Veroordeling van vennootschap, bestuurder en houder eenmanszaak voor fraude met subsidieregeling Coronabanen in de zorg; houder eenmanszaak vrijgesproken van valsheid in geschrift

Rechtbank Rotterdam 30 september 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13383, ECLI:NL:RBROT:2026:13384 en ECLI:NL:RBROT:2026:13385

De rechtbank Rotterdam doet op 30 september 2026 uitspraak in drie strafzaken over fraude met de subsidieregeling Coronabanen in de zorg (COZO). Een vennootschap die € 621.836,83 aan subsidie ontvangt, verantwoordt deze als volledig besteed aan dertig coronabanen, terwijl geen zorgpersoneel is ingehuurd en het geld naar de onderneming van een medeverdachte vloeit. De vennootschap krijgt een geldboete van € 60.000, hoger dan de geëiste € 46.000, en haar bestuurder wordt als feitelijke leidinggever veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden en een bestuursverbod van vijf jaren. Beiden worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 571.776,83 aan het Ministerie van VWS. In een afzonderlijke zaak wordt de houder van een eenmanszaak, op wiens naam € 236.209,32 aan COZO-subsidie is ontvangen, vrijgesproken van valsheid in geschrift omdat niet vast te stellen is dat hij de aanvraag heeft ingediend. Voor het aanwenden van € 23.000 aan subsidiegeld voor privé-uitgaven en eenvoudig witwassen krijgt hij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden en een taakstraf van 180 uur.

Inleiding en context

De drie zaken worden in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige kamer strafzaken van de rechtbank Rotterdam, op de zitting van 16 september 2026. Het onderzoek is verricht door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Het gaat om drie verdachten:

De vennootschap (ECLI:NL:RBROT:2026:13384) is een rechtspersoon die € 621.836,83 aan COZO-subsidie ontvangt voor de tweede periode van de regeling. Haar accountant, een medeverdachte, dient op 28 september 2022 een COZO-vaststelling in waarin het volledige bedrag als besteed aan tijdelijke coronabanen wordt verantwoord.

De bestuurder (ECLI:NL:RBROT:2026:13383) is een natuurlijk persoon, geboren in 1987, en bestuurder van de vennootschap. Hij is getrouwd, heeft vier minderjarige kinderen, is mantelzorger voor zijn echtgenote, die een hersenaandoening heeft, en heeft ongeveer € 30.000 schuld. Op oudjaarsdag 2025 heeft hij een vuurwerkongeluk gehad. Tegen de vennootschap en de bestuurder heeft de zaak drie keer eerder op zitting gestaan.

De houder van de eenmanszaak (ECLI:NL:RBROT:2026:13385) is een natuurlijk persoon, geboren in 1992. Op naam van zijn eenmanszaak in Arnhem, gestart op 8 mei 2017, wordt op 18 juni 2021 een COZO-aanvraag ingediend en op 16 september 2021 een subsidie van € 236.209,32 ontvangen. Op 9 mei 2022 wordt de eenmanszaak voortgezet door een besloten vennootschap met zijn holding als bestuurder en enig aandeelhouder; per 7 juli 2022 wordt een ander persoon bestuurder en enig aandeelhouder. Deze zaak heeft een eigen parketnummer en een andere officier van justitie, en de bewijsmiddelen verwijzen naar het zaaksdossier EDEN. Het vonnis legt geen verband met de vennootschap uit de andere twee zaken; de vonnissen tegen de vennootschap en de bestuurder noemen geen onderzoeksnaam.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De vennootschap en de bestuurder worden dezelfde twee feiten verweten. Onder feit 1 primair gaat het om het, tezamen en in vereniging met anderen, valselijk opmaken van de aanvraag vaststelling COZO op 28 september 2022 te Amsterdam, door daarin in strijd met de waarheid te vermelden dat het totaal aantal coronabanen 30 bedroeg, waarvan 21 via detachering, dat de werkelijke kosten voor periode 2 € 611.696,90 bedroegen, dat de regelgeving was nageleefd en dat de verantwoording volledig en naar waarheid was ingevuld (artikel 225 lid 1 Sr). Feit 1 subsidiair betreft het gebruikmaken van dat geschrift door toezending aan de Dienst Uitvoering Subsidies aan Instellingen (artikel 225 lid 2 Sr). Feit 2 betreft het in de periode van 24 september 2021 tot en met 11 juli 2023 opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van het subsidiebedrag van € 621.836,83 voor andere doeleinden, onder meer voor betalingen aan branche-onlogische bedrijven en bedrijven met buitenlandse bankrekeningen zonder werknemers (artikel 323a Sr). De vennootschap staat terecht als dader; de bestuurder wordt verweten dat hij opdracht of feitelijke leiding heeft gegeven aan deze gedragingen van de vennootschap (artikel 51 Sr).

De houder van de eenmanszaak wordt drie feiten verweten. Feit 1 betreft het valselijk opmaken van de subsidieaanvraag van 18 juni 2021, met onder meer de vermelding van elf coronabanen via detachering en een subsidiebedrag van € 236.209,32 (artikel 225 lid 1 Sr). Feit 2 betreft het, al dan niet tezamen en in vereniging, vanaf 16 september 2021 aanwenden van dat subsidiebedrag voor andere doeleinden (artikel 323a Sr). Feit 3 betreft primair het verwerven of voorhanden hebben van geldbedragen die onmiddellijk afkomstig zijn uit eigen misdrijf (artikel 420bis.1 Sr) en subsidiair het verbergen of verhullen van de herkomst daarvan (artikel 420bis Sr).

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Ten aanzien van de vennootschap en de bestuurder vordert de officier van justitie veroordeling voor feit 1 primair en feit 2, waarbij feit 2 bewezen moet worden verklaard voor € 436.932,51. Voor de vennootschap eist hij een geldboete van € 46.000; voor de bestuurder een gevangenisstraf van veertien maanden en een bestuursverbod van vijf jaren. De vordering van de benadeelde partij kan volgens hem in beide zaken hoofdelijk worden toegewezen tot € 413.872,51, vermeerderd met de wettelijke rente, en voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard.

Ten aanzien van de houder van de eenmanszaak vordert de officier van justitie veroordeling voor alle feiten, een gevangenisstraf van elf maanden en een bestuursverbod van vijf jaren. Hij voert aan dat de woorden “een of meerdere geldbedragen” in feit 3 zien op het bedrag van € 236.209,32 uit feit 1 en dat de verdenking in samenhang met het dossier voldoende duidelijk is. Daarnaast vordert hij verbeurdverklaring van een in beslag genomen geldbedrag van € 125.483.

Standpunt van de verdediging

Voor de vennootschap en de bestuurder bepleit de verdediging vrijspraak. De betalingen aan de onderneming van de medeverdachte houden volgens haar verband met de overname van een gecontracteerde zorgpartij. De vennootschap heeft COZO-personeel ingehuurd bij twee andere bedrijven, die elkaar over en weer personeel hebben uitgeleend, zoals op het vaststellingsformulier staat. Van valsheid in geschrift is geen sprake en de subsidie is besteed aan het doel waarvoor zij is verstrekt. Voor de vennootschap wordt geen strafmaatverweer gevoerd. Voor de bestuurder verzoekt de verdediging geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en te volstaan met een voorwaardelijke gevangenisstraf en/of een taakstraf. De benadeelde partij moet in beide zaken primair niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak, subsidiair omdat een machtiging van het ministerie ontbreekt.

Voor de houder van de eenmanszaak voert de verdediging aan dat de dagvaarding ten aanzien van feit 3 partieel nietig is, omdat niet is gespecificeerd om welke geldbedragen of transacties het gaat. Ten aanzien van feit 2 refereert de verdediging zich voor een bedrag van € 23.000 aan het oordeel van de rechtbank en bepleit zij voor het overige vrijspraak. Ten aanzien van de straf verzoekt zij gelet op de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn een geldboete van hoogstens € 23.000 op te leggen. Over het beslag stelt de verdediging dat het geldbedrag onder een medeverdachte in beslag is genomen.

Formele verweren over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie zijn in geen van de vonnissen weergegeven.

Oordeel gerecht

Bij de vennootschap en de bestuurder hanteert de rechtbank een gelijkluidende bewijsmotivering. Vanaf de bankrekening van de vennootschap is in de subsidieperiode € 988.151,80 overgemaakt naar de onderneming van een medeverdachte, bij wie facturen aan de vennootschap zijn aangetroffen met de omschrijving “PROJECT CORONABANEN”. Een factuur met de vermelding “project coronabanen, periode juli 2021”, waarvoor de vennootschap op 9 december 2021 € 48.796,54 betaalde, is op 12 januari 2022 door de bestuurder aan de accountant gestuurd. In de administratie over 2021 is € 623.183,20 van de betalingen geboekt als arbeidscapaciteit en uitzendkrachten. Na saldering met de ontvangen subsidie van € 621.837 resteert ongeveer € 1.346, het bedrag dat in de aangifte vennootschapsbelasting als overige personeelskosten is opgenomen. Ook uit de administratie volgt zo volgens de rechtbank een rechtstreekse koppeling tussen subsidie en betalingen.

Het alternatieve scenario vindt geen bevestiging in het dossier. Uit onderzoek van de Arbeidsinspectie naar de door de bestuurder aangeleverde facturen, werknemerslijsten en loonstroken blijkt dat geen van de genoemde personen 36 uur per week bij de vennootschap gedetacheerd kan zijn geweest. Betalingen aan een van de twee bedrijven komen in dezelfde periode in gelijkwaardige bedragen terug van de bestuurder van dat bedrijf; het gaat om egaliserende betalingen, waardoor de vennootschap feitelijk geen geld aan personeel besteedt. Dat dit ook niet de bedoeling was, leidt de rechtbank af uit een e-mail van de bestuurder van 3 november 2021 aan de accountant met een verzoek om “de bedragen en facturen van de afgelopen maanden over en weer”, waarop de accountant vier facturen stuurt die gelijk zijn aan de door de verdediging overgelegde facturen. De rechtbank schuift het scenario als onaannemelijk terzijde. Zij acht bewezen dat de vaststelling met opzet valselijk is opgemaakt en dat de subsidie, zo volgt uit de verklaring van de bestuurder, is gebruikt voor betalingen die geen verband hielden met coronabanen.

De vennootschap is volgens de rechtbank dader, omdat de gedragingen in haar sfeer zijn verricht en haar dienstig zijn geweest; de gedragingen en het opzet van de bestuurder worden aan haar toegerekend. Feit 1 primair kwalificeert de rechtbank bij de vennootschap als medeplegen van valsheid in geschrift en feit 2 als het aanwenden van met een bepaald doel verstrekte middelen voor andere doeleinden, meermalen gepleegd. De bestuurder heeft zich volgens de rechtbank als feitelijke leidinggever schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift en subsidiefraude door de vennootschap; beide feiten worden bij hem gekwalificeerd als begaan door een rechtspersoon waaraan hij feitelijke leiding heeft gegeven. De bewezenverklaring van feit 2 bevat bij beiden niet de zinsnede “tezamen en in vereniging”, terwijl de bewijsmotivering in de zaak van de bestuurder spreekt van medeplegen van subsidiefraude.

Bij de houder van de eenmanszaak verwerpt de rechtbank eerst het nietigheidsverweer. De dagvaarding voldoet aan artikel 261 Sv; uit de tenlastelegging in samenhang met het dossier moet de verdenking voldoende duidelijk zijn geweest, en uit de pleitnota blijkt dat de verdediging heeft begrepen waartegen zij zich moest verweren.

Van feit 1 spreekt de rechtbank de houder van de eenmanszaak vrij. Volgens hem hebben anderen de aanvraag op naam van zijn eenmanszaak gedaan. Hoewel aan die verklaring getwijfeld kan worden, weerspreekt het dossier haar onvoldoende: de aanvraag is ingediend vanaf een IP-adres dat niet aan hem kan worden gekoppeld, en de medeverdachte aan wie dat adres wel is gekoppeld, verklaart COZO-aanvragen voor meerdere personen te hebben ingediend zonder dat daaruit blijkt dat de verdachte een van hen was.

Voor feit 2 en feit 3 baseert de rechtbank zich op de verklaring ter zitting van de houder van de eenmanszaak, die geen personeel in dienst had, door een groep jongens werd benaderd om geld te verdienen met coronabanen, wist dat er iets zou worden aangevraagd en daarna zijn pinpas en rekeninggegevens uit handen gaf. Hij verklaart dat een bedrag op zijn privérekening afkomstig was van de COZO-subsidie en hem werd overgemaakt om hem tevreden te houden. Uit het bankonderzoek blijkt dat de subsidie de gehele externe voeding van de zakelijke rekening vormde in de periode van 1 januari 2021 tot en met 18 juli 2022, dat geen salarisbetalingen zijn gedaan en dat € 122.613 is uitgegeven, onder meer € 39.333 aan een medeverdachte rechtspersoon zonder personeel, € 35.000 aan een holding voor bouwmaterialen, € 23.000 aan de privérekening van de verdachte en € 6.000 aan contante opnamen. Op de privérekening vinden met dat geld privé-uitgaven plaats.

Ten aanzien van het witwassen overweegt de rechtbank dat de houder van de eenmanszaak derden gegevens van zijn eenmanszaak heeft gegeven voor de aanvraag en daarmee medeplichtig is geweest aan de door anderen gepleegde valsheid in geschrift. De op 16 september 2021 ontvangen subsidie is indirect de opbrengst van dat misdrijf, en hij heeft dit bedrag op zijn bankrekening voorhanden gehad. Het vonnis vertoont op dit punt enkele onderlinge verschillen: de bewezenverklaring en de beslissing noemen feit 3 primair (voorhanden hebben van een geldbedrag dat onmiddellijk afkomstig is uit eigen misdrijf), terwijl de kwalificatie spreekt van feit 3 subsidiair, eenvoudig witwassen, en de bewijsmotivering de subsidie aanduidt als indirecte opbrengst van een door anderen gepleegd misdrijf. Feit 2 wordt bewezen verklaard zonder medeplegen.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van de vennootschap:

  • feit 1 primair: medeplegen van valsheid in geschrift door op of omstreeks 28 september 2022 te Amsterdam de aanvraag vaststelling COZO valselijk op te maken met alle vijf de ten laste gelegde onjuiste vermeldingen;

  • feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van het subsidiebedrag van € 621.836,83 voor andere doeleinden dan waarvoor het was verstrekt, in de periode van 24 september 2021 tot en met 11 juli 2023 te Amsterdam, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van de bestuurder:

  • feit 1 primair: medeplegen van valsheid in geschrift door de vennootschap op 28 september 2022, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging;

  • feit 2: het door de vennootschap aanwenden van het subsidiebedrag van € 621.836,83 voor andere doeleinden, meermalen gepleegd, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan deze verboden gedraging.

Ten aanzien van de houder van de eenmanszaak:

  • feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van een subsidiebedrag van € 23.000 voor andere doeleinden dan waarvoor het was verstrekt, in de periode van 16 september 2021 tot en met 18 juli 2022 te Arnhem, meermalen gepleegd;

  • feit 3 primair: in de periode van 16 september 2021 tot en met 9 juli 2022 te Arnhem een geldbedrag voorhanden hebben, terwijl hij wist dat dit onmiddellijk afkomstig was uit eigen misdrijf.

Bij de vennootschap en de bestuurder bevatten de vonnissen geen uitdrukkelijke vrijspraak; feit 2 wordt voor het volledige subsidiebedrag bewezen verklaard, waar de officier van justitie € 436.932,51 vorderde. De houder van de eenmanszaak wordt vrijgesproken van feit 1; van feit 2 wordt alleen het bedrag van € 23.000 bewezen verklaard.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank rekent alle verdachten aan dat zij misbruik hebben gemaakt van gemeenschapsgeld dat tijdens de coronapandemie via eenvoudig toegankelijke regelingen snel beschikbaar werd gesteld om tijdelijk extra zorgpersoneel in te huren, in het vertrouwen dat daarvan geen misbruik zou worden gemaakt. Zij hebben zich volgens de rechtbank laten leiden door geldelijk gewin. Bij de vennootschap en de bestuurder weegt de rechtbank daarnaast mee dat het vertrouwen in de juistheid van geschriften ernstig is beschaamd en dat het ministerie de subsidie op basis van het valse formulier heeft vastgesteld op € 611.696,90. Geen van de verdachten is eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Bij de vennootschap en de bestuurder is de redelijke termijn aangevangen op 21 maart 2024, toen de bestuurder voor het eerst werd verhoord, en met een totale duur van twee jaar en zes maanden overschreden. Mede door het onderzoek naar de pas in september 2025 overgelegde stukken van de verdediging duurde de behandeling langer dan twee jaar. De rechtbank volstaat met de vaststelling van de overschrijding.

De vennootschap krijgt een geldboete van € 60.000. De rechtbank kijkt daarbij naar geldboetes in soortgelijke zaken en gaat boven de eis van € 46.000 uit. Het vonnis bevat geen nadere motivering van die afwijking.

De bestuurder krijgt een gevangenisstraf van twaalf maanden. Gelet op het benadelingsbedrag van € 611.696,87 en de LOVS-oriëntatiepunten voor fraude, die bij een benadelingsbedrag van € 621.836,83 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van achttien tot vierentwintig maanden noemen, acht de rechtbank een voorwaardelijke straf of taakstraf onvoldoende. In zijn persoonlijke omstandigheden ziet zij aanleiding om af te wijken van de eis van veertien maanden. De gevangenisstraf wordt ten uitvoer gelegd in de penitentiaire inrichting totdat hij in aanmerking komt voor een penitentiair programma. Als bijkomende straf ontzet de rechtbank hem voor vijf jaren uit het recht om het beroep van statutair of feitelijk bestuurder van enige rechtspersoon uit te oefenen. Hij heeft zijn vennootschap misbruikt voor subsidiefraude, de rechtbank heeft vanwege zijn proceshouding niet kunnen zien dat hij de ernst van zijn handelen inziet, en de terugbetalingsverplichting legt een forse financiële last op hem. Het verbod beschermt de samenleving tegen verder frauduleus handelen en belet hem niet om in loondienst inkomen te verwerven.

De houder van de eenmanszaak krijgt een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 180 uur, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis. De LOVS-oriëntatiepunten noemen bij een benadelingsbedrag van € 23.000 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vijf maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf; een geldboete, zoals de verdediging bepleitte, doet volgens de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten. De ouderdom van de feiten en zijn persoonlijke omstandigheden geven aanleiding de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk op te leggen: hij heeft spijt betuigd, heeft een moeilijke periode doorgemaakt door het overlijden van zijn moeder, werkt weer in de zorg, heeft een vrouw en twee jonge kinderen en heeft geen schulden. Anders dan de officier van justitie vorderde, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een bestuursverbod. Over het in beslag genomen bedrag van € 125.483 neemt de rechtbank geen beslissing, omdat het is beslagen op de rekening van een besloten vennootschap waarvan de bestuurder afstand heeft gedaan van het geld. Op de redelijke termijn gaat het vonnis niet afzonderlijk in. In deze zaak heeft geen benadeelde partij zich gevoegd.

Het Ministerie van VWS vordert in de zaken tegen de vennootschap en de bestuurder € 571.776,83 aan materiële schade, bestaande uit het subsidievoorschot van € 621.836,83 minus het reeds uitgewonnen bedrag van € 50.060, vermeerderd met de wettelijke rente, en daarnaast € 7.446 aan proceskosten en € 3.286,56 aan beslagkosten. De rechtbank verwerpt het machtigingsverweer: op 8 september 2025 is de vordering ingediend door mr. Tanja en heeft het ministerie op diezelfde dag mrs. Tanja en Wissink gemachtigd. De vordering wordt in beide zaken volledig toegewezen, hoofdelijk met de mededaders, omdat de subsidie geheel aan een ander doel is besteed en de verdediging de vordering onvoldoende heeft weersproken. Daarmee gaat de rechtbank verder dan de door de officier van justitie toewijsbaar geachte € 413.872,51. In de beslagkosten is de benadeelde partij in beide zaken niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De proceskosten van € 7.446 worden toegewezen in de zaak tegen de bestuurder; bij de vennootschap begroot de rechtbank ze op nihil, omdat ze in de zaak van de bestuurder zijn toegekend. De vonnissen vermelden geen schadevergoedingsmaatregel. In beide vonnissen wijst de rechtbank de wettelijke rente in de overwegingen toe vanaf 24 september 2021, terwijl het dictum 24 september 2024 noemt.

Lees hier de volledige uitspraken: ECLI:NL:RBROT:2026:13383, ECLI:NL:RBROT:2026:13384 en ECLI:NL:RBROT:2026:13385.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^