Vijf maanden gevangenisstraf voor feitelijk leidinggeven aan onjuiste aangiften omzetbelasting, gebruik van valse NOW- en TVL-aanvragen en witwassen; dagvaarding geldig
/Rechtbank Amsterdam 17 september 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:9789
De rechtbank Amsterdam veroordeelt een in 1990 geboren verdachte bij verstek tot een gevangenisstraf van vijf maanden. Hij geeft feitelijk leiding aan het opzettelijk onjuist doen van vier kwartaalaangiften omzetbelasting over 2020 door zijn vennootschap. Ook maakt hij gebruik van vijf valse TVL-aanvragen en drie valse NOW-aanvragen met onjuiste omzetgegevens. Een bedrag van € 91.471 wast hij wit. De rechtbank acht de dagvaarding geldig, hoewel niet is verfeitelijkt op welke wijze van de valse geschriften gebruik is gemaakt, en spreekt de verdachte vrij van medeplegen. De straf is gelijk aan de eis van het Openbaar Ministerie en ligt aan de onderkant van de LOVS-oriëntatiepunten.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1990, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Het betreft een verkort vonnis van de meervoudige kamer in eerste aanleg, parketnummer 81/062940-22. De zaak is bij verstek behandeld. Het onderzoek ter terechtzitting is op 17 september 2026 gesloten, waarna de rechtbank onmiddellijk uitspraak doet. Volgens het strafblad van 3 juli 2026 is de verdachte niet eerder in Nederland veroordeeld.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij, telkens in de vorm van medeplegen, feitelijk leiding geeft aan het onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een besloten vennootschap (feit 1, art. 69 AWR), gebruikmaakt van valse geschriften in de vorm van aanvragen voor de coronasubsidies NOW en TVL (feit 2, art. 225 Sr) en in totaal € 91.471 witwast (feit 3, art. 420bis Sr). De volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die niet is gepubliceerd.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie acht de feiten bewezen, met uitzondering van het medeplegen. Het vordert een gevangenisstraf van vijf maanden.
Standpunt van de verdediging
De zaak is bij verstek behandeld. Het vonnis vermeldt geen standpunt van de verdediging.
Oordeel gerecht
De rechtbank brengt ambtshalve de geldigheid van de dagvaarding ter sprake, omdat bij feit 2 niet feitelijk lijkt te zijn aangeduid hoe de verdachte gebruik heeft gemaakt van de valse geschriften. Volgens de officier van justitie vereist de jurisprudentie wel verfeitelijking van de valsheid, maar niet van de wijze van gebruik. De rechtbank overweegt dat in beginsel ook de wijze van gebruik feitelijk moet worden aangeduid. Gelet op de wel verfeitelijkte aard van de geschriften, subsidieaanvraagformulieren, in samenhang met het dossier, is voldoende duidelijk wat de verdachte wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen. De dagvaarding voldoet aan art. 261 Sv en is geldig.
Met de officier van justitie acht de rechtbank de feiten bewezen, en evenmin bewezen dat de verdachte ze tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Voor alle feiten volgt vrijspraak van het medeplegen. De bewijsmiddelen worden alleen opgenomen in een aanvulling als hoger beroep wordt ingesteld.
De kwalificatie van feit 1 in de beslissing spreekt van het opzettelijk niet doen van een aangifte, terwijl de bewezenverklaring en de inhoudsindicatie het onjuist doen van aangiften betreffen. Het vonnis licht dit verschil niet toe.
Bewezenverklaring
Feit 1: feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door de vennootschap over de vier kwartalen van 2020, in de periode van 27 april 2020 tot en met 7 januari 2021, door een onjuist bedrag aan verschuldigde of aftrekbare omzetbelasting op te geven, terwijl dat ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.
Feit 2: opzettelijk gebruikmaken, afleveren en voorhanden hebben van vijf valse TVL-aanvragen ten name van de vennootschap met een onjuiste referentieomzet en/of gerealiseerde omzet (29 december 2020 tot en met 7 december 2022), en van drie valse NOW-aanvragen (26 december 2020, 15 februari 2021 en 20 december 2021, derde, vierde en zevende aanvraagperiode) met een te hoog percentage omzetverlies (26 december 2020 tot en met 7 december 2022), meermalen gepleegd.
Feit 3: witwassen van geldbedragen van in totaal € 91.471, die de verdachte in de periode van 26 mei 2020 tot en met 7 december 2022 verwerft, voorhanden heeft, overdraagt, omzet en gebruikt, wetende dat deze geheel en onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn, meermalen gepleegd.
Vrijspraak: het medeplegen bij alle feiten.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een gevangenisstraf van vijf maanden op, gelijk aan de eis. Zij overweegt dat de Belastingdienst moet kunnen vertrouwen op de juistheid van aangiften en dat de verdachte dat vertrouwen heeft geschaad. Via zijn onderneming ontvangt hij meer dan € 90.000 aan subsidie waarop hij geen recht had. De rechtbank rekent hem het misbruik van de tijdens de coronacrisis ingestelde compensatieregelingen aan en merkt de feiten, inclusief het witwassen, aan als ernstig.
De LOVS-oriëntatiepunten (versie juli 2026) koppelen aan fraude met een benadelingsbedrag tussen € 70.000 en € 125.000 een gevangenisstraf van vijf tot negen maanden. Met name gezien het tijdsverloop sinds de feiten acht de rechtbank de geëiste straf passend. Bijkomende straffen of maatregelen legt de rechtbank niet op. De straf is gegrond op de artikelen 57, 225 en 420bis Sr en artikel 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Coronasteun als verdienmodel: jonge verdachte veroordeeld voor grootschalige TVL-fraude | RVO niet-ontvankelijk als BP, 24 februari 2026
Schuldwitwassen van € 72.000 aan coronasteun: hof acht culpa bewezen bij TVL-fraude, 11 maart 2026
Acht maanden gevangenisstraf voor feitelijk leidinggever die aangiften omzetbelasting uitbesteedt maar niet controleert, 7 april 2026
