Veroordeling tot gevangenisstraf voor het feitelijk leidinggeven aan het voorhanden hebben van valse diploma's en Verklaringen Omtrent het Gedrag bij een zorguitzendbureau

Rechtbank Rotterdam 4 juni 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:7018

De rechtbank Rotterdam veroordeelt de middellijk bestuurder van een uitzendbureau voor zorgpersoneel tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, voor het feitelijk leidinggeven aan het voorhanden hebben van valse geschriften. In de administratie van het bedrijf worden in onderzoek Marlin veertig valse documenten aangetroffen, waaronder uittreksels uit het diplomaregister, diploma's en Verklaringen Omtrent het Gedrag van uitzendkrachten die in de zorg werden geplaatst. De rechtbank acht bewezen dat het bedrijf bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat deze valse stukken in de administratie aanwezig waren en bleven. De verdachte was aanwezig toen een zorgaanbieder de documenten controleerde en zag dat een deel zichtbaar vals was, onder meer door de verschrijving uitreksel in plaats van uittreksel. Hij heeft nagelaten nader onderzoek te doen, terwijl uit een tapgesprek blijkt dat hij wist dat ten minste een uitzendkracht zonder diploma werkte. De rechtbank houdt bij de straf rekening met een overschrijding van de redelijke termijn met ruim twee jaar en met een eerder betaalde strafbeschikking van € 775.000.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1986, die sinds april 2019 middellijk bestuurder is van een uitzendbureau dat personeel levert aan zorginstellingen. Hij heeft de dagelijkse leiding over de onderneming. De zaak wordt in eerste aanleg op tegenspraak behandeld door de meervoudige strafkamer. De verdachte is niet ter zitting verschenen en heeft voorafgaand een schriftelijke verklaring ingediend. Het uitzendbureau levert onder meer uitzendkrachten aan een zorgaanbieder die zorg verleent aan personen met ernstige beperkingen en complexe gedrags- of psychiatrische problematiek. Nadat die zorgaanbieder anonieme berichten ontving dat uitzendkrachten niet over de vereiste documentatie beschikten, is contact gezocht met het bedrijf en uiteindelijk aangifte gedaan. De politie ontving een TCI-melding met dezelfde strekking. In het hierop volgende onderzoek Marlin is op 21 juli 2020 het bedrijfspand doorzocht en zijn de fysieke en digitale administratie en de personeelsdossiers in beslag genomen. Op basis van een steekproef zijn veertig valse documenten in de administratie aangetroffen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat het bedrijf in de periode van 7 september 2019 tot en met 31 juli 2020 te Arnhem meermalen opzettelijk valse of vervalste geschriften voorhanden heeft gehad, te weten uittreksels uit het diplomaregister, diploma's en Verklaringen Omtrent het Gedrag, en dat de verdachte hieraan opdracht dan wel feitelijke leiding heeft gegeven. De valsheid bestaat erin dat op die geschriften in strijd met de waarheid wordt vermeld dat een diploma is behaald, een opleiding is voltooid of een Verklaring Omtrent het Gedrag is afgegeven, terwijl het bedrijf wist dat de stukken bestemd waren voor gebruik als waren zij echt en onvervalst. Het feit is strafbaar gesteld in artikel 225, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, in verbinding met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht voor het daderschap van de rechtspersoon en het feitelijk leidinggeven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht de beschuldiging bewezen en vordert een veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden en een geldboete van € 50.000.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak. Blijkens de schriftelijke verklaring van de verdachte was hij niet betrokken bij het verzamelen van de documentatie van de uitzendkrachten, wist hij niet dat er valse geschriften in de administratie aanwezig waren en bestonden er geen signalen dat die valse geschriften er waren of dat uitzendkrachten zonder de juiste documentatie aan het werk waren.

Oordeel gerecht

De rechtbank volgt de verdachte niet in zijn verklaring. Zij stelt vast dat de verdachte sinds april 2019 middellijk bestuurder is en de dagelijkse leiding heeft. Op 12 september 2019 zijn vertegenwoordigers van de zorgaanbieder op het kantoor van het bedrijf geweest om de documenten van de uitzendkrachten te controleren. De verdachte was daarbij aanwezig, had een actieve rol en liet diploma's, uittreksels en Verklaringen Omtrent het Gedrag zien. Een deel van die documentatie was zichtbaar vals, doordat op de uittreksels het woord uittreksel was geschreven als uitreksel. De rechtbank leidt hieruit af dat het bedrijf en de verdachte op dat moment wisten dat er valse documenten in de administratie waren opgenomen. De rechtbank wijst erop dat deze uitreksels op 7, 9 en 11 september 2019 met spoed per e-mail naar het bedrijf waren gestuurd door een niet te identificeren persoon, kort voor de geplande ontmoeting met de zorgaanbieder, en dat de ontvangende werknemer hierover niet heeft willen verklaren. Dat werknemers geschriften in handen hebben gehad waarvan direct te zien was dat deze niet echt waren, in samenhang met de eerdere meldingen over de authenticiteit van de documentatie, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bedrijf bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat naast deze uitreksels nog meer valse documenten in de administratie aanwezig waren. De verdachte was op de hoogte van de valse documenten en heeft nagelaten nader onderzoek te doen. Uit een tapgesprek van 20 juli 2020 leidt de rechtbank bovendien af dat de verdachte wist dat ten minste een uitzendkracht zonder diploma werkzaam was. Het uitblijven van nader onderzoek merkt de rechtbank aan als een laakbare tekortkoming in het handelen van de verdachte als feitelijk leidinggevende. De rechtbank concludeert dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de valse documenten in de administratie opgenomen waren en bleven, en daarmee feitelijke leiding heeft gegeven aan het voorhanden hebben ervan. Van opdracht geven is niet gebleken. Het bewezen verklaarde levert op het opzettelijk voorhanden hebben van een geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven, meermalen gepleegd. Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat het bedrijf in de periode van 7 september 2019 tot en met 31 juli 2020 te Arnhem meermalen opzettelijk valse of vervalste geschriften voorhanden heeft gehad, en dat de verdachte hieraan feitelijke leiding heeft gegeven. Het gaat om:

  • een uittreksel uit het diplomaregister op naam van een persoon geboren in 1983 voor de opleiding Gespecialiseerd pedagogisch medewerker;

  • een uittreksel uit het diplomaregister op naam van een persoon geboren in 1995 voor de opleiding Pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg;

  • een uittreksel uit het diplomaregister op naam van een persoon geboren in 1990 voor de opleiding Maatschappelijke zorg;

  • een diploma Middelbaar Beroepsonderwijs op naam van een persoon geboren in 1989 met de kwalificatie Sociaal-maatschappelijk werker;

  • een diploma Beroepsonderwijs op naam van een persoon geboren in 1994 met de kwalificatie Maatschappelijke zorg;

  • een diploma op naam van een persoon geboren in 1994 met de kwalificatie Pedagogisch medewerker 4 jeugdzorg;

  • een diploma Middelbaar Beroepsonderwijs op naam van een persoon geboren in 1985 met de kwalificatie Sociaal-cultureel werker;

  • een Verklaring Omtrent het Gedrag op naam van een persoon geboren in 1982 voor het doel Groepsleider bij het bedrijf;

  • andere valse of vervalste geschriften, te weten diploma's, uittreksels en Verklaringen Omtrent het Gedrag.

Van het opdracht geven tot deze gedragingen wordt de verdachte vrijgesproken, nu dit niet is gebleken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een gevangenisstraf op voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Zij overweegt dat het bedrijf uitzendkrachten zonder de benodigde kwalificaties verantwoordelijkheid liet dragen voor zorgbehoevenden met ernstige beperkingen en complexe problematiek, wat gelet op hun kwetsbaarheid bijzonder risicovol is. Het vertrouwen dat zorgbehoevenden en hun naasten in de bekwaamheid en betrouwbaarheid van verzorgers moeten kunnen hebben en het vertrouwen van zorgverleners in de authenticiteit van diploma's en Verklaringen Omtrent het Gedrag zijn door het handelen van het bedrijf en de verdachte geschaad, ten gunste van financieel gewin. Uit het uittreksel justitiële documentatie blijkt dat de verdachte niet recent onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen op 7 maart 2022, de dag waarop de verdachte voor het eerst is gehoord, en dat tot aan het vonnis een periode van 4 jaar en bijna 4 maanden is verstreken, zodat de termijn van twee jaren met ruim twee jaar is overschreden. Met die overschrijding houdt de rechtbank rekening bij de strafmaat. Ook houdt zij er rekening mee dat het bedrijf naar aanleiding van een strafbeschikking € 775.000 heeft betaald, waardoor de verdachte als bestuurder financieel is geraakt. Het voorwaardelijke strafdeel strekt ertoe te voorkomen dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank wijkt af van de eis van het Openbaar Ministerie en legt een lagere gevangenisstraf op, deels voorwaardelijk, en geen geldboete. De oplegging is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 51 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^