Coronasteun als verdienmodel: jonge verdachte veroordeeld voor grootschalige TVL-fraude | RVO niet-ontvankelijk als BP

Rechtbank Rotterdam 22 januari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1320

De zaak draait om onderzoek Kensington, waarin een in 1997 geboren verdachte samen met anderen fraude pleegt met coronasteun via de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten. De verdachte wordt verweten dat hij 14 TVL-aanvragen vals opmaakt door veel te hoge omzetten te vermelden en vervalste OB-aangiften mee te sturen, waarna provisies uit de uitkeringen worden geïnd. Het Openbaar Ministerie acht valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie bewezen en eist 32 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De verdediging voert vrijspraakverweren en stelt onder meer dat WhatsApp-bewijs onrechtmatig is verkregen, maar de rechtbank verwerpt bewijsuitsluiting en acht alle drie feiten bewezen, met dien verstande dat witwassen van het totale uitgekeerde bedrag niet wordt bewezen maar wel gewoontewitwassen van provisiebedragen. De rechtbank legt 21 maanden gevangenisstraf op waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, onttrekt de USB-stick aan het verkeer en verklaart de vordering van RVO niet-ontvankelijk wegens complexiteit.

Context van de zaak

In deze strafzaak staat een in 1997 geboren natuurlijke persoon terecht wegens betrokkenheid bij grootschalige fraude met de regeling Tegemoetkoming Vaste Lasten tijdens de coronapandemie. De zaak maakt deel uit van het onderzoek Kensington. De verdachte woont ten tijde van de feiten bij zijn moeder en heeft geen eerdere veroordelingen op zijn naam staan.

Aanleiding voor het strafrechtelijk onderzoek vormt een aangifte van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, hierna RVO, waarin wordt gemeld dat bij meerdere aanvragen voor de TVL-regeling voor het vierde kwartaal van 2020 opvallend hoge omzetten zijn opgegeven die niet overeenkomen met de bij de Belastingdienst bekende cijfers. De TVL-regeling beoogt ondernemingen die als gevolg van de coronamaatregelen omzetverlies lijden, tegemoet te komen in hun vaste lasten.

Uit onderzoek blijkt dat via één specifiek IP-adres in totaal 121 TVL-aanvragen zijn ingediend. Dit IP-adres is te herleiden tot de woning waar de verdachte in de relevante periode verblijft. Bij een doorzoeking worden een mobiele telefoon en een USB-stick in beslag genomen. Op de USB-stick bevinden zich honderden documenten, waaronder valse aangiften omzetbelasting over het vierde kwartaal van 2019, die als bijlage zijn meegestuurd met TVL-aanvragen. In de documenteigenschappen staat de naam van de verdachte als auteur vermeld, met als aanmaakdatum 28 oktober 2020.

Op de telefoon wordt uitgebreide WhatsApp-communicatie aangetroffen tussen de verdachte en meerdere medeverdachten. Uit deze berichten blijkt een gestructureerde samenwerking gericht op het indienen van valse aanvragen en het verdelen van de opbrengsten.

Tenlastelegging

De verdachte wordt verweten dat hij zich in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 31 januari 2021 samen met anderen schuldig maakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door 14 TVL-aanvragen vals op te maken. In deze aanvragen worden aanzienlijk hogere omzetten over het vierde kwartaal van 2019 vermeld dan bij de Belastingdienst bekend zijn. Tevens worden vervalste aangiften omzetbelasting als bijlagen toegevoegd en wordt telkens aangevinkt dat de aanvraag naar waarheid is ingevuld.

Daarnaast wordt hem verweten dat hij in de periode van 7 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 deelneemt aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

Tot slot wordt hem verweten dat hij in de periode van 16 oktober 2020 tot en met 12 oktober 2021 samen met anderen geldbedragen witwast, in totaal volgens de tenlastelegging ruim 3.358.530, door deze te verwerven terwijl hij weet dat deze uit misdrijf afkomstig zijn, en dat hij hiervan een gewoonte maakt.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht alle drie de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Volgens het Openbaar Ministerie staat vast dat de verdachte via zijn IP-adres 14 concrete TVL-aanvragen indient met vervalste omzetgegevens en bijbehorende valse OB-aangiften. De WhatsApp-berichten tonen volgens de officier van justitie aan dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachten, waarbij rollen zijn verdeeld tussen het werven van ondernemers en het opstellen en indienen van de aanvragen.

Ten aanzien van het witwassen stelt de officier van justitie dat het volledige uitgekeerde bedrag van ruim 3,2 miljoen euro is witgewassen, althans dat sprake is van gewoontewitwassen.

De officier van justitie vordert een gevangenisstraf van 32 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Voorts wordt verzocht de USB-stick te onttrekken aan het verkeer en de vordering van de benadeelde partij integraal toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit integrale vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Volgens de verdediging is niet vast te stellen dat de verdachte degene is die de aanvragen indient. Andere betrokkenen worden door ondernemers herkend, terwijl de verdachte niet als contactpersoon wordt genoemd.

Voorts voert de verdediging een bewijsverweer met betrekking tot de uitgelezen WhatsApp-communicatie. Onder verwijzing naar het arrest Landeck van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt betoogd dat voor het onderzoek aan de telefoon voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris vereist is, nu sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op het privéleven. Nu deze toestemming ontbreekt, dient het bewijs te worden uitgesloten.

Ten aanzien van het witwassen wordt aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de uitgekeerde bedragen heeft omgezet of daarover daadwerkelijk de beschikking heeft gehad. Ook wordt betoogd dat geen sprake is van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 Sr.

De verdediging verzoekt bij een eventuele bewezenverklaring om een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel gecombineerd met een taakstraf.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het bewijsverweer inzake het onderzoek aan de telefoon. Zij stelt vast dat voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris had moeten worden gevraagd, nu het onderzoek een aanzienlijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op. De rechtbank ziet echter geen aanleiding tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, nu het Landeck-arrest ten tijde van het onderzoek nog niet was gewezen en aannemelijk is dat een rechter-commissaris bij tijdige raadpleging toestemming zou hebben verleend.

Op basis van het IP-adres, de aangetroffen USB-stick met vervalste aangiften, de documenteigenschappen en de WhatsApp-communicatie acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de 14 ten laste gelegde TVL-aanvragen indient. In alle gevallen worden aanzienlijk hogere omzetten opgegeven dan bij de Belastingdienst bekend zijn, worden onjuiste aangiftenummers gebruikt en worden valse OB-aangiften als bijlage toegevoegd.

Ten aanzien van het witwassen oordeelt de rechtbank dat niet kan worden vastgesteld dat het volledige uitgekeerde bedrag van ruim 3,2 miljoen euro wordt witgewassen. Wel staat vast dat de verdachte en zijn medeverdachten provisiebedragen ontvangen van de betrokken ondernemers. Deze bedragen zijn afkomstig uit oplichting van de RVO en worden door de verdachte verworven. Nu dit meermalen en gedurende bijna een jaar plaatsvindt, is sprake van gewoontewitwassen.

Met betrekking tot de criminele organisatie stelt de rechtbank vast dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met een gemeenschappelijk oogmerk om misdrijven te plegen. De verdachte en medeverdachten hebben ieder een eigen rol en delen de opbrengsten. Dat niet iedere verdachte bij alle aanvragen betrokken is, doet hieraan niet af.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig maakt aan medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd, deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en medeplegen van gewoontewitwassen.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank zwaar mee dat de verdachte misbruik maakt van een noodmaatregel die in een periode van grote maatschappelijke onzekerheid is ingesteld. De TVL-regeling is bedoeld om noodlijdende ondernemers te ondersteunen, terwijl de verdachte en zijn medeverdachten deze regeling als verdienmodel benutten.

De rechtbank gaat bij de straftoemeting uit van het bedrag dat met de 14 bewezen aanvragen is gemoeid, te weten ruim 550.000. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past daarbij een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 18 tot 24 maanden. De rechtbank kiest, gelet op de ernst van de feiten, voor een uitgangspunt van 24 maanden.

Nu de redelijke termijn met meer dan twee jaar is overschreden, past de rechtbank een korting van 10 procent toe, hetgeen leidt tot een gevangenisstraf van 21 maanden. Daarvan wordt 6 maanden voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van één jaar.

De USB-stick wordt onttrokken aan het verkeer. De telefoon en administratie worden teruggegeven.

Vordering BP

De benadeelde partij vordert vergoeding van de aan ondernemingen uitgekeerde TVL-tegemoetkomingen, voor zover deze niet reeds door de betreffende ondernemingen zijn terugbetaald. De totale gevorderde schade bedraagt 2.738.577,97. Volgens de benadeelde partij zijn zowel de individuele ondernemingen als de verdachte en zijn medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk voor de afzonderlijk uitgekeerde bedragen, zodat zij in het strafproces aansprakelijk zijn voor de totale som. De vordering heeft betrekking op 46 ondernemingen, terwijl slechts acht ondernemingen onderdeel uitmaken van de onderhavige strafzaak.

De rechtbank stelt voorop dat uit het dossier niet volgt dat iedere verdachte bij alle TVL-aanvragen betrokken is geweest. Voor de onder feit 1 bewezen verklaarde aanvragen staat de betrokkenheid van de verdachte vast, maar voor de overige aanvragen ontbreekt een concrete onderbouwing van individuele betrokkenheid. Weliswaar is sprake van deelname aan een crimineel samenwerkingsverband dat zich met meer aanvragen bezighoudt, maar de samenstelling van dat verband wisselt en de mate van betrokkenheid verschilt per aanvraag.

Hieruit volgt dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat iedere verdachte aansprakelijk is voor elke uitgekeerde tegemoetkoming. Evenmin kan worden vastgesteld welk deel van het totale schadebedrag aan welke verdachte kan worden toegerekend.

Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden geconcludeerd dat de uitbetaling van de tegemoetkomingen uitsluitend het gevolg is van het strafbare handelen van de verdachten. De ondernemingen hebben hun bedrijfsgegevens verstrekt en de uitkeringen zijn rechtstreeks op hun bankrekeningen gestort. De verdachten ontvangen volgens het dossier provisies, maar de exacte omvang daarvan per aanvraag is niet vast te stellen. De verdachten verschaffen hierover geen duidelijkheid.

De rechtbank benadrukt dat het strafproces zich niet leent voor een uitgebreid civielrechtelijk debat over aansprakelijkheid en schadeomvang, temeer nu de ontnemingsprocedure is afgesplitst van de strafzaak. De beoordeling van de precieze toerekening van schade en eventuele hoofdelijke aansprakelijkheid vergt een nadere civielrechtelijke analyse waarvoor in deze procedure geen ruimte bestaat.

De rechtbank constateert dat meerdere juridische geschilpunten openstaan en dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat partijen hierover in voldoende mate het debat hebben kunnen voeren. Voorts speelt een rol dat een deel van de schade mogelijk op de individuele ondernemingen kan worden verhaald, terwijl het strafproces geen mogelijkheid biedt om derden in vrijwaring te betrekken indien zij geen verdachte zijn.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de vordering te complex voor behandeling in het strafproces. De benadeelde partij wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard in de vordering. Een inhoudelijke beoordeling blijft achterwege.

De vordering kan desgewenst bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen proceskosten dragen, nu de vordering niet lichtvaardig is ingesteld en geen aanleiding bestaat voor een kostenveroordeling.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^