Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens medeplegen oplichting van bank op grond van ontoereikende motivering over de woonintentie

Hoge Raad 23 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:950

De Hoge Raad vernietigt een veroordeling van het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens medeplegen van oplichting van de SNS-Bank. De verdachte zou samen met een tussenpersoon door een vals taxatierapport en een vals ingevuld aanvraagformulier een hypothecaire geldlening van 91.000 euro hebben verkregen. De kern van de zaak is of de verdachte ten tijde van de aanvraag de intentie had het pand niet als primaire woning te gebruiken. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet zonder meer uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid. Mede in het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd. De zaak wordt teruggewezen naar het hof voor een nieuwe behandeling.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1990. Zij is in eerste aanleg vrijgesproken. Het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeelt haar bij arrest van 24 juli 2023 (nummer 20-001560-22) wegens medeplegen van oplichting (art. 326 lid 1 Sr). De opgelegde straf blijkt niet uit de uitspraak.

De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte in de periode van 23 januari 2008 tot en met 29 februari 2008, samen met een ander, de SNS-Bank heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van 91.000 euro voor een hypothecaire geldlening. Daartoe verstrekt zij aan de bank een valselijk opgemaakt taxatierapport van 20 december 2007, waarin enkel waarden vrij van huur zijn vermeld en op de vraag of het object volledig door de eigenaar wordt bewoond is geantwoord "wordt nog opgeleverd", waardoor de indruk wordt gewekt dat het perceel niet verhuurd was of zou worden en bestemd was voor eigen bewoning. Daarnaast verstrekt zij een formulier "Aanvraag hypothecaire geldlening" waarin in strijd met de waarheid staat dat de reden van aankoop is om het pand als primaire woning te gebruiken.

Het hof stelt vast dat de verdachte nimmer op het adres heeft gewoond, dat haar vader de woning voor de verhuur wilde hebben en dat de woning blijkens een aangetroffen huurovereenkomst al vanaf 1 november 2007 werd verhuurd, terwijl de koopovereenkomst op 21 december 2007 is gesloten en de woning op 29 februari 2008 is geleverd. Op grond daarvan oordeelt het hof dat de verdachte ten tijde van de aanvraag niet de intentie had het pand als primaire woning te gebruiken. Het hof neemt medeplegen aan met de medeverdachte, de tussenpersoon en hypotheekadviseur, en verwerpt de tot vrijspraak strekkende verweren.

Het beroep in cassatie is ingesteld door de verdachte. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige concludeert tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing naar het hof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1074) opnieuw wordt berecht en afgedaan. De zaak hangt samen met zaak 23/03051 en is een vervolg op HR 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1074.

Cassatiemiddelen

Het eerste cassatiemiddel klaagt, mede in het licht van een in hoger beroep gevoerd verweer, over de motivering van de bewezenverklaring van het medeplegen van oplichting. Het verweer in hoger beroep houdt onder meer in dat niet blijkt dat de verdachte bekend was met de inhoud van het taxatierapport en dat de aanvraag voor de hypothecaire lening volgens de verdediging is opgesteld op 20 augustus 2007, op welk moment de verdachte niet in strijd met de waarheid zou hebben opgegeven dat het pand voor primaire bewoning was bestemd.

Het tweede cassatiemiddel komt in de uitspraak niet inhoudelijk aan de orde.

Beoordeling Hoge Raad

De Hoge Raad acht het eerste cassatiemiddel gegrond. Uit de bewijsvoering van het hof kan niet zonder meer worden afgeleid dat, zoals het hof heeft geoordeeld, de verdachte ten tijde van het opstellen en verstrekken van de aanvraag hypothecaire geldlening en van het taxatierapport van 20 december 2007 niet de intentie had om het pand als primaire woning te gebruiken zonder dat sprake was van verhuur. Mede in het licht van wat de verdediging in hoger beroep over die intentie naar voren heeft gebracht, is de bewezenverklaring daarom ontoereikend gemotiveerd. Het cassatiemiddel slaagt.

Gelet op deze beslissing acht de Hoge Raad bespreking van het tweede cassatiemiddel niet nodig.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan met inachtneming van het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:1074.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^