen, met aftrek van het reeds ondergane voorarrest.
Beslagbeslissing
Van het in beslag genomen bedrag van 10.050 euro wordt 8.050 euro verbeurd verklaard, omdat dit bedrag direct verband houdt met het bewezen verklaarde witwassen. De resterende 2.000 euro wordt teruggegeven aan de moeder van de verdachte, nu voldoende aannemelijk is dat dit bedrag een legale herkomst heeft.
Lees hier de volledige uitspraak.
