Rechtbank Zeeland-West-Brabant volgt in vier tussenvonnissen procesafspraken niet vanwege onvoldoende verhouding tot ernst feiten en rol verdachten
/Op 28 april 2026 wees de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in vier samenhangende strafzaken (ECLI:NL:RBZWB:2026:3630, ECLI:NL:RBZWB:2026:3634, ECLI:NL:RBZWB:2026:3639 en ECLI:NL:RBZWB:2026:3640) een tussenvonnis waarin zij de tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken niet volgt. De zaken betreffen verdachten die volgens de tenlastelegging een coördinerende rol vervulden binnen een professioneel georganiseerd drugsnetwerk in Tilburg. Hoewel de rechtbank vaststelt dat de procesafspraken procedureel zorgvuldig tot stand zijn gekomen en in overeenstemming zijn met de waarborgen van artikel 6 EVRM, oordeelt zij dat de overeengekomen strafoplegging niet in redelijke verhouding staat tot de ernst, aard en duur van de feiten en de rol van de verdachten daarbij. De rechtbank heropent het onderzoek ter terechtzitting en bepaalt dat de zaken binnen drie maanden worden hervat. De uitspraken illustreren hoe de inhoudelijke toets die de Hoge Raad in zijn arrest van 27 september 2022 heeft geformuleerd, in de praktijk tot afwijzing van procesafspraken kan leiden, ook wanneer de procedurele kant in orde is.
De zaken in vogelvlucht
In alle vier de zaken gaat het om verdachten die werden vervolgd voor het medeplegen van handel in cocaïne, heroïne, amfetamine en MDMA, deelname aan een criminele organisatie (artikel 140 Sr) en in voorkomende gevallen het bezit van harddrugs (artikel 2 onder C Opiumwet) en witwassen (artikel 420bis Sr). De pleegperiode varieert per verdachte van een half jaar tot bijna een jaar, eindigend op 8 mei 2025. Op die laatste datum werd bij medeverdachten in een sporttas ruim zeven kilo harddrugs aangetroffen, waaronder circa 1.180 gram cocaïne en 2.425 XTC-pillen. De rechtbank beschrijft de organisatie als zeer professioneel: harddrugs konden van het begin van de middag tot diep in de nacht worden besteld, er werden roosters voor de zogenoemde drivers gemaakt, de omzet werd bijgehouden en de administratie werd ingepland. Etuis met drugs werden voorafgaand aan een dienst klaargemaakt, opbrengsten na afloop opgehaald, en op de dealers en hun voorraad werd actief controle gehouden.
De gemaakte procesafspraken behelsden onder meer een gematigde strafeis. Per zaak ging het, in afgeronde termen, om een gevangenisstraf van 340 dagen en een geldboete van 8.300 euro, 12 maanden en 8.300 euro boete, 10 maanden en 6.700 euro boete, respectievelijk 315 dagen gevangenisstraf. Daarnaast werd in alle zaken afgesproken dat de verdediging geen onderzoekswensen zou indienen, dat geen inhoudelijke verweren zouden worden gevoerd, dat afstand werd gedaan van inbeslaggenomen goederen en dat geen hoger beroep zou worden ingesteld bij afdoening conform de overeenkomst. De ontnemingsvordering viel uitdrukkelijk buiten de procesafspraken.
Het toetsingskader voor procesafspraken
De wettelijke basis voor procesafspraken is in Nederland niet uitgekristalliseerd. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 27 september 2022 bevestigd dat het stelsel van strafvordering zich niet verzet tegen procesafspraken tussen OM en verdediging, mits de wettelijke regeling en de eisen van een eerlijk proces in acht worden genomen. Het OM heeft het kader vervolgens uitgewerkt in de Aanwijzing procesafspraken in strafzaken (2023A002). Cruciaal is dat de rechter niet aan de afspraken is gebonden en zijn eigen verantwoordelijkheid behoudt voor de uitkomst van de zaak. De rechter kan tot een uitspraak komen die aansluit bij het afdoeningsvoorstel, maar is daartoe niet verplicht wanneer dit zou leiden tot een uitkomst die niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.
In de praktijk valt de toetsing uiteen in twee stappen. De rechter onderzoekt eerst of de procesafspraken voldoen aan de procedurele waarborgen, waaronder de vraag of de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en met besef van de rechtsgevolgen tot zijn beslissing is gekomen. Daarna volgt een inhoudelijke beoordeling: past de voorgestelde afdoening bij de wettelijke kaders en bij de ernst van de feiten?
Procedurele toets: in orde bevonden
In alle vier de zaken stelt de Rechtbank Zeeland-West-Brabant vast dat de verdachten vrijwillig en goed geïnformeerd hebben ingestemd met de procesafspraken, terwijl zij werden bijgestaan door een raadsman of raadsvrouw. De rechtbank acht zich ervan vergewist dat de verdachten zich bewust waren van de rechtsgevolgen en in het bijzonder van de afstand van verdedigingsrechten. De wijze waarop de overeenkomsten tot stand zijn gekomen, doet volgens de rechtbank geen afbreuk aan het recht op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM.
Waar de rechtbank afhaakt: de redelijke verhouding tot de ernst
Bij de inhoudelijke toets benadrukt de rechtbank dat zij geen partij is bij de procesafspraken en daaraan op geen enkele wijze is gebonden. Zij heeft een eigen verantwoordelijkheid om te bewaken dat de behandeling en beoordeling plaatsvinden overeenkomstig de geldende wettelijke bepalingen, en om te beoordelen of de voorgestelde afdoening leidt tot een uitkomst die in redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak. Op dat laatste punt loopt het in alle vier de zaken stuk.
De rechtbank betrekt in haar oordeel allereerst de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting. Voor het bezit van ruim zeven kilo harddrugs in georganiseerd verband formuleren die oriëntatiepunten een gevangenisstraf van 42 maanden als uitgangspunt. Volgens de rechtbank mag de aangetroffen hoeveelheid, gelet op de criminele organisatie waarbinnen het bezit moet worden gezien, bij iedere verdachte in dit onderzoek in de strafmaat worden meegewogen, omdat dit iets zegt over de bezigheden van de organisatie en wat daarin in ieder geval omging.
Daarnaast verwijst de rechtbank naar een vergelijkbare uitspraak van 22 augustus 2025, waarin een verdachte met een coördinerende en aansturende rol binnen een vergelijkbare drugsorganisatie tot een gevangenisstraf van 40 maanden werd veroordeeld. De rechtbank acht de in de procesafspraken opgenomen straf passend bij verdachten met een ondergeschikte rol, zoals de drivers, maar niet bij verdachten die deel uitmaken van het management. In alle vier de tussenvonnissen oordeelt zij dat sprake is van een coördinerende rol. Voor zo'n rol kan, mede gelet op de aard en ernst van de feiten, naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, een stuk hoger dan de straf voor de dealers.
Opvallend is dat de rechtbank uit de standpunten ter zitting aanknopingspunten ontleent voor deze conclusie. De officier van justitie heeft volgens de tussenvonnissen toegelicht dat het OM bewust lager heeft ingezet om met de verdediging tot een akkoord te kunnen komen, en dat bij het bepalen van de strafmaat geen rekening is gehouden met eventuele differentiatie in rolverdeling. Juist die differentiatie acht de rechtbank in deze zaken doorslaggevend.
Procedurele gevolgen
Omdat de rechtbank de procesafspraken niet volgt, vervallen deze conform de overeenkomst zelf. De rechtbank heropent en schorst het onderzoek ter terechtzitting en beveelt dat dit binnen drie maanden zal worden hervat. De rechtbank benadrukt uitdrukkelijk dat zij met haar oordeel niet vooruitloopt op de bewijsvraag of de uiteindelijke strafoplegging. Die beoordelingen zijn voorbehouden aan de zittingscombinatie die de zaken inhoudelijk verder zal behandelen. In de zaken waarin sprake is van voorlopige hechtenis, oordeelt de rechtbank dat de ernstige bezwaren en gronden onverkort aanwezig zijn en blijft de hechtenis voortduren.
Plaats binnen de bredere praktijk
De vier uitspraken vormen geen geïsoleerd geval. In de afgelopen jaren is de jurisprudentie over procesafspraken zich langs twee lijnen gaan ontwikkelen: zaken waarin afspraken worden gevolgd, en zaken waarin de rechter daarvan afwijkt. Eerder dit jaar berichtte BijzonderStrafrecht.nl al over een fiscale fraudezaak waarin de rechtbank de procesafspraken afwees, onder verwijzing naar de oriëntatiepunten voor fraudezaken en het benadelingsbedrag. De redeneerlijn vertoont opmerkelijke parallellen met de huidige tussenvonnissen: ook daar lag het zwaartepunt bij de verhouding tussen de voorgestelde straf en de ernst van het feit, zoals neergelegd in de oriëntatiepunten en vergelijkbare jurisprudentie. Voor de financieel-economische strafrechtspraktijk, waarin procesafspraken zich tot een steeds gebruikelijker instrument hebben ontwikkeld, vormen dergelijke uitspraken een belangrijke graadmeter voor de bandbreedte waarbinnen partijen kunnen onderhandelen.
Afsluiting
De vier tussenvonnissen van 28 april 2026 onderstrepen dat de strafrechter bij procesafspraken een zelfstandige en actieve toetsende rol behoudt. De rechtbank Zeeland-West-Brabant accepteert in deze zaken de procedurele totstandkoming, maar concludeert dat de voorgestelde straffen, afgemeten aan de LOVS-oriëntatiepunten en aan vergelijkbare jurisprudentie over coördinerende rollen binnen criminele organisaties, niet in redelijke verhouding staan tot de ernst, aard en duur van de feiten. Daarmee komen de zaken terug op het punt waarop zij zich voor het maken van de afspraken bevonden. Wat een eventuele volgende afdoening, met of zonder nieuwe procesafspraken, oplevert, zal moeten blijken na de hervatting van het onderzoek ter terechtzitting.
