Valse factuur voor bankfinanciering: OVAR wegens ontbrekende bestanddelen | Geen verduistering bij valutatransacties door vermogensovergang
/Rechtbank Oost-Brabant 11 februari 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:989
Deze strafzaak betreft een natuurlijke persoon aan wie valsheid in geschrifte en verduistering worden verweten. De rechtbank acht bewezen dat verdachte een debetfactuur van 10 januari 2022 valselijk opmaakt, nu geen werkzaamheden zijn verricht en geen rechtsverhouding bestond met de vermelde wederpartij. Tevens acht de rechtbank bewezen dat verdachte deze facturen via een financieringsplatform bij een bank indient en daarmee opzettelijk gebruikmaakt van valse geschriften. De bewezenverklaarde feiten kunnen echter niet worden gekwalificeerd als strafbare feiten, omdat essentiële wettelijke bestanddelen in de tenlastelegging ontbreken, zodat ontslag van alle rechtsvervolging volgt. Ten aanzien van de valutatransacties spreekt de rechtbank vrij van verduistering, nu de ontvangen valuta op grond van de contractuele verhouding tot het vermogen van verdachte of diens vennootschappen gaan behoren en derhalve geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van een goed dat aan een ander toebehoort in de zin van artikel 321 Sr. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard en een straf of maatregel blijft achterwege.
Context van de zaak
Deze strafzaak speelt bij de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, en betreft een natuurlijke persoon, geboren in 1975, wonend in Nederland. Verdachte opereert zakelijk als directeur en via aan hem gelieerde vennootschappen. In het dossier komen meerdere ondernemingen voor die aan verdachte zijn gelieerd, waaronder bedrijf 1, bedrijf 3 en bedrijf 4.
De zaak kent twee duidelijk te onderscheiden onderdelen. Het eerste onderdeel gaat over vermeend valselijk opgemaakte facturen die worden ingezet voor factuurfinanciering via een digitaal platform Fundr en een bank. Het tweede onderdeel ziet op valutatransacties bij twee financiële instellingen, waarbij verdachte opdrachten geeft tot omzetting van euro’s naar dollars en vice versa. De aangekochte valuta worden direct bijgeschreven, terwijl de tegenwaarde later wordt afgeschreven. Volgens het dossier ontstaat daardoor roodstand die niet of nauwelijks wordt aangezuiverd. Verdachte en betrokken vennootschappen verkeren uiteindelijk in staat van faillissement. De rechtbank behandelt de zaak op tegenspraak na een terechtzitting van 28 januari 2026.
Tenlastelegging
Feit 1 ziet op valsheid in geschrifte door het valselijk opmaken of vervalsen van twee facturen in januari 2022. Het gaat om een debet invoice factuur van 10 januari 2022 ten bedrage van 36300, gericht aan bedrijf 2, en een credit invoice factuur van 26 januari 2022 ten bedrage van 46282, eveneens gericht aan bedrijf 2. Verdachte wordt verweten dat hij op de facturen de naam van bedrijf 2 vermeldt en daarmee schijnbaar doet voorkomen dat bedrijf 2 een bedrag aan verdachte of bedrijf 1 moet betalen dan wel dat verdachte of bedrijf 1 een bedrag aan bedrijf 2 moet betalen, terwijl geen zakenrelatie of betalingsverplichting bestaat.
Feit 2 ziet op het opzettelijk gebruikmaken van die valse of vervalste geschriften door de facturen via Fundr digitaal in te dienen bij een bank in het kader van de aanvraag van voorfinanciering, waarbij ook bij de creditfactuur schijnbaar wordt gedaan voorkomen dat sprake is van een debetfactuur.
Feit 3 en feit 4 zien op verduistering als bedoeld in artikel 321 Sr van geldbedragen die zouden toebehoren aan respectievelijk slachtoffer bij feit 3, circa 922998,35, en een bank bij feit 4, circa 620077,69. Verdachte wordt verweten dat hij deze geldbedragen, die hij uit hoofde van zakelijke vreemde valuta overeenkomsten onder zich heeft, wederrechtelijk zich toe-eigent.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie vordert integrale bewezenverklaring van alle vier de feiten. Volgens het Openbaar Ministerie voldoet zowel de factuurconstructie rond factuurfinanciering als de handelwijze bij de valutatransacties aan de wettelijke bestanddelen van respectievelijk valsheid in geschrifte, het gebruik daarvan en verduistering van aan een ander toebehorende bedragen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Ten aanzien van feit 1 en feit 2 voert de raadsman aan dat verdachte niet opzettelijk valse facturen opmaakt en niet opzettelijk daarvan gebruik wil maken als ware deze echt en onvervalst.
Ten aanzien van feit 3 en feit 4 stelt de verdediging dat geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening. Volgens de raadsman is feitelijk sprake van een krediet- of vergelijkbare financieringsrelatie, waarbij verdachte veronderstelt dat hij de ontvangen gelden vrij kan gebruiken zolang hij de ontstane roodstand later aanzuivert. Indien dat niet zou zijn toegestaan, ligt het volgens de verdediging op de weg van de banken om het technisch onmogelijk te maken dat dergelijke roodstanden ontstaan. Subsidiair voert de raadsman aan dat de handelwijze mogelijk eerder als oplichting kan worden gekwalificeerd, maar nu verduistering is ten laste gelegd, dient vrijspraak te volgen indien niet aan de vereisten van artikel 321 Sr is voldaan.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank beoordeelt de feiten afzonderlijk.
Ten aanzien van de factuur van 10 januari 2022 acht de rechtbank bewezen dat deze valselijk is opgemaakt. Er zijn geen werkzaamheden verricht waarvoor het bedrag van 36300 verschuldigd is. De verklaring van verdachte dat het zou gaan om werkzaamheden van zijn overleden vader vanuit een andere vennootschap acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte maakt de factuur op vanuit bedrijf 1, terwijl geen rechtsverhouding met bedrijf 2 bestaat. De factuur is bovendien niet daadwerkelijk aan bedrijf 2 verzonden.
Ten aanzien van de factuur van 26 januari 2022 spreekt de rechtbank vrij voor zover het gaat om het valselijk opmaken van een creditfactuur. De vermelding “credit invoice” wordt als een kennelijke verschrijving aangemerkt. De tenlastelegging sluit niet aan bij de feitelijke inhoud van de factuur, zodat dit onderdeel niet bewezen kan worden verklaard.
Feit 2 acht de rechtbank bewezen. Verdachte dient de facturen via Fundr in bij de bank en doet daarmee voorkomen dat bedrijf 1 rechtmatig een vordering heeft op bedrijf 2. Nu verdachte zelf de facturen valselijk opmaakt, is het opzet op het gebruik als echt en onvervalst gegeven.
Ten aanzien van feit 3 en feit 4 spreekt de rechtbank vrij van verduistering. De ontvangen valuta worden op grond van de contractuele verhouding onderdeel van het vermogen van verdachte of diens vennootschappen. Dat roodstand ontstaat en niet wordt aangezuiverd, maakt nog niet dat sprake is van wederrechtelijke toe-eigening van een goed dat aan een ander toebehoort. Een essentieel bestanddeel van artikel 321 Sr ontbreekt daarmee.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte de debetfactuur van 10 januari 2022 ten bedrage van 36300 valselijk opmaakt en dat hij gebruik maakt van valse geschriften door deze factuur en de factuur van 26 januari 2022 in te dienen bij de bank in het kader van voorfinanciering. Voor het overige volgt vrijspraak, waaronder volledig voor feit 3 en feit 4.
Strafoplegging
Hoewel feit 1 deels en feit 2 bewezen zijn, oordeelt de rechtbank dat de bewezenverklaarde feiten niet als strafbare feiten kunnen worden gekwalificeerd, omdat essentiële bestanddelen in de tenlastelegging ontbreken. Daarom volgt ontslag van alle rechtsvervolging voor feit 1 en feit 2. Voor feit 3 en feit 4 volgt vrijspraak. Er wordt geen straf of maatregel opgelegd.
Lees hier de volledige uitspraak.
