Schuldwitwassen van € 72.000 aan coronasteun: hof acht culpa bewezen bij TVL-fraude
/Gerechtshof Amsterdam 3 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:474
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt een verdachte voor schuldwitwassen van € 72.000 aan coronasteun uit de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL). Op naam van de eenmanszaak van de verdachte is een TVL-aanvraag ingediend met een opgegeven omzet van € 1.000.000, terwijl de werkelijke omzet slechts € 6.459 bedraagt. Het hof oordeelt dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het ontvangen bedrag uit misdrijf afkomstig was, gelet op de wanverhouding tussen het bedrag en zijn omzet. Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal komt het hof niet tot opzetwitwassen, maar tot de culpose variant van artikel 420quater Sr. De verdachte krijgt een taakstraf van 120 uren opgelegd, waar de advocaat-generaal 60 uren had gevorderd naast een voorwaardelijke gevangenisstraf. De vordering van de benadeelde partij RVO wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte de volledige schuld inmiddels heeft terugbetaald.
Inleiding en context
Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt in hoger beroep een verdachte voor schuldwitwassen van € 72.000 aan coronasteun. De verdachte, een natuurlijk persoon geboren in 1992, is houder van een eenmanszaak. In december 2020 wordt op naam van zijn onderneming een aanvraag ingediend voor de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL), een subsidieregeling van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) die is bedoeld om bedrijven te compenseren voor omzetverlies als gevolg van de coronamaatregelen. Bij de aanvraag wordt een omzet van € 1.000.000 over het vierde kwartaal van 2019 opgegeven, terwijl de daadwerkelijke omzet slechts € 6.459 bedraagt. Op basis van deze onjuiste opgave ontvangt de verdachte een voorschot van € 72.000 op zijn bankrekening. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de politierechter in de rechtbank Amsterdam, die de verdachte op 24 juli 2024 veroordeelt. De verdachte stelt hoger beroep in. Het hof vernietigt het vonnis van de politierechter, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering, en doet opnieuw recht.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 16 december 2020 tot en met 22 februari 2021 in Nederland, al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen, een geldbedrag van in totaal € 72.000 heeft witgewassen. De tenlastelegging is ruim geformuleerd en omvat zowel het verbergen of verhullen van de werkelijke aard, herkomst, vindplaats of vervreemding van het geldbedrag, als het verwerven, voorhanden hebben, overdragen, omzetten of gebruikmaken daarvan. De tenlastelegging bevat zowel de opzetvariant (artikel 420bis Sr) als de culpose variant (artikel 420quater Sr), nu wordt gesteld dat de verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat het geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. Het relevante wettelijke kader betreft artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht (schuldwitwassen).
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat het tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Volgens het Openbaar Ministerie is de verdachte verantwoordelijk voor de TVL-aanvraag die hij door een ander heeft laten indienen. De verdachte heeft het geldbedrag voorhanden gehad, terwijl hij wist dat dit van misdrijf afkomstig was. De advocaat-generaal kwalificeert het feit als opzetwitwassen en vordert een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis. Zij voert daartoe aan dat een straf moet worden opgelegd die de verdachte ervan weerhoudt opnieuw de fout in te gaan.
Standpunt van de verdediging
De raadsman bepleit vrijspraak. Hij voert aan dat tegen de verdachte is gezegd dat hij recht had op de tegemoetkoming en dat de aanvraag door een ander is gedaan. De verdachte is in de veronderstelling geweest dat bij de aanvraag de werkelijke gegevens zijn ingevoerd. Daarnaast bestrijdt de verdediging het tenlastegelegde medeplegen, nu volgens de raadsman geen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking en de verdachte geen wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het feit. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de raadsman om uitsluitend een taakstraf op te leggen. Hij wijst erop dat de verdachte het volledige bedrag aan tegemoetkoming inmiddels met rente heeft terugbetaald aan RVO en dat de verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.
Oordeel gerecht
Het hof oordeelt op grond van de bewijsmiddelen dat op naam van de verdachte een TVL-aanvraag is ingediend, waarbij een aanzienlijk hoger bedrag aan omzet is opgegeven dan de werkelijk behaalde omzet: € 1.000.000 in plaats van € 6.459. Hierdoor ontvangt de verdachte onterecht een bedrag van € 72.000 van RVO op zijn bankrekening.
Het hof overweegt dat de verdachte wist dat er op naam van zijn eenmanszaak een TVL-aanvraag zou worden ingediend. Hij heeft daartoe onder meer zijn DigiD-gegevens en bankgegevens verstrekt aan een persoon van wie hij desgevraagd geen enkel gegeven kan verstrekken. Het hof stelt vast dat de verdachte heeft gezien dat het bedrag van € 72.000 op zijn bankrekening is gestort en dat hij vervolgens op dezelfde dag een deel van dat bedrag, te weten € 10.000, heeft overgeboekt naar een andere bankrekening op zijn naam.
Het hof komt niet tot een bewezenverklaring van opzetwitwassen, maar oordeelt dat de verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt en daarmee dat het bedrag aan tegemoetkoming uit misdrijf afkomstig was. Het hof baseert dit oordeel op twee gronden. Ten eerste staat het ontvangen bedrag van € 72.000 niet in een redelijke verhouding tot de omzet van de eenmanszaak van de verdachte. Ten tweede kan de verdachte er niet van uitgaan dat een persoon van wie hij geen enkele identificerende gegevens kan verstrekken, maar aan wie hij wel zijn DigiD-gegevens en bankgegevens heeft verstrekt, een juiste aanvraag zou indienen. Het hof kwalificeert het bewezenverklaarde als schuldwitwassen in de zin van artikel 420quater van het Wetboek van Strafrecht, waarbij het grondmisdrijf de oplichting van RVO betreft.
Het hof wijkt daarmee af van de kwalificatie in eerste aanleg, waar de politierechter het feit had gekwalificeerd als eendaadse samenloop van witwassen en eenvoudig witwassen, en van het standpunt van de advocaat-generaal, die uitging van opzetwitwassen. Het hof spreekt de verdachte vrij van het medeplegen en van de opzetvariant.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen dat:
de verdachte op 16 december 2020 in Nederland een geldbedrag van € 72.000 voorhanden heeft gehad, terwijl hij redelijkerwijs moest vermoeden dat dit voorwerp onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
De verdachte wordt vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen, van het verbergen of verhullen van de herkomst van het geldbedrag, en van de opzetvariant van witwassen.
Strafoplegging en maatregelen
De politierechter in eerste aanleg heeft de verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden. De advocaat-generaal vordert in hoger beroep een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaren, gecombineerd met een taakstraf van 60 uren.
Het hof legt een taakstraf op van 120 uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 60 dagen hechtenis. Het hof overweegt daarbij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen van coronasteun in een periode waarin de Nederlandse samenleving veel onzekerheid kende door de gevolgen van het coronavirus. De overheid stelde belastinggeld ter beschikking aan bedrijven die door stilgevallen bedrijfsactiviteiten onvoldoende geld hadden om hun vaste lasten te betalen en kon in die periode niet alle aanvragen direct uitgebreid controleren. Het hof rekent de verdachte aan dat hij heeft bijgedragen aan het misbruiken van deze bijzondere noodsituatie. Bij de straftoemeting betrekt het hof voorts dat de verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld. Het hof ziet af van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf en volstaat met een taakstraf, zij het van een aanzienlijk grotere omvang dan door de advocaat-generaal gevorderd.
De benadeelde partij RVO heeft zich gevoegd met een vordering tot schadevergoeding van € 8.496,82. Uit een in hoger beroep overgelegde e-mail van incassobureau GGN van 19 juli 2025 blijkt dat de betalingsachterstand van de verdachte bij RVO volledig is voldaan. Het hof verklaart de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.
Lees hier de volledige uitspraak.
