Voorwaardelijke geldboete van € 10.000 voor melkveehouderij wegens opzettelijke overschrijding fosfaatrecht

Rechtbank Overijssel 13 mei 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:2553

De rechtbank Overijssel veroordeelt een melkveehouderij tot een voorwaardelijke geldboete van € 10.000 wegens overschrijding van het fosfaatrecht in 2022 en 2023. Het bedrijf produceert in beide jaren ruim 1.800 kilogram meer fosfaat dan toegestaan op grond van artikel 21b, eerste lid, Meststoffenwet. De rechtbank kwalificeert de overschrijding als opzettelijk begaan en past daarbij het in het economisch strafrecht gehanteerde begrip van kleurloos opzet toe. Het opzet hoeft uitsluitend gericht te zijn op de verweten gedraging en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. Bij de strafmaat houdt de rechtbank rekening met persoonlijke en bedrijfsmatige omstandigheden, waaronder het overlijden van een vennoot en de aardbevingsproblematiek in Groningen. De rechtbank wijkt aanzienlijk af van de eis van het Openbaar Ministerie van € 27.000 en legt een lagere voorwaardelijke geldboete op met een proeftijd van twee jaren.

Inleiding en context

De verdachte is een commanditaire vennootschap die een melkveehouderij exploiteert. De zaak wordt in eerste aanleg behandeld door de meervoudige economische kamer van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle. De verdachte wordt ter terechtzitting vertegenwoordigd door haar beherend vennoot. De zaak heeft betrekking op twee opeenvolgende kalenderjaren waarin het bedrijf meer fosfaat heeft geproduceerd dan op grond van de aan het bedrijf toegekende fosfaatrechten is toegestaan. Het strafrechtelijk onderzoek is uitgevoerd door de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit. Bij de bepaling van het te produceren volume aan fosfaat is de beherend vennoot uitgegaan van een onjuiste indeling van een deel van de melkkoeien, die handmatig zijn gecategoriseerd als weidekoe terwijl zij nog worden gemolken. Daarnaast heeft de vennoot zich vergist in de toepasselijke forfaitaire excretiewaarde voor melkproductie. De zaak speelt zich af tegen de achtergrond van een aantal ingrijpende bedrijfsmatige en persoonlijke omstandigheden, waaronder het overlijden van de vader van de beherend vennoot in 2022, eerdere investeringen in stalvergroting, een trage vergunningsprocedure voor een melkrobot en de gevolgen van de aardbevingsproblematiek in Groningen.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat zij in de kalenderjaren 2022 en 2023 als landbouwer al dan niet opzettelijk meer meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, heeft geproduceerd met melkvee dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. In 2022 produceert de verdachte ongeveer 19.806,49 kilogram fosfaat, terwijl op het bedrijf in dat jaar ongeveer 17.939 kilogram fosfaatrecht rust. In 2023 wordt ongeveer 20.725,13 kilogram fosfaat geproduceerd, tegenover ongeveer 18.839,16 kilogram aan rustende fosfaatrechten. Het gaat in 2022 om een overschrijding van 1.867,49 kilogram en in 2023 om een overschrijding van 1.885,97 kilogram. Het juridisch kader wordt gevormd door artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, in combinatie met de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten. De opzettelijke variant levert een misdrijf op.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie stelt zich op het standpunt dat beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard. Het Openbaar Ministerie vordert oplegging van een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 27.000, met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

Namens de verdachte wordt niet betwist dat het bedrijf in 2022 en 2023 meer fosfaat heeft geproduceerd dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht. Wel wordt betwist dat sprake is van opzet op het overschrijden van het fosfaatrecht. De beherend vennoot verklaart dat hij in de veronderstelling verkeert dat de fosfaatproductie van het bedrijf overeenkomt met de toegekende hoeveelheid fosfaatrechten. Namens de verdachte wordt geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel gerecht

De rechtbank acht beide ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte de feitelijke gedragingen heeft bekend, volstaat de rechtbank op grond van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank baseert haar bewijsoordeel onder meer op de bekennende verklaring van de beherend vennoot, een uittreksel uit het register van de Kamer van Koophandel, een uitdraai uit het zogenoemde BOZ en de berekeningen van de overschrijding van het fosfaatrecht in 2022 en 2023. Centraal in de bewijsoverwegingen staat de vraag of de overschrijding opzettelijk is begaan. De rechtbank stelt voorop dat in het economisch strafrecht het begrip opzet moet worden uitgelegd als kleurloos opzet. Dit betekent dat het opzet uitsluitend gericht hoeft te zijn op de verweten gedraging zelf en niet op de wederrechtelijkheid daarvan. De verweten gedraging is in dit geval dat de verdachte in 2022 en 2023 meer fosfaat heeft geproduceerd dan haar fosfaatrechten toelaten. De rechtbank acht het opzet bewezen, ondanks de verklaring van de beherend vennoot dat hij in de veronderstelling verkeert dat de productie binnen de toegekende rechten blijft. Doorslaggevend acht de rechtbank dat de vennoot handmatig aanpassingen heeft doorgevoerd in de diercategorieën, waarbij een deel van de koeien als weidekoe in plaats van melkkoe wordt gecategoriseerd, terwijl deze drooggezette koeien nog worden gemolken. Voor de berekening van de benodigde fosfaatrechten gaat de vennoot daardoor uit van een onjuiste diercategorie, waardoor te weinig fosfaatrecht wordt berekend. Daarnaast gaat de vennoot uit van een verkeerde categorie forfaitaire excretiewaarde. Als melkveehouder behoort de verdachte volgens de rechtbank te weten hoe hoog de melkproductie en daarmee de fosfaatproductie zijn en welk fosfaatrecht op het bedrijf rust. Kennis van de op de bedrijfsactiviteiten toepasselijke regelgeving mag bij een professionele melkveehouderij worden verondersteld en er mag van de commanditaire vennootschap worden verwacht dat zij opereert volgens die regels. Door na te laten te handelen naar de geldende regelgeving heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank in beide kalenderjaren opzettelijk meer fosfaat geproduceerd dan was toegestaan. De rechtbank kwalificeert het bewezen verklaarde tweemaal als het misdrijf van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 21b, eerste lid, van de Meststoffenwet, opzettelijk begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

  • De verdachte in het kalenderjaar 2022, als landbouwer, opzettelijk, op haar bedrijf ongeveer 19.806,49 kilogram fosfaat heeft geproduceerd met melkvee, terwijl op het bedrijf in dat jaar ongeveer 17.939 kilogram fosfaatrecht rust.

  • De verdachte in het kalenderjaar 2023, als landbouwer, opzettelijk, op haar bedrijf ongeveer 20.725,13 kilogram fosfaat heeft geproduceerd met melkvee, terwijl op het bedrijf in dat jaar ongeveer 18.839,16 kilogram fosfaatrecht rust.

Van het meer of anders ten laste gelegde wordt de verdachte vrijgesproken.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt aan de verdachte een geheel voorwaardelijke geldboete op van € 10.000, met een proeftijd van twee jaren en de algemene voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank wijkt daarmee aanzienlijk af van de eis van het Openbaar Ministerie van € 27.000. Bij de strafmotivering benadrukt de rechtbank dat het fosfaatrechtenstelsel is ingevoerd om de mestproductie te reguleren, nadat in 2015 het nationale mestproductieplafond werd overschreden. Overschrijding van fosfaatrechten ondermijnt dit doel en heeft schadelijke gevolgen voor het milieu. Tegelijkertijd houdt de rechtbank in strafmatigende zin rekening met diverse omstandigheden. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte de intentie had om niet aan de regelgeving te voldoen. De rechtbank heeft oog voor de lastige bedrijfsmatige omstandigheden, waaronder eerdere investeringen in stalvergroting, financiële noodsprongen na de invoering van het fosfaatrechtenstelsel, het overlijden van de vader van de beherend vennoot in 2022, het wegvallen van diens kennis op het terrein van het fosfaatrechtenstelsel, de overname van zijn maatschapsaandeel, de trage vergunningsprocedure voor een melkrobot en de aardbevingsproblematiek in Groningen. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verdachte inmiddels een adviesbureau heeft ingeschakeld om binnen het fosfaatrechtenstelsel te blijven opereren, dat de verdachte zich van meet af aan coöperatief opstelt en volledige openheid van zaken geeft, en dat zij blijkens een uittreksel uit de justitiële documentatie van 3 februari 2026 niet eerder voor een strafbaar feit is veroordeeld.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^