Acht maanden gevangenisstraf voor feitelijk leidinggever die aangiften omzetbelasting uitbesteedt maar niet controleert

Rechtbank Amsterdam 10 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2576

De rechtbank veroordeelt een ondernemer tot acht maanden gevangenisstraf voor belastingfraude met omzetbelasting. De verdachte geeft als enig bestuurder en aandeelhouder feitelijke leiding aan een vennootschap die over meerdere kwartalen in 2018 en 2019 geen of onjuiste aangiften omzetbelasting indient. Het verweer dat het doen van aangiften was uitbesteed aan een boekhouder slaagt niet: op de ondernemer rust de verplichting om ingediende aangiften vooraf op juistheid te controleren. Door dit na te laten aanvaardt de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat de aangiften niet of onjuist worden ingediend. Het totale benadelingsbedrag bedraagt ruim 168.000 euro. De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij voor de perioden waarin de Belastingdienst maandaangiften in plaats van kwartaalaangiften heeft opgelegd.

Inleiding en context

De verdachte, een in 1971 geboren natuurlijk persoon zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland, is sinds 2016 enig bestuurder en aandeelhouder van een vennootschap. De zaak betreft een strafrechtelijke vervolging in eerste aanleg wegens belastingfraude met omzetbelasting. De vennootschap dient over meerdere kwartalen in 2018 en 2019 geen aangiften omzetbelasting in en dient over de eerste drie kwartalen van 2018 onjuiste aangiften in. De verdachte wordt als feitelijke leidinggever aangemerkt. De zaak is behandeld door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam. Het onderzoek ter terechtzitting vindt plaats op drie zittingsdagen: 3 juli 2025, 6 november 2025 en 24 februari 2026. Na de inhoudelijke behandeling op 6 november 2025 wordt het onderzoek heropend bij tussenuitspraak van 20 november 2025 om de verdachte in de gelegenheid te stellen bij de strafzaak aanwezig te zijn. Op 24 februari 2026 vangt het onderzoek opnieuw aan.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Aan de verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij feitelijke leiding geeft aan het opzettelijk niet tijdig doen van kwartaalaangiften omzetbelasting door de vennootschap over het vierde kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2021 en het vierde kwartaal van 2022, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De tenlastegelegde periode loopt van 1 oktober 2018 tot en met 7 november 2023.

Onder feit 2 wordt de verdachte verweten dat hij feitelijke leiding geeft aan het opzettelijk onjuist of onvolledig doen van aangiften omzetbelasting door de vennootschap over het eerste kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2018 en het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2022, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De tenlastegelegde periode loopt van 22 april 2018 tot en met 11 juli 2022.

De relevante wettelijke bepalingen zijn artikel 69, eerste en tweede lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 8, eerste lid, AWR, en de artikelen 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht. Centraal staan de delictsbestanddelen van het opzettelijk niet doen en het opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften, het strekkingsvereiste dat te weinig belasting wordt geheven, en het feitelijke leidinggeven aan deze door een rechtspersoon begane strafbare feiten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie rekwireert tot een bewezenverklaring van beide feiten, met uitzondering van een aantal tijdvakken. Ten aanzien van feit 1 vordert de officier van justitie partieel vrijspraak voor het vierde kwartaal van 2019 tot en met het derde kwartaal van 2021 en het vierde kwartaal van 2022, omdat de vennootschap met ingang van het vierde kwartaal van 2019 door de Belastingdienst is uitgenodigd tot het doen van maandaangiften in plaats van kwartaalaangiften. Om dezelfde reden vordert het Openbaar Ministerie ten aanzien van feit 2 partieel vrijspraak voor het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2022. Daarnaast verzoekt de officier van justitie om vrijspraak van het tenlastegelegde medeplegen, omdat daarvan niet is gebleken. Het Openbaar Ministerie vordert een gevangenisstraf van tien maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit integrale vrijspraak. Het verweer betreft de afwezigheid van opzet. De verdachte heeft het doen van de aangiften omzetbelasting uitbesteed aan een boekhouder, zodat er volgens de verdediging geen sprake is van opzet bij de verdachte. Daarnaast verzoekt de verdediging om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en geen gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van het gerecht

De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij. Ten aanzien van feit 1 volgt de rechtbank het standpunt van het Openbaar Ministerie dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het niet doen van kwartaalaangiften over het vierde kwartaal van 2019 tot en met het derde kwartaal van 2021 en het vierde kwartaal van 2022. De vennootschap is met ingang van 1 oktober 2019 door de Belastingdienst uitgenodigd om maandaangiften te doen in plaats van kwartaalaangiften, zodat de maandaangiften zijn te beschouwen als de bij wet voorziene aangiften. Ten aanzien van feit 2 wordt de verdachte om dezelfde reden vrijgesproken voor het vierde kwartaal van 2021 tot en met het derde kwartaal van 2022. Voorts spreekt de rechtbank de verdachte vrij van het bij beide feiten tenlastegelegde medeplegen, aangezien niet is gebleken dat de verdachte samen met anderen heeft gehandeld.

Ten aanzien van het resterende deel van feit 1 stelt de rechtbank vast dat namens de vennootschap over het vierde kwartaal van 2018 tot en met het derde kwartaal van 2019 geen kwartaalaangiften omzetbelasting zijn ingediend, terwijl uit het boekenonderzoek van de Belastingdienst blijkt dat de vennootschap in die periode een omzet van € 617.820 ontvangt. Het totale fiscale nadeel over de gehele periode bedraagt € 107.225.

De rechtbank overweegt dat artikel 69 AWR zich richt tot degene die gehouden is tot het doen van aangifte en dat die gehoudenheid kan worden vastgesteld bij eenieder die daartoe is uitgenodigd op grond van artikel 8, eerste lid, AWR. In dit geval is dat de vennootschap. Voor feitelijk leidinggeven is ten minste feitelijke zeggenschap over de gedraging van de rechtspersoon vereist. De verdachte is sinds 2016 de enige bestuurder en aandeelhouder van de vennootschap en het dossier bevat geen aanwijzingen dat andere personen beslissingsbevoegdheid of zeggenschap hebben. De rechtbank merkt de verdachte daarom aan als feitelijke leidinggever.

Het opzetverweer van de verdediging wordt verworpen. De rechtbank oordeelt dat wanneer een ondernemer het opstellen van aangiften uitbesteedt aan een ander, op de ondernemer de verplichting rust om de in te dienen aangiften vooraf op juistheid en volledigheid te controleren. Door niet te controleren of de aangiften omzetbelasting op de juiste wijze zijn ingediend, aanvaardt de verdachte bewust de aanmerkelijke kans dat de aangiften niet tijdig worden ingediend. De rechtbank kwalificeert dit als voorwaardelijk opzet.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat over het eerste tot en met het derde kwartaal van 2018 in totaal € 96.657 als omzet is aangegeven, inclusief € 20.298 aan verschuldigde omzetbelasting. Na verrekening met de voorbelasting is in totaal € 13.113 als omzetbelasting aangegeven. Uit de bankafschriften blijkt echter dat de vennootschap in deze periode € 426.972,47 aan omzet ontvangt, hetgeen neerkomt op € 74.102,65 aan omzetbelasting. De ingediende kwartaalaangiften zijn daarmee onjuist en er is € 60.989,65 te weinig aan omzetbelasting aangegeven. De overwegingen over opzet en feitelijk leidinggeven gelden eveneens voor dit feit.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de volgende strafbare feiten:

  • het opzettelijk niet doen van kwartaalaangiften omzetbelasting door de vennootschap over het vierde kwartaal van 2018, het eerste kwartaal van 2019, het tweede kwartaal van 2019 en het derde kwartaal van 2019

  • het opzettelijk onjuist doen van kwartaalaangiften omzetbelasting door de vennootschap over het eerste kwartaal van 2018, het tweede kwartaal van 2018 en het derde kwartaal van 2018

De verdachte wordt vrijgesproken van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van acht maanden. Bij de strafmotivering overweegt de rechtbank dat de verdachte zich gedurende een lange periode schuldig maakt aan belastingfraude door als feitelijke leidinggever geen dan wel onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen. De verdachte handelt bewust met als doel dat te weinig belasting wordt geheven. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij na het boekenonderzoek door de Belastingdienst in 2022 niet meewerkt aan het onderzoek en geen gegevens of administratie verstrekt. Het totale benadelingsbedrag bedraagt € 168.213,65. De rechtbank overweegt dat de verdachte de werking van het systeem van omzetbelasting, dat is gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet, ondermijnt en dat het algemeen vertrouwen in het belastingsysteem, waarbinnen sprake zou moeten zijn van eerlijke lastenverdeling, door dergelijk handelen wordt geschaad.

De rechtbank zoekt aansluiting bij de Landelijke Orientatiepunten voor Strafoplegging. Het orientatiepunt voor algemene fraude met een benadelingsbedrag tussen € 125.000 en € 250.000 bij een first offender is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van negen tot twaalf maanden. In strafmatigende zin houdt de rechtbank rekening met het feit dat de bewezenverklaarde feiten dateren uit 2018 en 2019. De rechtbank wijkt daarmee af van de eis van het Openbaar Ministerie van tien maanden gevangenisstraf en legt een gevangenisstraf van acht maanden op. De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^