Taakstraf voor feitelijk leidinggeven aan het aanwenden van NOW- en TVL-subsidie voor privédoeleinden, salarisvordering toegewezen als rechtstreekse schade

Rechtbank Oost-Brabant 24 september 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026:6849

De rechtbank Oost-Brabant veroordeelt de bestuurder van een Amsterdamse restaurantvennootschap voor feitelijk leidinggeven aan subsidiefraude in de zin van artikel 323a Sr. De vennootschap ontvangt in 2020 en 2021 in totaal € 152.727,23 aan NOW- en TVL-subsidie, waarvan slechts € 11.342,09 aan loonkosten en niets aan vaste lasten wordt besteed. De verdachte neemt de subsidiegelden contant op of boekt ze over naar zijn privérekeningen en gebruikt ze voor privé-uitgaven. De rechtbank leidt het opzet af uit de tenaamstelling van de regelingen, de voorlichting door de boekhouder en de verklaring bij de NOW-aanvraag dat de voorwaarden zijn gelezen. Conform de eis legt de rechtbank een taakstraf van 240 uren op, met strafmatigende weging van de ouderdom van de feiten en de coronaperiode. Een salarisvordering wordt toegewezen als rechtstreekse schade, omdat de NOW-subsidie specifiek bestemd was voor de doorbetaling van loonkosten.

Inleiding en context

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ‘s-Hertogenbosch, wijst in eerste aanleg vonnis op tegenspraak na het onderzoek ter terechtzitting van 10 september 2026. De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 juli 2026.

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1979, en bestuurder van een vennootschap die een restaurant exploiteert. Op 16 oktober 2024 geeft een in de uitspraak geanonimiseerde instantie een signaal af over vermoedelijk misbruik van aan de vennootschap verstrekte coronasteunsubsidies. Dat signaal vormt in 2025 de aanleiding voor een strafrechtelijk onderzoek naar het restaurant en de verdachte. Het restaurant heeft in de coronaperiode de deuren gesloten. De verdachte is nadien in een schuldsaneringstraject terechtgekomen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij opdracht heeft gegeven tot, dan wel feitelijke leiding heeft gegeven aan, het door de vennootschap meermalen opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van middelen die met een bepaald doel door of vanwege de overheid zijn verstrekt, voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt (artikel 323a Sr in verbinding met artikel 51 Sr).

Feit 1 betreft twee subsidiebedragen op grond van de Noodmaatregel Overbrugging Werkgelegenheid (NOW): € 5.769,91 over maart tot en met mei 2020 en € 22.372 over juni tot en met september 2020, bedoeld als tegemoetkoming in de loonkosten van de werknemers. De ten laste gelegde periode loopt van 9 april 2020 tot en met 13 oktober 2025.

Feit 2 betreft vijf subsidiebedragen op grond van de Tegemoetkoming Vaste Lasten (TVL) van € 12.012,88, € 30.075,18, € 26.253,27, € 29.256,50 en € 15.645,40, over de periode van juni 2020 tot en met september 2021, bedoeld als tegemoetkoming in de vaste materiële kosten van de vennootschap. De ten laste gelegde periode loopt van 20 juli 2020 tot en met 13 oktober 2025.

Volgens de tenlastelegging zijn de gelden contant opgenomen of overgemaakt naar privérekeningen van de verdachte, onder meer voor zijn persoonlijke vaste lasten (feit 1), voor salaris aan de verdachte (feit 2) en voor privékosten en privéschulden. Centraal staan het opzet op de andere besteding en het feitelijk leidinggeven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht beide feiten wettig en overtuigend bewezen en vordert een taakstraf van 240 uren.

Ten aanzien van de eerste benadeelde partij vordert de officier van justitie toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente, en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de tweede benadeelde partij vordert de officier van justitie toewijzing tot € 20.230,48, vermeerderd met de wettelijke rente, en niet-ontvankelijkverklaring voor het overige. Bij toewijzing van de vordering van de eerste benadeelde partij resteert volgens de officier van justitie dat bedrag als niet in overeenstemming met de doelstelling van de subsidie besteed.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van beide feiten. Het voor een veroordeling vereiste opzet kan volgens de verdediging niet worden bewezen. Verder kan niet worden bewezen dat geen uitgaven voor vaste lasten zijn gedaan.

Ten aanzien van de straf verzoekt de raadsvrouw primair de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf en subsidiair een taakstraf op te leggen.

Ten aanzien van de eerste benadeelde partij bepleit de raadsvrouw primair niet-ontvankelijkheid, omdat geen sprake is van rechtstreekse schade: het loon was verschuldigd op grond van de arbeidsovereenkomst en niet op grond van de subsidie. Subsidiair verzoekt zij afwijzing en meer subsidiair matiging. Ten aanzien van de tweede benadeelde partij bepleit zij primair niet-ontvankelijkheid, subsidiair afwijzing en meer subsidiair matiging.

Formele verweren worden in het vonnis niet weergegeven.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is en dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging. Er zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging. Voor de bewijsmiddelen verwijst de rechtbank naar een bewijsbijlage.

De rechtbank verwerpt het verweer dat het opzet ontbreekt. De NOW-subsidie was bedoeld om werkgevers te ondersteunen bij de betaling van loonkosten, de TVL om ondernemers te helpen hun vaste lasten te betalen. Van een ondernemer mag in beginsel worden verwacht dat hij bekend is met het doel en de voorwaarden van de subsidie die hij aanvraagt. Het beoogde bestedingsdoel blijkt volgens de rechtbank al uit de tenaamstelling van de regelingen. Uit de bewijsmiddelen volgt verder dat de boekhouder de verdachte heeft ingelicht over het doel van de subsidies en de besteding van de gelden, en dat de verdachte bij de NOW-aanvraag heeft verklaard de voorwaarden te hebben gelezen.

De subsidies zijn aangevraagd in naam en ten behoeve van de vennootschap. Tussen april 2020 en december 2021 ontvangt de vennootschap in totaal € 152.727,23 aan NOW- en TVL-subsidie. In die periode is slechts € 11.342,09 aan loonkosten besteed en zijn op de bankrekeningen van de vennootschap geen betalingen aangetroffen die verband houden met haar vaste lasten. De verdachte heeft de gelden contant opgenomen of overgemaakt naar zijn privérekeningen en verklaart dat hij het geld voor privé-uitgaven heeft gebruikt. Daarmee heeft hij de gelden aan de onderneming onttrokken en voor zichzelf gebruikt. De rechtbank acht het opzet op het aanwenden voor andere doeleinden bewezen.

Ten aanzien van het feitelijk leidinggeven overweegt de rechtbank dat de verdachte als bestuurder van een andere vennootschap, enig aandeelhouder van de restaurantvennootschap en bewaarder van de boeken en bescheiden de feitelijke zeggenschap binnen de onderneming had en over de subsidiebedragen beschikte. Hij heeft de subsidies aangevraagd en de gelden vervolgens zelf opgenomen of overgeboekt. Daarmee heeft hij zelf uitvoering gegeven aan de gedragingen die tot de bewezenverklaarde feiten hebben geleid, waaruit de rechtbank afleidt dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen van de rechtspersoon.

De rechtbank beperkt de pleegperiode van beide feiten tot 23 december 2021 en verklaart bij feit 2 bewezen dat de TVL-gelden deels voor andere doeleinden zijn aangewend. Taal- en schrijffouten in de tenlastelegging worden verbeterd, zonder dat de verdachte in zijn verdediging is geschaad. Beide feiten leveren op: het opzettelijk en wederrechtelijk middelen die met een bepaald doel zijn verstrekt, aanwenden voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verstrekt, begaan door een rechtspersoon, terwijl de verdachte feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Bewezenverklaring

  • Feit 1: het feitelijk leidinggeven aan het door de vennootschap in de periode van 9 april 2020 tot en met 23 december 2021 te Amsterdam telkens opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van NOW-subsidiebedragen van € 5.769,91 en € 22.372, bedoeld voor de loonkosten van haar werknemers, voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.

  • Feit 2: het feitelijk leidinggeven aan het door de vennootschap in de periode van 20 juli 2020 tot en met 23 december 2021 te Amsterdam telkens opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van vijf TVL-subsidiebedragen, bedoeld voor haar vaste materiële kosten, deels voor andere doeleinden dan waarvoor zij waren verstrekt.

De verdachte wordt vrijgesproken van wat meer of anders is ten laste gelegd, waaronder het opdracht geven en de periode na 23 december 2021.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een taakstraf op van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en volgt daarmee de eis van de officier van justitie. Zij verbindt aan het bewezenverklaarde de artikelen 9, 22c, 22d, 36f, 51, 57 en 323a Sr.

De verdachte heeft als feitelijk leidinggever € 141.385,14 aan ontvangen NOW- en TVL-subsidie anders besteed dan waarvoor deze bedoeld was en heeft daarmee misbruik gemaakt van gemeenschapsgeld en zijn werknemers benadeeld. Dat rekent de rechtbank hem aan. Strafmatigend weegt zij de ouderdom van de feiten en de omstandigheden waaronder zij zijn begaan mee. De coronaperiode kenmerkte zich door onduidelijkheid en onzekerheid, de sluiting van het restaurant is het gevolg geweest van de uitdagingen waarvoor de subsidies waren bedoeld, en de verdachte verkeerde zelf in grote financiële problemen die hebben geleid tot een schuldsaneringstraject. De rechtbank acht een taakstraf van 240 uren passend en geboden. Op het primaire verzoek om schuldigverklaring zonder oplegging van straf gaat het vonnis niet afzonderlijk in.

De rechtbank wijst de vordering van de eerste benadeelde partij van € 7.911,43 aan salaris geheel toe, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2020. Volgens de rechtbank is sprake van rechtstreekse schade, omdat de NOW-subsidie is verstrekt met het specifieke doel de loonkosten van het personeel door te betalen en dat geld voor andere doeleinden is gebruikt. Voor dit bedrag legt de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel op, met gijzeling van ten hoogste 64 dagen, met de gebruikelijke bepaling dat betaling aan de Staat of aan de benadeelde partij de andere verplichting doet vervallen.

De vordering van de tweede benadeelde partij wijst de rechtbank toe tot € 20.230,48 als rechtstreeks door het bewezenverklaarde toegebrachte materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 september 2020. Na toewijzing van de vordering van de eerste benadeelde partij resteert dat bedrag als niet in overeenstemming met de doelstelling van de subsidie besteed. Het meer gevorderde wijst de rechtbank af, waar de officier van justitie niet-ontvankelijkverklaring had gevorderd. Het vonnis vermeldt niet welk bedrag de tweede benadeelde partij in totaal vorderde. Voor deze vordering wordt geen schadevergoedingsmaatregel opgelegd. In beide gevallen wordt de verdachte veroordeeld in de proceskosten, begroot op nihil, en in de kosten van tenuitvoerlegging. Het dictum plaatst beide beslissingen op de vorderingen onder feit 1.

Lees hier de volledige uitspraak.

Gerelateerde berichten

Gerelateerde cursussen

Print Friendly and PDF ^