Hoge Raad vernietigt gedeeltelijke gegrondverklaring van beklag tegen beslag op commissievorderingen omdat de rechtbank te ver vooruitloopt op verbeurdverklaring en ontneming
/Hoge Raad 8 september 2026, ECLI:NL:HR:2026:1427
De Hoge Raad vernietigt een beschikking van de rechtbank Rotterdam in een beklagprocedure over beslag op vorderingen van een tussenpersoon die werkzaamheden verricht voor bouwopdrachten van de Bahama's en Trinidad en Tobago aan een scheepsbouwer. De klager wordt verdacht van het medeplegen van valsheid in geschrift, en het Openbaar Ministerie legt op grond van de artikelen 94 en 94a Sv beslag op vorderingen van de klager op de scheepsbouwer en op een bank. De rechtbank verklaart het beklag gegrond voor zover het beslag een bedrag van € 1.550.000 te boven gaat, omdat zij het hoogst onwaarschijnlijk acht dat de strafrechter de commissie-inkomsten verbeurd verklaart of als wederrechtelijk verkregen voordeel ontneemt. Het Openbaar Ministerie en de klager stellen beiden cassatieberoep in. De Hoge Raad herhaalt het beoordelingskader uit HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128 en oordeelt dat de rechtbank met de gedeeltelijke gegrondverklaring te ver vooruitloopt op de uitkomst van de strafzaak of ontnemingszaak. Het middel van het Openbaar Ministerie slaagt, het middel van de klager blijft onbesproken en de zaak wordt teruggewezen naar de rechtbank Rotterdam.
Achtergrond
De klager is een rechtspersoon. De zaak betreft geen veroordeling maar een beklagprocedure op grond van artikel 552a Sv; een tenlastelegging in de hoofdzaak of een opgelegde straf is niet aan de orde. De klager verricht als tussenpersoon werkzaamheden voor bouwopdrachten die de Bahama's en Trinidad en Tobago verlenen aan een scheepsbouwer en heeft daarvoor commissie-afspraken op basis van no cure no pay. Het Openbaar Ministerie verdenkt de klager van het medeplegen van valsheid in geschrift, omdat met de scheepsbouwer een hoger commissiepercentage zou zijn overeengekomen dan in verschillende documenten is vermeld en omdat in de building contracts in strijd met de waarheid zou zijn opgenomen dat niet aan derden wordt betaald. Het strafrechtelijk onderzoek richt zich aanvankelijk vooral op ambtelijke en niet-ambtelijke omkoping; die verdenking laat het Openbaar Ministerie vallen.
Op 9 februari 2021 wordt op grond van de artikelen 94 en 94a Sv beslag gelegd onder de scheepsbouwer op alle vorderingen van de klager uit twee Service Provider Agreements van 8 juni 2015 en 18 november 2015, en onder ABN AMRO Bank op vorderingen van de klager uit twee escrow-overeenkomsten. Op de escrowrekeningen staat volgens de officier van justitie ruim 25 miljoen euro; de aanvraag voor een strafrechtelijk financieel onderzoek noemt een vermoedelijk wederrechtelijk verkregen voordeel van € 41.063.772 en de officier van justitie schat dit voordeel op 35 miljoen euro. Het Openbaar Ministerie is voornemens een ontnemingsvordering in te dienen.
De rechtbank Rotterdam verwerpt op 26 januari 2024 het verweer dat de beslagen nietig zijn omdat de betekeningsvoorschriften niet zijn nageleefd, en acht het niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter tot een gedeeltelijke bewezenverklaring van het medeplegen van valsheid in geschrift komt. Zij acht het wel hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de commissie-inkomsten verbeurd verklaart of ontneemt, omdat de officier van justitie zijn stelling dat de opdrachten zonder de valsheid niet zouden zijn verkregen hoegenaamd niet onderbouwt en daarvoor ook geen aanknopingspunten zijn gebleken. De rechtbank verklaart het beklag gegrond voor zover het beslag het bedrag van € 1.550.000 te boven gaat, zijnde de maximale geldboete voor de twee tenlastegelegde feiten bij een rechtspersoon, en gelast teruggave van het meerdere.
Cassatiemiddelen
Het Openbaar Ministerie stelt één cassatiemiddel voor. Dit middel klaagt over het oordeel van de rechtbank dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de vorderingen van de klager op derden waarop beslag is gelegd verbeurd zal verklaren dan wel als wederrechtelijk verkregen voordeel zal ontnemen. Namens de klager spreekt de advocaat Th.J. Kelder dit beroep tegen.
Namens de klager wordt eveneens één cassatiemiddel voorgesteld. Dit middel richt zich tegen de verwerping van het verweer dat geen sprake is van een rechtsgeldige beslaglegging, omdat diverse door de wet gestelde voorschriften niet zijn nageleefd. De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging van de beschikking en terugwijzing naar de rechtbank Rotterdam.
Beoordeling Hoge Raad
De Hoge Raad geeft in rechtsoverweging 2.2.1 de antwoorden van het Openbaar Ministerie weer op vragen van de rechtbank over de samenstelling en onderbouwing van het wederrechtelijk verkregen voordeel, en herhaalt in rechtsoverweging 2.3 het beoordelingskader uit HR 31 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:128. Bij beslag op grond van artikel 94 Sv vordert het belang van strafvordering het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal bevelen. Bij conservatoir beslag op grond van artikel 94a Sv onderzoekt de rechter of sprake is van verdenking van een misdrijf waarvoor een geldboete van de betreffende categorie kan worden opgelegd en of zich niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter een geldboete, ontnemingsmaatregel of schadevergoedingsmaatregel zal opleggen. Het onderzoek in raadkamer draagt een summier karakter en de beklagrechter kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op de beslissingen in de strafzaak of de ontnemingszaak.
In rechtsoverweging 2.4.2 oordeelt de Hoge Raad dat de rechtbank, mede gelet op wat het Openbaar Ministerie naar voren heeft gebracht over de gronden waarop de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is gebaseerd, met de gedeeltelijke gegrondverklaring te ver is vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren strafzaak of ontnemingszaak. Daarmee miskent de rechtbank het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer. Het middel van het Openbaar Ministerie slaagt.
Gelet op de beslissing tot vernietiging en terugwijzing is bespreking van het namens de klager voorgestelde middel volgens de Hoge Raad niet nodig.
Beslissing van de Hoge Raad
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank en wijst de zaak terug naar de rechtbank Rotterdam, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Lees hier de volledige uitspraak.
