Hoge Raad vernietigt de veroordeling voor het openbaar maken van een onware balans na toezending van die balans aan de Dienst Justis in een Bibob-procedure

Hoge Raad 6 oktober 2026, ECLI:NL:HR:2026:1621

De Hoge Raad vernietigt de veroordeling van een man voor het opzettelijk openbaar maken van een onware balans, artikel 336 Sr, en wijst de zaak op dat punt en wat betreft de strafoplegging terug naar het gerechtshof Amsterdam. Volgens het hof heeft de verdachte als vennoot van een vennootschap onder firma in het kader van een Bibob-procedure een balans naar de Dienst Justis gestuurd waarop ten onrechte een langlopende schuld van € 652.938 staat. De Hoge Raad overweegt dat artikel 336 Sr, mede gelet op de wetsgeschiedenis, het publiek beoogt te beschermen tegen misleiding door het publiceren van een onware balans. Van openbaar maken is daarom sprake bij een handeling waarmee de verdachte zich wendt tot het publiek. De enkele vaststelling dat de balans in een Bibob-procedure naar de Dienst Justis is verzonden, volstaat niet voor dat oordeel, zodat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. De veroordeling voor medeplegen van witwassen en witwassen blijft in stand.

Achtergrond

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1947. Het gerechtshof Amsterdam veroordeelt hem op 18 maart 2024 wegens onder 1 medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd, en onder 2 witwassen, artikel 420bis lid 1 onder a en b Sr, en onder 3 het door de bestuurder opzettelijk openbaar maken van een onware balans, artikel 336 Sr. Het hof legt een gevangenisstraf van zes maanden op, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en een taakstraf van 240 uren, en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. Het witwassen heeft betrekking op een nachtclub en prostitutiebedrijf. In eerste aanleg volgt voor het witwassen vrijspraak.

Feit 3 ziet op het volgende. Naar aanleiding van een vragenbrief van 16 oktober 2014 in het kader van een Bibob-onderzoek sturen de verdachte en zijn vrouw op 30 oktober 2014 een reactie aan de Dienst Justis van het ministerie van Veiligheid en Justitie. Daarin vermelden zij dat drie leningsovereenkomsten betrekking hebben op de vennootschap onder firma, met verwijzing naar de bijgevoegde jaarstukken. Op de balans per 31 december 2013 is onder de post langlopende schulden een schuld van € 652.938 opgenomen, terwijl van leningen geen sprake is. Het hof neemt de bewijsvoering van de rechtbank over, die oordeelt dat de verdachte de balans openbaar heeft gemaakt door deze aan de Dienst Justis te verstrekken. Er bestaat samenhang met zaak 24/01146.

Cassatiemiddelen

Namens de verdachte stelt de advocaat Y. Moszkowicz cassatiemiddelen voor. Het eerste middel klaagt volgens de conclusie van de advocaat-generaal dat het hof op de terechtzitting onvoldoende onderscheid heeft gemaakt tussen het optreden van de verdachte in zijn eigen zaak en zijn optreden als vertegenwoordiger van de medeverdachte, een besloten vennootschap. Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van het witwassen onder 1, onder meer over het oordeel dat door een ander ingebrachte gelden uit misdrijf afkomstig zijn. Het derde middel komt op tegen de bewezenverklaring onder 3 en klaagt onder meer over het oordeel dat de verdachte een onware balans openbaar heeft gemaakt. Een vierde middel betreft volgens de conclusie de strafoplegging. De advocaat-generaal Van Wees concludeert tot vernietiging uitsluitend wat betreft feit 3 en de strafoplegging, tot terugwijzing en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman reageert daarop schriftelijk.

Beoordeling Hoge Raad

Het eerste middel leidt niet tot cassatie. De Hoge Raad doet het af met toepassing van artikel 81 lid 1 RO.

Het tweede middel leidt evenmin tot cassatie. De Hoge Raad verwijst voor de redenen naar de conclusie van de advocaat-generaal onder 3.

Het derde middel slaagt. Omdat de tenlastelegging is toegesneden op artikel 336 Sr, moeten de woorden openbaar heeft gemaakt worden opgevat in de betekenis die zij in die bepaling hebben (rechtsoverweging 4.3.1). De Hoge Raad geeft de wetsgeschiedenis weer, waaruit volgt dat het delict zelfstandig naast valsheid in geschrift staat en ziet op de publicatie van een onware balans waardoor het publiek kan worden misleid (rechtsoverweging 4.3.3). Mede daarom overweegt de Hoge Raad dat met de strafbaarstelling is beoogd het publiek te beschermen tegen misleiding door het publiceren van een onware balans door onder meer een bestuurder of beherende vennoot van een rechtspersoon of vennootschap. Van openbaar maken is sprake als het gaat om een handeling waarmee de verdachte zich wendt tot het publiek, met verwijzing naar HR 19 november 1923, ECLI:NL:HR:1923:51 (rechtsoverweging 4.4). De enkele vaststelling dat de verdachte en zijn vrouw in een Bibob-procedure een balans met een ten onrechte opgenomen schuld naar de Dienst Justis hebben verzonden, volstaat niet voor het oordeel dat de verdachte een onware balans openbaar heeft gemaakt. De bewezenverklaring is daarom ontoereikend gemotiveerd (rechtsoverweging 4.5).

Gelet op de beslissing is bespreking van de cassatiemiddelen voor het overige niet nodig.

Beslissing van de Hoge Raad

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het hof, uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 3 tenlastegelegde en de strafoplegging, wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam opdat deze in zoverre opnieuw wordt berecht en afgedaan, en verwerpt het beroep voor het overige.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^