Bezwaarschrift over afgewezen onderzoekswensen faalt wegens vroege kennisgeving OM

Rechtbank Amsterdam 2 december 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:10995

Rechtbank Amsterdam verklaart een bezwaarschrift van een verdachte niet-ontvankelijk. Het bezwaarschrift richt zich tegen de weigering van de rechter-commissaris om verzochte onderzoekshandelingen te verrichten. De verdediging wilde onder meer toegang tot stukken en beantwoording van vragen voorafgaand aan een getuigenverhoor. Volgens de rechtbank was de rechter-commissaris daartoe niet meer bevoegd na de kennisgeving van het OM op 3 maart 2025. Die kennisgeving sloot verdere onderzoeksverzoeken in de voorfase uit, waardoor het bezwaar procesrechtelijk faalt.

Context van de zaak

In deze beschikking buigt de rechtbank Amsterdam zich over een bezwaarschrift op grond van artikel 182, zesde lid, Wetboek van Strafvordering. Het bezwaar is ingediend door een natuurlijk persoon (de bezwaarde), vertegenwoordigd door zijn raadslieden mr. J.T.E. Vis en mr. B.J.G.L. Jaeger, beiden advocaat te Amsterdam. Het bezwaar is gericht tegen de beslissing van de rechter-commissaris om geen gevolg te geven aan door de verdediging verzochte onderzoekshandelingen in het kader van een lopend strafrechtelijk onderzoek.

De strafzaak bevindt zich nog in de voorfase. De bezwaarde is nog niet gedagvaard, maar het Openbaar Ministerie heeft in een brief van 3 maart 2025 aangekondigd hiertoe voornemens te zijn. Die mededeling speelt een centrale rol in de beoordeling van het bezwaar.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich primair op het standpunt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is. De mededeling van 3 maart 2025 – waarin wordt meegedeeld dat het OM voornemens is de bezwaarde te dagvaarden – kwalificeert volgens het OM als een kennisgeving in de zin van artikel 238 lid 2 Sv. Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:505) stelt het OM dat na een dergelijke kennisgeving geen ruimte meer bestaat voor verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen in het kader van het gerechtelijk vooronderzoek.

Subsidiair acht het OM het bezwaar ongegrond, aangezien de verzochte informatie niet valt onder het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 132 Sv. Het OM wijst er verder op dat er geen onderzoekshandelingen zijn verricht met betrekking tot de stichting waarover de verdediging informatie wenst, en dat er dus ook geen processtukken zijn waar het OM zich op zou kunnen beroepen om deze aan de verdediging te onthouden.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stelt zich primair op het standpunt dat de brief van het Openbaar Ministerie van 3 maart 2025 geen kennisgeving is in de zin van artikel 238 lid 2 Sv. De mededeling is volgens haar gedaan in een te vroeg stadium, waarin nog geen sprake kan zijn van een afgewogen vervolgingsbeslissing. Bovendien heeft het OM na 3 maart 2025 zelf nog onderzoekswensen bij de rechter-commissaris ingediend, hetgeen volgens de verdediging bevestigt dat ook het OM de brief niet als kennisgeving in de zin van artikel 238 lid 2 Sv beschouwt.

Ten aanzien van de inhoud van het bezwaar voert de verdediging aan dat de rechter-commissaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verzochte onderzoekshandelingen zijn afgewezen. Subsidiair verzoekt de verdediging om het bezwaarschrift aan te houden en de behandeling daarvan over te laten aan de zittingscombinatie die de strafzaak uiteindelijk inhoudelijk zal behandelen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt tot het oordeel dat de brief van het Openbaar Ministerie van 3 maart 2025 wél als een kennisgeving in de zin van artikel 238 lid 2 Sv moet worden aangemerkt. De overweging dat het dossier op dat moment nog niet compleet was, doet daar volgens de rechtbank niet aan af.

In lijn met het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 betekent deze kennisgeving dat de rechter-commissaris niet langer bevoegd is om te beslissen op verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen die ná deze kennisgeving worden ingediend. Hoewel de rechter-commissaris zich in dit geval toch bevoegd achtte, onder meer omdat hierover overleg is geweest met de zittingscombinatie, merkt de rechtbank op dat het arrest van de Hoge Raad geen ruimte laat voor een dergelijke uitzondering. De rechter-commissaris had zich dus onbevoegd moeten verklaren en geen inhoudelijke beslissing mogen nemen.

De rechtbank stelt vast dat zijzelf evenmin bevoegd is om kennis te nemen van de afwijzing van de onderzoekswensen door de rechter-commissaris. Het bezwaarschrift wordt dan ook niet-ontvankelijk verklaard.

Overwegingen ten aanzien van de procedurele gang van zaken

De rechtbank plaatst in haar beschikking kritische kanttekeningen bij de gevolgde werkwijze van het Openbaar Ministerie. Het OM heeft de kennisgeving zeer vroegtijdig afgegeven – maanden vóór een daadwerkelijke dagvaarding en zonder dat een regiezitting gepland is. Volgens de rechtbank werkt een dergelijke vroege kennisgeving mogelijk contraproductief, omdat het leidt tot procedurele beperkingen in de voorfase. Hierdoor zou een impasse kunnen ontstaan die het onderzoek en de voortgang van de strafzaak belemmert.

De rechtbank erkent het belang van de verdediging bij het kunnen doen uitvoeren van onderzoek in de voorfase. Zij overweegt expliciet dat het uitblijven van onderzoeksfaciliteiten voor de verdediging in dit stadium de verdedigingsrechten onder druk kan zetten. Toch ziet de rechtbank hierin geen reden om af te wijken van het arrest van de Hoge Raad en het bezwaar ontvankelijk te verklaren.

Wel merkt de rechtbank op dat het zich kan voorstellen dat het reeds geplande getuigenverhoor wordt uitgesteld tot na de regiezitting, zodat de verdediging aldaar haar onderzoekswensen opnieuw kan indienen en laten toetsen.

Conclusie

De rechtbank verklaart de bezwaarde niet-ontvankelijk in zijn bezwaarschrift, gelet op de kennisgeving van het Openbaar Ministerie van 3 maart 2025 en het arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:505). Er is geen ruimte om in deze fase nog verzoeken tot het verrichten van onderzoekshandelingen aan de rechter-commissaris voor te leggen. Eventuele onderzoekswensen kunnen aan de orde worden gesteld tijdens de regiezitting door de zittingscombinatie die de strafzaak zal behandelen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^