Veroordeling feitelijk leidinggever restaurant voor NOW-subsidiefraude en faillissementsfraude, OVAR voor gebruik van valse geschriften

Rechtbank Overijssel 18 juni 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:3455

De rechtbank Overijssel veroordeelt een feitelijk leidinggever en bestuurder van een Amsterdamse restaurant voor subsidiefraude en faillissementsfraude. De verdachte wendt uitgekeerde NOW-subsidies van in totaal € 214.616 aan voor andere doeleinden dan de loonkosten waarvoor zij zijn verstrekt en boekt in de maanden voor het faillissement samen met een medeverdachte subsidiegelden door naar privérekeningen, waarmee hij deze aan de boedel onttrekt. Daarnaast voldoet hij als bestuurder niet aan de administratie- en bewaarplicht, waardoor de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt. Voor het feitelijke leidinggeven aan het gebruik van vervalste bankafschriften door een tweede vennootschap volgt ontslag van alle rechtsvervolging, omdat een bestanddeel van artikel 225 lid 2 Sr in de tenlastelegging en bewezenverklaring ontbreekt. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaren op. Daarmee volgt zij de eis van het Openbaar Ministerie en hanteert zij als uitgangspunt gelijke monniken, gelijke kappen ten opzichte van de medeverdachte.

Inleiding en context

De zaak dient voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, in eerste aanleg. De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1982, zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en volgens eigen opgave verblijvend in België. Het onderzoek op de openbare terechtzitting vindt plaats op 4 juni 2026, waar de verdachte wordt bijgestaan door zijn raadsvrouw.

De verdachte is samen met een medeverdachte gelieerd aan een vennootschap die op 10 februari 2006 is opgericht en een restaurant drijft. De verdachte is bestuurder van deze restaurantvennootschap van 3 oktober 2019 tot 3 augustus 2020, waarna de medeverdachte hem als formeel bestuurder opvolgt. De verdachte is samen met een ander aandeelhouder tot 18 december 2020; vanaf die datum is de medeverdachte enig aandeelhouder. De vennootschap wordt op 2 maart 2021 door de rechtbank Amsterdam failliet verklaard, met benoeming van een curator.

Op 21 mei 2021 ontvangt de Opsporingsdienst van de Nederlandse Arbeidsinspectie een rapport van het UWV met fraudemeldingen over de vennootschap. Op 9 september 2021 doet de curator melding van faillissementsfraude. De Opsporingsdienst stelt vervolgens een strafrechtelijk onderzoek in onder de naam Sugar Valley. Daarnaast is de verdachte vanaf 1 juni 2017 bestuurder en vanaf 10 januari 2019 enig aandeelhouder van een tweede vennootschap die reinigingsproducten verkoopt. Naar aanleiding van het eerste onderzoek stelt de Opsporingsdienst onder de naam Avera een tweede strafrechtelijk onderzoek in naar door deze tweede vennootschap aan het UWV aangeleverde bankafschriften.

Tenlastelegging en wettelijk kader

Onder parketnummer 84.166293.23 worden de verdachte drie feiten verweten. Feit 1 betreft het feitelijke leidinggeven aan het door de restaurantvennootschap opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van subsidiegelden, te weten gelden uit de eerste, tweede en derde tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW), voor andere doeleinden dan de betaling van loonkosten waarvoor zij zijn verstrekt. Dit feit is strafbaar gesteld in artikel 323a Sr. Feit 2 betreft het als feitelijk bestuurder tezamen en in vereniging onttrekken van geldbedragen aan de boedel in de periode voorafgaand aan het faillissement, terwijl de verdachte wist dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld, strafbaar gesteld in artikel 343 Sr. Feit 3 betreft het als bestuurder opzettelijk niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement wordt bemoeilijkt, strafbaar gesteld in artikel 344a Sr.

Onder parketnummer 84.166097.23 wordt de verdachte verweten dat hij op 23 juni 2021 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de tweede vennootschap opzettelijk gebruikmaken van acht valse of vervalste bankafschriften, door deze aan het UWV te doen toezenden, terwijl daarop in strijd met de waarheid was vermeld dat salarisbetalingen aan werknemers waren verricht.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat alle ten laste gelegde feiten onder beide parketnummers wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. De officier van justitie eist een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging bepleit vrijspraak van de feiten onder het eerste parketnummer. Ten aanzien van feit 1 voert zij aan dat alleen voor de subsidiegelden uit de derde NOW-aanvraag kan worden aangetoond dat deze voor andere doeleinden zijn aangewend, zodat partiële vrijspraak dient te volgen voor de gelden uit NOW 1 en NOW 2. Verder kan de restaurantvennootschap volgens de verdediging niet als pleger worden aangemerkt en de verdachte dus evenmin als feitelijke leidinggever. Ten aanzien van feit 2 voert de verdediging aan dat het faillissement niet voorzienbaar was. Ten aanzien van feit 3 stelt zij dat de administratie pas vanaf maart 2020 niet meer inzichtelijk was en dat de verdachte na 3 augustus 2020 geen bestuurder meer was, zodat niet kan worden vastgesteld dat de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt door gebrekkige administratie over die korte periode.

Onder het tweede parketnummer bepleit de verdediging dat geen bewezenverklaring kan volgen, omdat de verdachte en de tweede vennootschap geen opzet hebben gehad op de valsheid van de geschriften en niet is ten laste gelegd dat de verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geschriften vals waren.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht de drie feiten onder het eerste parketnummer wettig en overtuigend bewezen.

Voor feit 1 stelt de rechtbank vast dat driemaal een NOW-subsidie is aangevraagd en dat het UWV in totaal € 214.616 bij wijze van voorschot aan de restaurantvennootschap heeft uitbetaald. Uit het onderzoek van de transactiegegevens blijkt dat van de subsidiegelden uit de eerste en tweede NOW-aanvraag een bedrag van € 29.914,13 niet aan loonkosten is besteed, maar onder meer aan energiekosten, inkoopkosten, een incassobureau en overboekingen naar privérekeningen. De subsidiegelden uit de derde NOW-aanvraag, met een totaalbedrag van € 71.451, zijn in het geheel niet aan loonkosten besteed maar overgeboekt naar privérekeningen. De rechtbank verwerpt het verweer dat partiële vrijspraak dient te volgen, en overweegt dat het feit dat een deel wel aan loonkosten is besteed en dat de besteding van het restant niet nader is onderzocht, hieraan niet afdoet. De rechtbank merkt de restaurantvennootschap aan als dader, omdat het aanvragen van subsidies binnen de normale bedrijfsvoering valt en de gedraging de vennootschap dienstig is geweest. Op grond van de correspondentie met de medeverdachte, de verklaring van de boekhouder en de wezenlijke betrokkenheid van de verdachte bij de financiële aspecten van de onderneming, ook na 3 augustus 2020, merkt de rechtbank de verdachte aan als feitelijke leidinggever en neemt zij vol opzet aan. De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het tezamen en in vereniging plegen mét de vennootschap, omdat feitelijk leidinggeven aan eigen medeplegen niet mogelijk is, en bepaalt de einddatum van de pleegperiode op 29 januari 2021.

Voor feit 2 beoordeelt de rechtbank eerst of de verdachte als feitelijk bestuurder kan worden aangemerkt in de zin van artikel 348a Sr. Onder verwijzing naar het beleidsbepalende optreden van de verdachte, waaronder zijn rol bij relatiebeheer, personeelszaken, debiteurenbeleid, liquiditeit en financiering, en het feit dat hij en de medeverdachte op gelijke voet met elkaar overlegden, stelt de rechtbank vast dat de verdachte feitelijk bestuurder is. De rechtbank verwerpt het verweer dat het faillissement niet voorzienbaar was, en overweegt dat het faillissement vanaf 8 september 2020 voor de verdachte voorzienbaar was, gelet op de e-mailwisseling met de advocaat van een energieleverancier waarin uitdrukkelijk een faillissementsaanvraag wordt genoemd. De ten laste gelegde overboekingen, die betrekking hebben op doorgeboekte TVL- en NOW-gelden, merkt de rechtbank aan als onttrekkingen aan de boedel, nu de curator hiervoor geen zakelijke onderbouwing heeft gevonden en de betalingen onverplicht hebben plaatsgevonden. De rechtbank stelt een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte vast en acht het feit bewezen.

Voor feit 3 overweegt de rechtbank dat een bestuurder op grond van artikel 2:10 BW verplicht is een administratie te voeren waaruit te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend. De rechtbank stelt vast dat de aangeleverde administratie niet compleet was en dat vanaf 1 maart 2020 geen kasboek aanwezig was. Ondanks de taakverdeling met de medeverdachte blijft de verdachte individueel verantwoordelijk voor het voeren van een deugdelijke administratie en het houden van toezicht daarop. Door na te laten zich te vergewissen van de juistheid van de boekhouding heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat niet aan de administratieplicht werd voldaan. De rechtbank verwerpt het verweer dat de afhandeling niet is bemoeilijkt, en acht het feit bewezen.

Onder het tweede parketnummer acht de rechtbank bewezen dat de ten laste gelegde bankafschriften valselijk zijn opgemaakt en dat de tweede vennootschap daarvan opzettelijk gebruik heeft gemaakt door deze via de boekhouder aan het UWV te doen verstrekken. De rechtbank merkt de verdachte als enig bestuurder en aandeelhouder aan als feitelijke leidinggever. Bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde oordeelt de rechtbank echter dat dit geen strafbaar feit oplevert, omdat het bestanddeel wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de geschriften vals waren, zoals bedoeld in artikel 225 lid 2 Sr, in de tenlastelegging en de bewezenverklaring ontbreekt. De rechtbank ontslaat de verdachte onder dit parketnummer daarom van alle rechtsvervolging.

Bewezenverklaring

Onder parketnummer 84.166293.23 acht de rechtbank bewezen:

  • feit 1: het feitelijke leidinggeven aan het door de restaurantvennootschap meermalen opzettelijk en wederrechtelijk aanwenden van NOW-subsidiegelden (in totaal € 214.616 uitgekeerd) voor andere doeleinden dan de loonkosten waarvoor zij zijn verstrekt, in de periode van 7 april 2020 tot en met 29 januari 2021;

  • feit 2: het als feitelijk bestuurder, tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 8 september 2020 tot en met 2 maart 2021 onttrekken van geldbedragen aan de boedel door overboekingen naar privérekeningen, terwijl de verdachte en zijn mededader wisten dat schuldeisers daardoor in hun verhaalsmogelijkheden werden benadeeld;

  • feit 3: het als bestuurder in de periode van 3 oktober 2019 tot en met 2 maart 2021 opzettelijk niet voldoen aan de administratie- en bewaarplicht, ten gevolge waarvan de afhandeling van het faillissement is bemoeilijkt.

Onder parketnummer 84.166097.23 acht de rechtbank bewezen dat de verdachte op 23 juni 2021 feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de tweede vennootschap gebruikmaken van acht vervalste bankafschriften, door deze bij het UWV te doen indienen, terwijl daarop in strijd met de waarheid was vermeld dat salarisbetalingen aan werknemers waren verricht. Dit feit levert geen strafbaar feit op.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van twee jaren en als algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. Daarnaast legt de rechtbank een taakstraf op van 240 uren, met als vervangende hechtenis 120 dagen.

Bij de strafoplegging betrekt de rechtbank dat de verdachte zich als feitelijke leidinggever en bestuurder schuldig heeft gemaakt aan subsidiefraude, faillissementsfraude en schending van de administratieplicht, waardoor het werk van de curator in aanzienlijke mate is bemoeilijkt en schuldeisers financiële schade hebben geleden. Met het misbruik van de laagdrempelig opgezette NOW- en TVL-regelingen heeft de verdachte misbruik gemaakt van overheidssteun in een financieel onzekere tijd, ten laste van de samenleving. De rechtbank houdt rekening met het uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld, en met het tijdsverloop. Gelet hierop acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend en geboden en beslist zij overeenkomstig. Daarbij hanteert de rechtbank als uitgangspunt gelijke monniken, gelijke kappen, omdat de verdachte en de medeverdachte naar haar oordeel een evenredige rol hebben vervuld en een soortgelijk voordeel hebben genoten van de uitgekeerde subsidiegelden.

Lees hier de volledige uitspraak.

Deze uitspraak hangt samen met de zaak tegen de medeverdachte onder ECLI:NL:RBOVE:2026:3456.

Print Friendly and PDF ^