Vrijspraak van medeplegen bij de belastingfraude, veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan valse vleesfacturen en vrachtbrieven ten behoeve van factoring en aan onjuiste aangiften omzetbelasting

Rechtbank Oost-Brabant 14 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6600

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt een verdachte in het onderzoek Illminster voor feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift en aan het opzettelijk doen van onjuiste kwartaalaangiften omzetbelasting door een rechtspersoon. Het bedrijf factureert in 2019 grote partijen vlees aan twee tussenschakels, die het vlees op papier doorverkopen aan een vierde onderneming, waarna het bedrijf het tegen een hogere prijs terugkoopt. In werkelijkheid wordt geen vlees geleverd; de facturen dienen om via factormaatschappijen betaald te krijgen. De onjuiste facturen zijn ook verwerkt in de aangiften omzetbelasting, waardoor de Belastingdienst € 237.904,54 misloopt. De rechtbank stelt vast dat de verdachte feitelijk de leiding had, ook al treedt hij pas in 2020 formeel als directeur aan. Wegens overschrijding van de redelijke termijn en de ouderdom van de feiten volgt een taakstraf van 180 uur in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1980. De zaak maakt deel uit van het onderzoek Illminster en is bij dagvaarding van 10 maart 2026 aanhangig gemaakt. De rechtbank wijst vonnis in eerste aanleg, op tegenspraak, na de terechtzitting van 31 augustus 2026. Het bedrijf waarvan de verdachte de feitelijk leidinggever zou zijn, is opgericht op 25 januari 2016 en staat in het handelsregister ingeschreven als organisatieadviesbureau en groothandel in voedings- en genotmiddelen. In 2019 stuurt het bedrijf facturen voor de verkoop van grote partijen vlees aan twee andere ondernemingen. Die verkopen het vlees volgens de papieren door aan een vierde onderneming, waarna het bedrijf het terugkoopt. De facturen van het bedrijf worden via factoring ingediend bij factormaatschappijen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij feitelijk leiding heeft gegeven aan drie door de rechtspersoon begane misdrijven. Feit 1 betreft het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin vijf verkoopfacturen uit de periode 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019 op te nemen die vermelden dat vlees is geleverd, terwijl geen vlees is geleverd (artikel 225 Sr). Feit 2 betreft op dezelfde grondslag vijf CMR's of vrachtbrieven uit de periode 18 februari 2019 tot en met 6 december 2019 voor vervoer van vlees dat niet heeft plaatsgevonden. Feit 3 betreft het opzettelijk onjuist doen van de vier kwartaalaangiften omzetbelasting over 2019, door een te hoog bedrag aan voorbelasting en een te laag bedrag aan te betalen omzetbelasting op te geven, terwijl dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven (artikelen 68 en 69 AWR). Bij alle feiten is medeplegen ten laste gelegd en is de verdachte gedagvaard als opdrachtgever of feitelijk leidinggever in de zin van artikel 51 Sr.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden en vordert een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

Door of namens de verdachte worden geen inhoudelijke bewijsverweren gevoerd en wordt geen strafmaatverweer gevoerd. Uit het vonnis blijkt wel dat de verdediging, evenals de officier van justitie, het standpunt inneemt dat de redelijke termijn is overschreden.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is en dat er geen gronden zijn voor schorsing van de vervolging.

Omdat de verdachte wordt vervolgd als feitelijk leidinggever, beoordeelt de rechtbank eerst of het bedrijf als rechtspersoon een verboden gedraging heeft verricht. Uit de verklaringen van de bestuurders van de twee tussenschakels en de vierde onderneming volgt dat het over en weer verkochte vlees nooit daadwerkelijk is geleverd of van eigenaar is gewisseld. Het bedrijf creëert een papieren werkelijkheid waarin vlees lijkt te worden vervoerd en verkocht, zodat over en weer vorderingen ontstaan die ter vooruitbetaling bij factormaatschappijen worden ingediend. Bij een van de tussenschakels vindt in werkelijkheid alleen een dienst plaats, het versnijden van vlees, of gebeurt er niets. Volgens de papieren komt het vlees uiteindelijk weer in eigendom van het bedrijf, dat het tegen een hogere prijs terugkoopt. Van een legitieme bedrijfseconomische reden is niets gebleken. De eigenaar van de ene tussenschakel verklaart dat hij binnen het proces niets deed; de door de Belastingdienst gehoorde betrokkenen hebben nooit een levering gezien. De andere tussenschakel had kunnen volstaan met het factureren van versnijdingskosten, maar maakt op aandringen van de verdachte verkoopfacturen op. Het initiatief gaat volgens de rechtbank telkens uit van het bedrijf, dat ook het geld van de factormaatschappij ontvangt en doorboekt naar de overige betrokkenen.

Voor feit 3 overweegt de rechtbank dat in de carrousel geen eigendomsoverdracht en dus geen verkoop plaatsvindt, zodat alle betalingen en ontvangsten van omzetbelasting op valse facturen berusten. Dat maakt ook de daarop gebaseerde aangiften vals. Het kan redelijkerwijs niet anders zijn dan dat het bedrijf de aangiften opzettelijk onjuist heeft gedaan, nu het initiatief tot de fraude steeds van het bedrijf uitgaat en het er willens en wetens voor kiest de valse facturen in de aangiften mee te nemen. Hierdoor is meer dan twee ton aan belasting te veel in mindering gebracht.

De gedragingen vinden plaats in de sfeer van de rechtspersoon en passen in de normale bedrijfsvoering. De omzet van het bedrijf bedraagt in 2019 € 6.053.164, waarvan € 5.587.144 afkomstig is van vier factormaatschappijen. De gedragingen zijn het bedrijf dienstig geweest: het ontvangt geld van de factormaatschappijen en betaalt minder belasting.

Over het feitelijk leidinggeven overweegt de rechtbank dat de verdachte volgens het handelsregister pas op 19 maart 2020 als zelfstandig bevoegd directeur in functie treedt, na de tenlastegelegde periode. Beslissend is echter niet alleen de juridische positie, maar ook de feitelijke positie en het gedrag van de verdachte. De rechtbank stelt vast dat de verdachte op 19 september 2019 namens het bedrijf de Belastingdienst te woord staat en volgens de controlespecialist toen feitelijk de leiding heeft, dat hij tegenover de FIOD verklaart dat het bedrijf door zijn ex-vriendin is opgericht met de bedoeling dat hij het zou overnemen, dat de eigenaar van de ene tussenschakel verklaart dat de verdachte de in- en verkoop en het vervoer organiseerde en hem aanraadde verkoopfacturen aan de vierde onderneming te sturen, dat de eigenaar van de vierde onderneming op verzoek van de verdachte bestuurder van het bedrijf wordt en verklaart dat de verdachte de administratie verzorgde en de facturen regelde, dat de verdachte in het laatste kwartaal van 2019 € 750.000 contant opneemt van de bankrekening van het bedrijf, dat hij die bankrekening beheert, en dat de medewerker van het administratiekantoor verklaart dat de verdachte haar enige contactpersoon was, de verkoopfacturen maakte en de stukken voor de aangiften omzetbelasting aanleverde. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte feitelijk leiding heeft gegeven en dat hij minst genomen telkens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de rechtspersoon de strafbare gedragingen zou verrichten.

Voor de feiten 1 en 2 is sprake van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten, in de kern bestaande uit een gezamenlijke uitvoering, zodat het medeplegen bewezen is. Voor feit 3 acht de rechtbank onvoldoende bewezen dat het bedrijf dit samen met anderen heeft gepleegd; van dat onderdeel wordt de verdachte vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen:

  • Feit 1: feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (vijf verkoopfacturen, 14 februari 2019 tot en met 10 december 2019)

  • Feit 2: feitelijk leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (vijf CMR's/vrachtbrieven, 18 februari 2019 tot en met 6 december 2019)

  • Feit 3: feitelijk leidinggeven aan het als inlichtingenplichtige opzettelijk onjuist verstrekken van gegevens, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd (vier kwartaalaangiften omzetbelasting 2019)

Van het bij feit 3 tenlastegelegde medeplegen wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een taakstraf op van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr. Dat is conform de eis van de officier van justitie. Bijkomende straffen of maatregelen worden niet opgelegd.

In de strafmotivering rekent de rechtbank de verdachte aan dat hij stelselmatig valse facturen heeft opgemaakt, andere bedrijven bij de met de vierde onderneming opgezette carrousel heeft betrokken en vele malen geld van factormaatschappijen heeft ontvangen voor vorderingen die niet bestonden. Dit vormt een gevaar voor de integriteit van het financiële en economische verkeer en bonafide factormaatschappijen zijn veelvuldig misleid. Het gaat niet om een onbewuste misslag, maar om het bewust opzetten van een alternatieve papieren werkelijkheid, met vele beslismomenten waarop de verdachte had kunnen stoppen. Door de valse facturen in de aangiften mee te nemen loopt de Belastingdienst in 2019 € 237.904,54 mis.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn van artikel 6 EVRM is geschonden. Zij neemt de inverzekeringstelling op 6 juni 2023 als aanvangsmoment en constateert dat de termijn van twee jaar voor berechting in eerste aanleg bij het wijzen van dit vonnis met een jaar, drie maanden en negen dagen is overschreden. Het tijdsverloop is niet aan de verdediging toe te rekenen. De feiten zijn bovendien meer dan zes jaar geleden gepleegd. De verdachte is niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor een soortgelijk feit.

Voor dit soort feiten geldt als uitgangspunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf; alleen al voor feit 3 noemt het LOVS-oriëntatiepunt negen tot twaalf maanden. Gelet op het forse tijdsverloop wijkt de rechtbank van die strafmodaliteit af. Normaliter zou dan de maximale taakstraf van 240 uur passend zijn, maar wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn matigt de rechtbank de duur tot 180 uur.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^