Vrijspraak van niet-ambtelijke omkoping en veroordeling voor medeplegen van valsheid in geschrift bij valse facturen tussen gelieerde ondernemingen

Rechtbank Oost-Brabant 18 juni 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:4374

De rechtbank veroordeelt een verdachte voor het medeplegen van valsheid in geschrift en spreekt hem vrij van passieve niet-ambtelijke omkoping. De verdachte laat vanuit zijn persoonlijke holding twee valse facturen sturen aan de onderneming van zijn medeverdachte, voor in totaal ruim € 100.000, zonder dat daar werkzaamheden tegenover staan. Het geld is afkomstig van de onderneming waarvan de verdachte zelf mede-eigenaar is, vlak voordat deze wordt verkocht. De rechtbank oordeelt dat de betalingen geen giften of beloften in de zin van artikel 328ter Sr zijn, maar zelfverrijking ten koste van de eigen onderneming. De facturen zijn valselijk opgemaakt omdat de vermelde werkzaamheden en specificatie ontbreken. De rechtbank legt een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, lager dan de eis, mede wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Inleiding en context

De zaak speelt bij de meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant in eerste aanleg. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1959. Hij is mede-eigenaar van een onderneming die 6500 metrische ton bio mais koopt van de onderneming van een medeverdachte, die daarvan bestuurder is. Over die koop onderhandelt de verdachte zelf. Op zijn verzoek berekent de verkopende onderneming een hoger bedrag dan eerder geoffreerd, een opslag van € 15 per metrische ton, in totaal € 97.500. Dat bedrag wordt in opdracht van de medeverdachte en op verzoek van de verdachte overgeboekt naar de persoonlijke holding van de verdachte. Ter onderbouwing van die overboekingen stuurt de verdachte facturen aan de onderneming van de medeverdachte. De medeverdachte erkent bij de FIOD aanvankelijk dat de facturen betrekking hebben op de meerprijs van de bio mais, maar komt later, bij de rechter-commissaris en ter zitting, op die verklaring terug en stelt dat de verdachte advieswerkzaamheden zou hebben verricht. De rechtbank volgt die gewijzigde verklaring niet en acht haar ongeloofwaardig, omdat de eerste verklaring aansluit bij de berichten van de medeverdachte aan zijn accountants en bij de onderlinge berichten tussen de verdachte en de medeverdachte over de facturen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij zich schuldig maakt aan passieve niet-ambtelijke omkoping. Het gaat om het aannemen of vragen van giften, te weten de betaling van € 48.400 en de betaling van € 69.575, en het in strijd met de goede trouw verzwijgen daarvan tegenover zijn werkgever of lastgever. Het centrale delictsbestanddeel van artikel 328ter Sr is dat een gift of belofte wordt aangenomen of gevraagd naar aanleiding van enig handelen of nalaten in strijd met de plicht die de verdachte in zijn hoedanigheid heeft. Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij, tezamen en in vereniging met een ander, twee valse facturen valselijk opmaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken. Het gaat om een factuur van € 48.400 met de omschrijving "Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie" en een factuur van € 69.575 met de omschrijving "Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen". Artikel 225 Sr en het medeplegen van artikel 47 Sr vormen het wettelijk kader van dit feit.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden. De officier van justitie vordert een taakstraf voor de duur van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van acht maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van beide ten laste gelegde feiten op de in de pleitnota genoemde gronden en de daarop ter terechtzitting gegeven aanvullingen. Voorwaardelijk, voor het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de verdediging de getuigen te horen die eerder bij de rechter-commissaris zijn verzocht, omdat deze zouden kunnen verklaren over de advieswerkzaamheden die de verdachte zou hebben verricht. De verdediging voert geen strafmaatverweer.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Gronden voor schorsing van de vervolging zijn er niet.

Voor feit 1 oordeelt de rechtbank dat geen sprake is van een gift of belofte die is aangenomen of gevraagd naar aanleiding van handelen of nalaten in strijd met de plicht van de verdachte. Niet in geschil is dat de ondernemingen van de verdachte en de medeverdachte al jarenlang een zakelijke relatie onderhouden. Uit het dossier blijkt niet dat die relatie door de beschreven constructie is beïnvloed, en evenmin dat zij zonder die constructie zou zijn beëindigd of gewijzigd. De betalingen zijn daarom niet gedaan naar aanleiding van enig handelen of nalaten van de medeverdachte in zijn hoedanigheid van directeur. De gelden zijn bovendien niet afkomstig van de onderneming van de medeverdachte, maar van de onderneming waarvan de verdachte zelf mede-eigenaar is. De rechtbank merkt de betalingen aan als zelfverrijking van de verdachte ten koste van die onderneming en niet als een door de medeverdachte aangeboden vergoeding ter beïnvloeding van zijn handelen. De betalingen zijn daarmee geen giften of beloften in de zin van artikel 328ter Sr, zodat de rechtbank de verdachte van feit 1 vrijspreekt.

Voor feit 2 overweegt de rechtbank dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de facturen geen betrekking hebben op door de verdachte verrichte werkzaamheden en dat de verdachte heeft aangestuurd op het sturen van een fee-factuur in ruil voor het berekenen van een hogere inkoopprijs. Uit een e-mailbericht van de medeverdachte aan zijn eerste accountant blijkt dat een specificatie bij de facturen ontbreekt. De factuur van € 48.400 is daarom valselijk opgemaakt, nu daarvoor geen werkzaamheden zijn verricht en geen specificatie is opgemaakt. Omdat de factuur van € 69.575 met de woorden "Aanvulling op Fee 2018" verwijst naar de eerdere factuur, en ook hiervoor geen werkzaamheden zijn verricht en geen specificatie is opgemaakt, is ook deze factuur valselijk opgemaakt. Het oogmerk om de facturen als echt en onvervalst te doen gebruiken leidt de rechtbank af uit het gegeven dat de verdachte de facturen opstelt en verstuurt met het doel deze te laten voldoen. Omdat de verdachte en de medeverdachte de constructie en de facturen bewust en in nauwe samenwerking opzetten, is sprake van medeplegen. De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het voorwaardelijk verzoek tot het horen van getuigen wijst de rechtbank af. De maatstaf is het noodzakelijkheidscriterium van artikel 315 Sv. De tenlastelegging ziet op de valsheid van twee specifieke facturen, en de rechtbank heeft vastgesteld dat die facturen geen betrekking hebben op door de verdachte uitgevoerde werkzaamheden. Of de verdachte in algemene zin advieswerkzaamheden heeft verricht, is voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv niet relevant. De noodzaak van het horen van de getuigen is de rechtbank niet gebleken. De overige verweren merkt de rechtbank aan als bewijsverweren die hun weerlegging vinden in de inhoud van de bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht ten aanzien van feit 2 wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, valse geschriften valselijk opmaakt met het oogmerk deze als echt en onvervalst te gebruiken, te weten:

  • een factuur met factuurnummer 201801 van de holding van de verdachte aan de onderneming van de medeverdachte van 14 december 2018, waarop wordt vermeld dat € 48.400 moet worden betaald met de omschrijving "Fee 2018 voor verrichte werkzaamheden m.b.t. verkoop grondstoffen volgens specificatie", terwijl deze werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht en deze specificatie niet is opgemaakt;

  • een factuur met factuurnummer 202001 van de holding van de verdachte aan de onderneming van de medeverdachte van 2 oktober 2020, waarop wordt vermeld dat € 69.575 moet worden betaald met de omschrijving "Aanvulling op Fee 2018 m.b.t. verkoop grondstoffen", terwijl deze aanvullende werkzaamheden in werkelijkheid niet zijn verricht en een aanvullende specificatie niet is opgemaakt.

Van feit 1 spreekt de rechtbank de verdachte vrij. Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf medeplegen van valsheid in geschrift. Er zijn geen feiten of omstandigheden die de strafbaarheid van het feit of van de verdachte uitsluiten.

Strafoplegging en maatregelen

Bij de strafoplegging let de rechtbank op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, het wettelijke strafmaximum, de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. De verdachte onttrekt door middel van twee valse facturen ruim € 100.000 aan zijn eigen onderneming, vlak voordat deze aan een derde partij wordt verkocht, waardoor zowel de vennootschap als de koper wordt benadeeld. De rechtbank overweegt dat valsheid in geschrift het maatschappelijke vertrouwen in schriftelijke bescheiden ondermijnt en dat de verdachte dit vertrouwen doelgericht heeft misbruikt voor eigen financieel gewin. Dat de verdachte de initiatiefnemer is en degene die financieel voordeel heeft gehad, rekent de rechtbank hem in strafverzwarende zin aan.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op 6 november 2023 aanvangt met de doorzoeking van de woning van de verdachte. Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaar is deze met ruim zeven maanden geschonden, waarmee de rechtbank bij de straf rekening houdt. Gezien het lange tijdsverloop en de ouderdom van de feiten legt de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. Zij acht een taakstraf passend en geboden, met vervangende hechtenis voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren vervult. Uit het oogpunt van normhandhaving kan niet worden volstaan met enkel een taakstraf, zodat de rechtbank daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf oplegt.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, onder de voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt. De beslissing is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 225 Sr. De rechtbank legt een lagere straf op dan de officier van justitie eist, omdat zij de verdachte van feit 1 vrijspreekt, rekening houdt met de overschrijding van de redelijke termijn en deze straf de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^