Valse omgevingsvergunning bij subsidieaanvraag leidt tot veroordeling van zowel vennootschap als feitelijk leidinggever

Rechtbank Overijssel 29 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:394 en ECLI:NL:RBOVE:2026:395

Een agrarisch adviesbureau en haar feitelijk leidinggever worden veroordeeld voor het gebruik van een vervalste omgevingsvergunning. Op 26 juni 2019 wordt een document ingediend bij de RVO dat valselijk is gedateerd op 3 april 2019 om alsnog subsidie te verkrijgen. De rechtbank oordeelt dat sprake is van opzet en oogmerk tot misleiding. Beide verdachten worden vrijgesproken van het tweede feit wegens gebrek aan bewijs. Een beroep op rechtsdwaling wordt verworpen: er was geen sprake van gezaghebbend advies. Beide verdachten krijgen een geheel voorwaardelijke geldboete van 5.000 euro met een proeftijd van twee jaar.

Context van de zaak

De zaken vinden hun oorsprong in een strafrechtelijk onderzoek van de Inlichtingen- en Opsporingsdienst van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit, gestart in september 2019 onder de naam Kummel. Aanleiding vormt het vermoeden van valsheid in geschrift bij een subsidieaanvraag in het kader van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie, ingediend bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

In de ene zaak staat een rechtspersoon terecht, te weten verdachte B.V., een agrarisch adviesbureau dat zich bezighoudt met het aanvragen van subsidies. Deze vennootschap is rechtsopvolger van een eerder bestaande vennootschap onder firma met dezelfde naam. In de andere zaak staat een natuurlijk persoon terecht, geboren in 1985, ondernemer in de agrarische sector en (middellijk) bestuurder en medeoprichter van de betrokken vennootschap. Hij treedt op als eindverantwoordelijke voor de subsidieaanvragen en geeft feitelijk leiding aan de bedrijfsvoering.

Centraal staat een SDE-subsidieaanvraag namens een agrarische onderneming, waarbij een omgevingsvergunning wordt overgelegd. Nadat de aanvraag aanvankelijk wordt afgewezen wegens het ontbreken van een tijdig afgegeven vergunning, wordt een aangepaste versie van dezelfde vergunning ingestuurd, voorzien van een eerdere datum. Daarnaast wordt in beide zaken onderzoek gedaan naar vermeend onjuiste opgaven van landbouwpercelen.

Tenlastelegging

Aan de rechtspersoon wordt verweten dat zij op 26 juni 2019 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift, te weten een omgevingsvergunning valselijk gedateerd op 3 april 2019, door deze per e-mail aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland te verstrekken ter onderbouwing van een subsidieaanvraag. Voorts wordt haar verweten dat zij in 2018 en 2019 gebruik heeft gemaakt van valse gecombineerde opgaven van landbouwpercelen.

Aan de natuurlijke persoon wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan deze door de vennootschap gepleegde strafbare feiten, bestaande uit het gebruik van de vervalste omgevingsvergunning en het indienen van onjuiste landbouwopgaven.

Bewezenverklaringen

De rechtbank acht in beide zaken wettig en overtuigend bewezen dat op 26 juni 2019 gebruik is gemaakt van een vals geschrift. Vaststaat dat de originele omgevingsvergunning is afgegeven op 25 april 2019 en dat deze datum buiten de termijn van de betreffende subsidieronde valt. Nadien wordt een inhoudelijk identiek document overgelegd, maar met als besluitdatum 3 april 2019.

Uit digitaal forensisch onderzoek blijkt dat het document met de datum 3 april 2019 later is aangemaakt dan het oorspronkelijke besluit van 25 april 2019. Bovendien vermeldt het document een zienswijzetermijn die op 3 april 2019 nog niet verstreken is, hetgeen bevestigt dat die datum onjuist is. De rechtbank concludeert dat sprake is van een vals of vervalst geschrift in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van de rechtspersoon oordeelt de rechtbank dat het gebruik van het valse document heeft plaatsgevonden binnen de normale bedrijfsvoering en kan worden toegerekend aan de vennootschap. Het opzet van de betrokken vennoot wordt aan de rechtspersoon toegerekend.

Ten aanzien van de natuurlijke persoon stelt de rechtbank vast dat hij als eindverantwoordelijke en bestuurder beslissend betrokken is bij het indienen van het valse document en derhalve feitelijke leiding heeft gegeven aan het strafbare handelen van de vennootschap.

Het oogmerk tot misleiding acht de rechtbank eveneens bewezen, nu het document is overgelegd met het doel om alsnog aanspraak te maken op een subsidie van ruim 2,3 miljoen euro. Dat een medewerker van de subsidieverstrekker mogelijk bekend was met de eerdere afwijzing, doet hieraan niet af, nu de misleiding was gericht op de besluitvormende instantie als geheel.

Voor het tweede feit, betreffende de landbouwpercelen, volgt in beide zaken vrijspraak. De rechtbank acht onvoldoende bewezen dat de opgegeven percelen niet daadwerkelijk in gebruik waren bij de betrokken ondernemingen.

Stafbaarheid van de verdachte

In beide zaken wordt een beroep op rechtsdwaling verworpen. De rechtbank overweegt dat niet is gebleken van een gezaghebbend en bevoegd gegeven overheidsadvies waarop mocht worden vertrouwd. Er is geen sprake van afwezigheid van alle schuld. Zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon zijn strafbaar.

Strafoplegging

Bij de strafoplegging weegt de rechtbank mee dat het gaat om een professionele subsidieadviseur die heeft geprobeerd een aanzienlijk bedrag aan publieke middelen te verkrijgen met behulp van een vervalst document. Dit ondermijnt het vertrouwen in het subsidieproces en het maatschappelijk verkeer.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank rekening met het feit dat de subsidie uiteindelijk niet is uitgekeerd en er geen daadwerkelijk financieel nadeel is geleden. Ook het tijdsverloop en de onderlinge samenhang tussen beide zaken worden meegewogen.

Aan zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon wordt een geheel voorwaardelijke geldboete van 5.000 euro opgelegd, met een proeftijd van twee jaar. De voorwaardelijke straf dient als waarschuwing en moet herhaling voorkomen.

Lees de volledige uitspraken:

Print Friendly and PDF ^