Hof: Voorhanden hebben van valse geschriften valt buiten vervolgingsuitsluitingsgrond artikel 69 lid 4 AWR
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27 mei 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:3362
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat het enkel voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften niet binnen de reikwijdte van de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR valt. Anders dan de rechtbank Overijssel acht het hof het Openbaar Ministerie daarom ontvankelijk in de vervolging van het onder 1 primair tenlastegelegde. De verdachte heeft 26 deels valse facturen voorhanden gehad, terwijl hij wist dat deze waren bestemd om als echt en onvervalst te gebruiken. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van feit 2 wegens het ontbreken van bezwaren. Met toepassing van artikel 423, vierde lid Sv bepaalt het hof voor het onder 2 bewezenverklaarde feit een taakstraf van 80 uren. Mede vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn legt het hof voor feit 1 een taakstraf van 20 uren op, te vervangen door 10 dagen hechtenis.
Inleiding en context
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, behandelt in hoger beroep een strafzaak tegen een natuurlijk persoon, geboren in 1966. De zaak betreft het hoger beroep van de officier van justitie tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 7 februari 2022. De rechtbank heeft het Openbaar Ministerie destijds niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het onder 1 primair tenlastegelegde, en heeft de verdachte voor het onder 1 subsidiair en het onder 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis.
De officier van justitie heeft onbeperkt hoger beroep ingesteld. Ter zitting van het hof brengt de advocaat-generaal evenwel naar voren dat er geen bezwaren meer bestaan tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde, en dat het hoger beroep in wezen uitsluitend is ingesteld om een oordeel van het hof te verkrijgen over de vraag of het voorhanden hebben van valse geschriften valt onder de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR. Het hof verklaart het Openbaar Ministerie ter zitting niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen feit 2, zodat dit feit niet langer aan het oordeel van het hof is onderworpen. De inhoudelijke beoordeling beperkt zich aldus tot het onder 1 primair tenlastegelegde.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt onder 1 primair verweten dat hij in de periode van 20 januari 2017 tot en met 6 april 2021, al dan niet in vereniging met anderen, opzettelijk een aantal geschriften, te weten 26 facturen, voorhanden heeft gehad, terwijl die facturen een onjuiste datum, een onjuist verkoopbedrag en/of een onjuist bedrag aan te betalen btw bevatten, en terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken. Dit feit is toegesneden op artikel 225, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Het onder 1 subsidiair tenlastegelegde ziet op het valselijk opmaken of vervalsen van diezelfde facturen en het opnemen daarvan in de bedrijfsadministratie, in de zin van artikel 225, eerste lid Sr.
Het onder 2 tenlastegelegde, dat door de rechtbank bewezen is verklaard en in hoger beroep niet meer voorligt, betreft het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting in de periode van 11 april 2017 tot en met 27 januari 2020, strafbaar gesteld in artikel 69, tweede lid AWR. Centraal in hoger beroep staat de verhouding tussen artikel 225, tweede lid Sr en de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 1 primair tenlastegelegde. Zij voert daartoe aan dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR niet van toepassing is op het voorhanden hebben van valse geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid Sr. Ter onderbouwing verwijst zij naar de wetsgeschiedenis bij artikel 225 Sr en artikel 69, vierde lid AWR, naar twee arresten van het hof Amsterdam en naar relevante literatuur. Inhoudelijk vordert de advocaat-generaal veroordeling ter zake van het onder 1 primair en het onder 2 tenlastegelegde tot een taakstraf van 100 uren, te vervangen door 50 dagen hechtenis.
Standpunt van de verdediging
De raadsman stelt zich op het standpunt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard op grond van artikel 69, vierde lid AWR. Ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde voorhanden hebben van valse geschriften voert de verdediging geen bewijsverweren.
Oordeel gerecht
Het hof stelt voorop dat de centrale vraag is of de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69, vierde lid AWR van toepassing is bij het enkel voorhanden hebben van valse of vervalste geschriften in de zin van artikel 225, tweede lid Sr, in het geval dat die geschriften niet of pas op een later moment tegenover de fiscus zijn gebruikt.
Artikel 69, vierde lid AWR bepaalt dat strafvervolging op grond van artikel 225, tweede lid Sr is uitgesloten indien het feit zowel valt onder een van de bepalingen van artikel 69, eerste of tweede lid AWR als onder artikel 225, tweede lid Sr. Het hof overweegt dat deze regeling slechts van toepassing is op het gebruikmaken van valselijk opgemaakte geschriften, terwijl de delictsomschrijving van artikel 225 Sr daarnaast ook het voorhanden hebben van dergelijke geschriften omvat. Het onder 1 primair tenlastegelegde behelst het verwijt dat de verdachte de facturen voorhanden heeft gehad met het doel deze als echt en onvervalst te gebruiken.
Naar het oordeel van het hof valt dit enkele voorhanden hebben niet onder artikel 69, tweede lid AWR, en evenmin onder een van de andere bepalingen van het eerste of tweede lid van artikel 69 AWR, nu een dergelijke handeling niet actief tegenover de fiscus wordt verricht. Strafvervolging ter zake van het voorhanden hebben op grond van artikel 225, tweede lid Sr is daarom niet uitgesloten op de voet van artikel 69, vierde lid AWR. Anders dan de rechtbank concludeert het hof dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is in de vervolging van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Nu de verdediging geen bewijsverweren heeft gevoerd, acht het hof op grond van de wettige bewijsmiddelen en het verhandelde ter zitting wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte feit 1 primair heeft begaan. Het bewezenverklaarde kwalificeert het hof als het opzettelijk voorhanden hebben van een geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid Sr, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat hij:
in de periode van 20 januari 2017 tot en met 6 april 2021 in Nederland, al dan niet in vereniging met anderen, opzettelijk 26 facturen voorhanden heeft gehad die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen
onder die facturen onder meer zeven met name aangeduide facturen vallen, gedateerd tussen 12 januari 2017 en 8 februari 2019
de valsheid daarin bestaat dat op een of meer van die facturen een onjuiste datum, een onjuist verkoopbedrag en/of een onjuist bedrag aan te betalen btw stond vermeld
hij en/of zijn mededaders wisten of redelijkerwijs moesten vermoeden dat die geschriften bestemd waren om als echt en onvervalst te gebruiken
Het hof spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd dan bewezen is verklaard.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof past artikel 423, vierde lid Sv toe en bepaalt eerst de straf voor het onder 2 bewezenverklaarde feit, dat door de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in het hoger beroep niet meer aan het oordeel van het hof is onderworpen. Bij die strafbepaling let het hof uitsluitend op de feiten en omstandigheden zoals deze golden ten tijde van de zitting in eerste aanleg op 7 februari 2022, en bepaalt het de straf voor feit 2 op een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis.
Voor het onder 1 bewezenverklaarde feit overweegt het hof dat de verdachte het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in de echtheid van geschriften ernstig heeft beschaamd. Het hof houdt rekening met het strafblad van de verdachte, waaruit blijkt dat hij na deze feiten niet opnieuw is veroordeeld en dat artikel 63 Sr van toepassing is, alsmede met de door de verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid EVRM is overschreden met 2 jaren, 3 maanden en 13 dagen, nu de officier van justitie op 14 februari 2022 hoger beroep heeft ingesteld en het eindarrest dateert van 27 mei 2026.
Het hof acht, gelet op het tijdsverloop en op de omstandigheid dat het hoger beroep uitsluitend is ingesteld om een rechtsoordeel te verkrijgen over de reikwijdte van artikel 69, vierde lid AWR, een voorwaardelijke gevangenisstraf niet meer aan de orde. Mede vanwege de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn legt het hof voor feit 1 een taakstraf van 20 uren op, te vervangen door 10 dagen hechtenis, met aftrek van het voorarrest naar de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag. De straf en de strafbepaling zijn gebaseerd op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 225 Sr, artikel 423 Sv en artikel 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
