Veroordeling van rechtspersoon tot geldboete voor opzettelijke overtreding van de Arbeidsomstandighedenwet na dodelijk bedrijfsongeval met betonstortmachine en stapelaar
/Rechtbank Overijssel 18 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3460
De rechtbank Overijssel veroordeelt een producent van kanaalplaatvloeren tot een geldboete van € 72.500, waarvan € 27.500 voorwaardelijk, wegens opzettelijke overtreding van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, begaan door een rechtspersoon. Op 18 april 2023 raakt een operator van een betonstortmachine bekneld tussen die machine en een stapelaar op een direct naastgelegen productiebaan en overlijdt. De rechtbank acht vijf deelverwijten bewezen: het ontbreken van doeltreffende maatregelen bij werk aan een in bedrijf zijnd arbeidsmiddel, ontoereikend zicht van de bestuurder van de stapelaar, een gebrekkige risico-inventarisatie, onvoldoende voorlichting en onvoldoende toezicht. Het opzet wordt uitgelegd als kleurloos opzet, gericht op de feitelijke gedragingen en niet op het niet naleven van de wettelijke verplichtingen. De rechtbank kort de geldboete met € 2.500 wegens overschrijding van de redelijke termijn en wijkt af van de eis van het Openbaar Ministerie van € 75.000. Daarnaast wijst zij de vordering van de benadeelde partij toe tot € 23.141,56 en legt zij de schadevergoedingsmaatregel op.
Inleiding en context
De verdachte is een besloten vennootschap die zich bezighoudt met de productie van geprefabriceerde bouwmaterialen, in het bijzonder betonnen kanaalplaatvloeren. In de productiehal wordt beton via een betonstortmachine gestort op een vaste baan; uitgeharde platen worden een dag later via een stapelaar naar buiten getransporteerd. In de hal liggen meerdere productiebanen naast elkaar. Op 18 april 2023 brengt een medewerker op baan 4 met de stapelaar twee kanaalplaatvloeren naar buiten, terwijl op de naastgelegen baan 3 een operator beton stort. Bij het passeren raakt de operator, die zich aan de zijkant van de stortmachine bevindt, aangereden en bekneld tussen beide bewegende machines. Hij overlijdt als gevolg van het ongeval. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, op de zittingen van 21 mei, 4 juni en 18 juni 2026. De verdachte wordt vertegenwoordigd door haar wettelijk vertegenwoordiger en bijgestaan door mr. E.M. Bakx en mr. R.A. Valk.
Tenlastelegging en wettelijk kader
De verdachte wordt verweten dat zij op 18 april 2023 als werkgever in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet, al dan niet opzettelijk, heeft gehandeld of nagelaten in strijd met die wet en de daarop berustende bepalingen, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemers is ontstaan of was te verwachten. Het verwijt valt uiteen in vijf deelverwijten. Onder (a) wordt verwezen naar artikel 7.5, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit: aan de stortmachine zijn werkzaamheden uitgevoerd terwijl deze niet was uitgeschakeld, drukloos of spanningsloos gemaakt en zonder doeltreffende maatregelen. Onder (b) gaat het om artikel 7.17b, tweede lid, onder e, van het Arbeidsomstandighedenbesluit: de stapelaar was bij ontoereikend gezichtsveld niet uitgerust met een doeltreffend hulpmiddel voor toereikend zicht. Onder (c) staat artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet centraal: het aanrijd- en beknellingsgevaar bij het werken met beide machines naast elkaar is niet schriftelijk vastgelegd in een risico-inventarisatie en -evaluatie. Onder (d) wordt artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet genoemd: de werknemers zijn onvoldoende ingelicht over de werkzaamheden, de risico's en de beperkende maatregelen. Onder (e) gaat het om artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet: er is onvoldoende toegezien op de naleving van instructies en op het veilig kunnen passeren van beide machines. Het feit is strafbaar gesteld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen en vordert oplegging van een geldboete van € 75.000.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Primair voert zij aan dat de deelverwijten niet bewezen kunnen worden verklaard. Subsidiair stelt zij dat het te verwachten levensgevaar voor de verdachte niet voorzienbaar was. Meer subsidiair voert zij aan dat het opzet niet bewezen kan worden verklaard. Bij deelverwijt (a) betoogt de verdediging dat achter de klep niets aanpasbaar is, zodat van werkzaamheden in de zin van artikel 7.5 geen sprake is en het slachtoffer uit eigen beweging handelde; subsidiair stelt zij dat met de mondelinge instructie om aan de veilige zijde te werken doeltreffende maatregelen waren genomen. Bij deelverwijt (b) betwist zij dat het directe gezichtsveld ontoereikend was. Bij deelverwijt (c) stelt zij dat met het inschakelen van twee deskundigen aan artikel 5 is voldaan. Bij deelverwijt (d) wijst zij op algemene en machinegerichte instructies, toolbox-meetingen en de mondelinge instructie over de veilige zijde. Ten aanzien van de strafmaat verzoekt de verdediging rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn, het blanco strafblad en de na het ongeval genomen maatregelen. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij bepleit zij primair niet-ontvankelijkheid gelet op de bepleite vrijspraak en stelt zij subsidiair dat onduidelijk is onder welke titel reeds een bedrag is uitgekeerd.
Oordeel gerecht
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het feit opzettelijk heeft begaan. Zij stelt vast dat de genoemde personen werknemers van de verdachte zijn, dat de verdachte werkgever is en dat sprake is van een arbeidsplaats in de zin van artikel 1 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Bij deelverwijt (a) kwalificeert de rechtbank de stortmachine als arbeidsmiddel. Op grond van de getuigenverklaringen stelt zij vast dat het gebruikelijk is om tijdens het storten via het toegangsluik te controleren of de machine het beton juist stort en zo nodig overtollig beton te verwijderen. Zij merkt dit aan als productiewerkzaamheden die behoren tot de vaste werkzaamheden bij het bedienen van de stortmachine, waarmee de stelling dat het slachtoffer uit eigen beweging handelde wordt weersproken. De mondelinge instructie om aan de veilige zijde te werken neemt het aanrijd- en beknellingsgevaar volgens de rechtbank niet weg, omdat de naleving volledig afhankelijk wordt gemaakt van de oplettendheid van de medewerkers en niet op andere wijze wordt beheerst. De instructie kwalificeert daarom niet als doeltreffende maatregel in de zin van artikel 7.5. De rechtbank acht het verwijt bewezen.
Bij deelverwijt (b) kwalificeert de rechtbank ook de stapelaar als arbeidsmiddel. Op grond van het onderzoek naar het zicht en de getuigenverklaringen stelt zij vast dat door de massieve constructie en de lengte van de stapelaar, en door de geladen platen, zo goed als geen zicht bestaat op de plaats tussen de banen. Het directe gezichtsveld is niet toereikend om de veiligheid van personen te waarborgen, zodat het verwijt bewezen is.
Bij deelverwijt (c) stelt de rechtbank vast dat de aanwezige risicobeoordelingen en de risico-inventarisatie en -evaluatie niets vermelden over aanrijd- en beknellingsgevaar bij het werken met beide machines in direct naast elkaar gelegen banen, terwijl de ruimte tussen beide machines bij het passeren twaalf centimeter bedraagt. Het verweer dat met het inschakelen van deskundigen aan artikel 5 is voldaan, verwerpt de rechtbank: het arbeidsproces en de daaraan verbonden risico's zijn niet met de deskundigen besproken, en de naleving van artikel 5 kan niet worden afgewenteld op een onvoldoende ingelichte externe deskundige. Het verwijt is bewezen.
Bij deelverwijt (d) ziet de rechtbank de bevindingen uit het plan van aanpak bij de risico-inventarisatie en -evaluatie van 3 december 2022, waarin staat dat taken en verantwoordelijkheden niet duidelijk zijn vastgelegd en dat medewerkers niet structureel worden voorgelicht over veilig gebruik van machines, bevestigd in de getuigenverklaringen. De aanwezige handleidingen en instructies zien niet op de situatie waarin beide machines tegelijk in bedrijf zijn op naastgelegen banen, en voor het bestaan van regelmatige toolbox-meetingen biedt het dossier geen steun. De mondelinge instructie ontslaat de verdachte niet van de verplichting de risico's te inventariseren, maatregelen te nemen en haar werknemers in te lichten. Het verwijt is bewezen.
Bij deelverwijt (e) overweegt de rechtbank dat de verdachte erop had moeten toezien dat beide machines elkaar in direct naast elkaar gelegen banen veilig konden passeren. Uit de verklaring van haar vertegenwoordiger ter terechtzitting volgt dat hierop niet werd toegezien, omdat werd vertrouwd op de mondelinge instructie. De verdachte heeft daarmee niet voldaan aan artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, zodat het verwijt bewezen is.
De rechtbank overweegt dat het passeren van beide machines op zeer korte afstand, met een tussenruimte van twaalf centimeter, evident aanrijd- en beknellingsgevaar oplevert, waardoor levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid te verwachten is. Het verweer dat dit gevaar niet voorzienbaar was, verwerpt zij onder verwijzing naar haar oordeel over deelverwijt (a), naar de erkenning dat de verdachte zich bewust is van de risico's van het werken met machines en naar de verklaring dat een jaar eerder een werknemer eveneens tussen twee passerende machines is gekomen. Het opzet legt de rechtbank uit als kleurloos opzet, dat gericht moet zijn op de feitelijke gedragingen en niet op het niet naleven van de wettelijke verplichtingen; in het nalaten van de benodigde maatregelen ligt het opzet op dat nalaten besloten. De gedragingen passen binnen de normale bedrijfsvoering en kunnen aan de verdachte als rechtspersoon worden toegerekend. De rechtbank concludeert dat de verdachte niet heeft voldaan aan de zorgplicht van artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 18 april 2023 als werkgever opzettelijk heeft gehandeld of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop berustende bepalingen, doordat zij arbeid liet verrichten waarbij niet werd voldaan aan:
artikel 7.5, tweede en derde lid, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, doordat productiewerkzaamheden aan de betonstortmachine zijn uitgevoerd terwijl deze niet was uitgeschakeld, drukloos of spanningsloos was gemaakt en geen doeltreffende maatregelen waren genomen om die werkzaamheden veilig uit te voeren;
artikel 7.17b, tweede lid, onder e, van het Arbeidsomstandighedenbesluit, doordat de stapelaar bij ontoereikend gezichtsveld niet was uitgerust met een doeltreffend hulpmiddel voor toereikend zicht;
artikel 5, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, doordat het aanrijd- en beknellingsgevaar bij het werken met beide machines naast elkaar niet schriftelijk is vastgelegd in een risico-inventarisatie en -evaluatie;
artikel 8, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, doordat de werknemers niet doeltreffend zijn ingelicht over de werkzaamheden, de risico's en de beperkende maatregelen;
artikel 8, vierde lid, van de Arbeidsomstandighedenwet, doordat niet is toegezien op de naleving van instructies en op het veilig kunnen passeren van beide machines;
terwijl daardoor, naar de verdachte wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van de betrokken werknemer ontstond of te verwachten was. Het bewezenverklaarde levert op het misdrijf overtreding van voorschriften gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet, opzettelijk begaan, begaan door een rechtspersoon. Wat meer of anders is ten laste gelegd, wordt niet bewezen verklaard.
Strafoplegging en maatregelen
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 72.500, waarvan € 27.500 voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Bij de strafoplegging betrekt zij dat de verdachte in haar zorgplicht tekort is geschoten en haar werknemers heeft blootgesteld aan veiligheidsrisico's en levensgevaar. Uit de justitiële documentatie blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 22 april 2024 en met ongeveer drie maanden is overschreden, wat leidt tot een strafvermindering van € 2.500. In strafverzwarende zin weegt zij mee dat zich binnen het conglomeraat waarvan de verdachte deel uitmaakt eerder een dodelijk bedrijfsongeval heeft voorgedaan en dat de verdachte recent, in het plan van aanpak bij de risico-inventarisatie en -evaluatie van 3 december 2022, nog op tekortkomingen was gewezen. In matigende zin betrekt zij dat de verdachte na het ongeval maatregelen heeft genomen, zoals het plaatsen van een camera op de stapelaar. De opgelegde geldboete ligt onder de gevorderde € 75.000, mede door de korting wegens de overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij, de vader van het slachtoffer, toe tot € 23.141,56, bestaande uit € 5.641,56 aan materiële schade en € 17.500 aan affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 april 2023. De affectieschade wijst zij toe tot het met het Besluit vergoeding affectieschade overeenstemmende bedrag van € 17.500 en wijst zij voor het resterende deel van € 2.500 af. Of de affectieschade reeds anderszins is voldaan, kan bij de tenuitvoerlegging aan de orde komen. De rechtbank legt daarnaast de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op voor hetzelfde bedrag.
Lees hier de volledige uitspraak.
