Rechtbank Rotterdam veroordeelt belastingconsultant tot taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor opzettelijk niet en onjuist doen van eigen aangiften omzet- en inkomstenbelasting
/Rechtbank Rotterdam 25 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13484
De rechtbank Rotterdam veroordeelt een belastingconsultant voor het opzettelijk niet en onjuist doen van zijn eigen aangiften omzetbelasting en inkomstenbelasting over de jaren 2019 tot en met 2022. De verdachte drijft een eenmanszaak in financiële en fiscale dienstverlening en geeft in die jaren een omzet van € 239.234 aan, terwijl de Belastingdienst de gerealiseerde omzet vaststelt op € 538.943,71. Over het eerste kwartaal van 2022 doet hij geen aangifte omzetbelasting en over 2020 en 2021 doet hij ondanks herinneringen en aanmaningen geen aangifte inkomstenbelasting. De rechtbank leidt het opzet af uit het niet controleren van de omzet aan de hand van de bankafschriften en uit zijn werkzaamheden als belastingconsultant. Het fiscale nadeel bedraagt in totaal € 121.014. Conform de eis van de officier van justitie legt de rechtbank een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren op.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1979 in Servië. Hij heeft sinds 1 november 2012 een eenmanszaak van waaruit hij financiële en fiscale dienstverlening aanbiedt en interimwerkzaamheden bij derden verricht. Naar aanleiding van een intern signaal start de Belastingdienst in maart 2023 een boekenonderzoek. De omzet op de overgelegde facturen blijkt veel hoger dan de in de aangiften omzetbelasting opgegeven omzet. Een vergelijking met in januari 2024 opgevraagde bankafschriften toont bovendien meer ontvangsten dan gefactureerd en aangegeven. De FIOD hoort de verdachte op 30 januari 2025.
De zaak wordt in eerste aanleg door de meervoudige kamer behandeld op 11 september 2026, bij verstek. Het vonnis dateert van 25 september 2026. Rechtspraak.nl vermeldt 11 september 2026 als datum uitspraak, wat volgens het vonnis de zittingsdatum is, en een zaaknummer dat afwijkt van het parketnummer 83-277842-24.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat hij opzettelijk geen aangifte omzetbelasting doet over het eerste kwartaal van 2022 (feit 1), opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften omzetbelasting doet over vijftien kwartalen in 2019 tot en met 2022 (feit 2), opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen doet over 2020 en 2021 (feit 3) en opzettelijk onjuiste en onvolledige aangiften inkomstenbelasting doet over 2019 en 2022 (feit 4). De feiten zijn ten laste gelegd op grond van artikel 69 AWR; het vonnis noemt geen leden. Centraal staan het opzet, de bij de belastingwet voorziene aangifte en het vereiste dat het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert bewezenverklaring van de feiten 1 tot en met 4 en eist een taakstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Het vonnis geeft de onderbouwing van de vordering niet weer.
Standpunt van de verdediging
De zaak is bij verstek behandeld. Het vonnis bevat geen standpunt van de verdediging en vermeldt geen raadsman.
Oordeel gerecht
De rechtbank bespreekt geen voorvragen en richt zich op het opzet. De verdachte diende de aangiften voor zijn eenmanszaak zelf in en was als belastingconsultant volgens de rechtbank als geen ander bekend met de verplichtingen voor de omzet- en inkomstenbelasting. Bij de FIOD verklaart hij dat hij de aangiften omzetbelasting niet aan de hand van zijn bankafschriften deed, dat sommige aangiften te snel zijn ingediend en dat de aangiften omzetbelasting niet kloppen. In de aangiften inkomstenbelasting blijken niet alle inkomsten van alle debiteuren als omzet verantwoord. Door de omzet niet te controleren aan de hand van de bankafschriften heeft de verdachte volgens de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat zijn aangiften onjuist zouden zijn.
Voor de niet gedane aangiften overweegt de rechtbank dat het, mede gelet op zijn werkzaamheden, niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich ervan bewust was dat hij ten onrechte geen aangifte had gedaan. Voor de inkomstenbelasting weegt mee dat hij herinneringen en aanmaningen heeft ontvangen. Volgens een ambtsedige verklaring van 15 april 2025 is de aangifte omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2022 niet ontvangen. De aangiften inkomstenbelasting over 2020 en 2021 zijn op 24 mei 2023 en 9 augustus 2023 ingediend, na aanmaningen van 2 augustus 2021 en 1 september 2022.
In de bewijsbijlage noemt de nadeelberekening voor de inkomstenbelasting een eindtotaal aan omzet van € 593.247, terwijl de afzonderlijke jaarbedragen optellen tot afgerond € 538.944. De rechtbank kwalificeert de feiten als het opzettelijk niet doen, respectievelijk onjuist en onvolledig doen, van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, bij de feiten 2, 3 en 4 meermalen gepleegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
in de periode 1 mei 2022 tot en met 15 april 2025 opzettelijk geen aangifte omzetbelasting heeft gedaan over het eerste kwartaal van 2022, terwijl dat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven (feit 1);
in de periode 25 april 2019 tot en met 30 januari 2023 telkens opzettelijk de aangiften omzetbelasting over alle kwartalen van 2019, 2020 en 2021 en het tweede tot en met vierde kwartaal van 2022 onjuist en onvolledig heeft gedaan door een te laag belastbaar bedrag op te geven (feit 2);
in de periode 1 mei 2021 tot en met 9 augustus 2023 opzettelijk geen aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen heeft gedaan over 2020 en 2021 (feit 3);
in de periode 30 april 2021 tot en met 9 augustus 2023 telkens opzettelijk de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen over 2019 en 2022 onjuist en onvolledig heeft gedaan door een onjuist bedrag aan belastbaar inkomen op te geven (feit 4).
Het vonnis bevat geen vrijspraak.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank legt een taakstraf van 240 uur op, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren onder de algemene voorwaarde. Dat is conform de eis. Bijkomende straffen of maatregelen legt de rechtbank niet op.
De rechtbank gaat uit van een fiscaal nadeel van € 121.014: € 62.937 aan omzetbelasting, € 55.220 aan inkomstenbelasting en € 2.857 aan premies Zorgverzekeringswet. Het belastingstelsel berust op het vertrouwen in de juistheid van aangiften, en de rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij de feiten pleegt terwijl hij werkzaam is in de financiële en fiscale dienstverlening. Hij is niet eerder onherroepelijk veroordeeld. Uit het dossier volgt een belastingschuld die in maart 2026 ongeveer € 500.000 bedraagt, waarop hij de afgelopen jaren nagenoeg niets heeft betaald. Volgens de LOVS-oriëntatiepunten past bij dit nadeelbedrag een onvoorwaardelijke taakstraf met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De voorwaardelijke straf moet herhaling voorkomen. De straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 Sr en artikel 69 AWR.
Lees hier de volledige uitspraak.
Gerelateerde berichten
Veroordeling voor niet doen van belastingaangiften: verdachte geeft fiscale verplichtingen volstrekt onvoldoende prioriteit, 13 maart 2026
Het doen van een onjuiste correctieaangifte kan niet het strafbare feit opleveren van het opzettelijk doen van een onjuiste aangifte (art. 69 AWR), 13 februari 2025
