Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting na verwerping van beroep op vrijwillige verbetering en oplichtingsscenario

Rechtbank Den Haag 29 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:28723

De rechtbank Den Haag veroordeelt een accountant voor feitelijk leidinggeven aan het meermalen opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting door een besloten vennootschap. In de kwartaalaangiften over het eerste kwartaal van 2021 tot en met het tweede kwartaal van 2022 is ten onrechte voorbelasting in aftrek gebracht, met een fiscaal nadeel van € 202.666. De verdachte voert aan dat hij door twee artsen met valse facturen is opgelicht en dat hij de aangiften met suppleties heeft gecorrigeerd. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van een vrijwillige verbetering als bedoeld in artikel 69, derde lid, AWR, omdat de suppleties zijn ingediend na een informatieverzoek van de Belastingdienst. Het alternatieve scenario acht de rechtbank niet aannemelijk en zij acht vol opzet bewezen. De rechtbank legt een geldboete van € 65.000 en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren op.

Inleiding en context

De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1967, accountant en een van de aandeelhouders van een besloten vennootschap. Hij verzorgt zelf de administratie, de aangiften omzetbelasting en de jaarrekeningen. Tegenover de Belastingdienst verklaart hij dat de vennootschap per 1 januari 2019 is gestart als startup voor de ontwikkeling van een online medische applicatie voor diagnostiek, samen met twee artsen die via een bedrijf in Delden aan de vennootschap factureren. Een investeerder uit Indonesië zou tot € 500.000 garant staan en de grootste investeringen zouden CT-scans betreffen.

De Belastingdienst vraagt op 3 augustus 2022 schriftelijk om een onderbouwing van de opgevoerde voorbelasting. Op 18 augustus 2022 worden suppleties ingediend. Bij een boekenonderzoek in 2023 kan de verdachte geen inkoopfacturen, betalingsbewijzen, bankafschriften of correspondentie overleggen; de administratie is volgens hem in juli 2022 met het meubilair van het bedrijfsadres ontvreemd. Het controlerapport concludeert dat de vennootschap geen economische activiteiten verricht of beoogt en geen recht heeft op aftrek van voorbelasting. Daarna volgt een strafrechtelijk onderzoek. De zaak dient in eerste aanleg voor de meervoudige kamer, op tegenspraak. Aan de verdachte is op 24 juni 2024 een strafbeschikking opgelegd.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat de vennootschap van 21 april 2021 tot en met 16 juli 2022 telkens opzettelijk onjuiste of onvolledige aangiften omzetbelasting doet over het eerste kwartaal van 2021 tot en met het tweede kwartaal van 2022, door een onjuist bedrag aan voorbelasting en aan terug te vragen omzetbelasting op te geven, terwijl dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, en dat hij daartoe opdracht geeft dan wel daaraan feitelijk leiding geeft. De tenlastelegging is gebaseerd op artikel 69 AWR en artikel 51 Sr. In de bewijsoverwegingen staan het opzet, het strekkingsvereiste en de vrijwillige verbetering van artikel 69, derde lid, AWR centraal.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vordert bewezenverklaring van het tenlastegelegde. De gronden daarvoor vermeldt het vonnis niet. De eis luidt een geldboete van € 65.000, subsidiair 270 dagen hechtenis, en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdachte betwist de tenlastelegging. Formele verweren blijken niet uit het vonnis. Hij erkent dat de voorbelasting ten onrechte in aftrek is gebracht en voert twee bewijsverweren. Het eerste houdt in dat hij door de twee artsen is misleid en opgelicht met valse facturen, zodat het opzet op het doen van onjuiste aangiften ontbreekt. Het tweede houdt in dat hij de aangiften op 18 augustus 2022 met suppleties heeft gecorrigeerd zodra hij de onjuistheid ontdekte. Over de strafmaat neemt de verdachte geen standpunt in.

Oordeel gerecht

De rechtbank stelt op grond van de verklaring van de verdachte vast dat hij de aangiften heeft ingediend.

Het beroep op de suppleties verwerpt de rechtbank. De Belastingdienst heeft op 3 augustus 2022 om een onderbouwing van de voorbelasting verzocht en de suppleties zijn pas daarna ingediend. Op dat moment weet de verdachte, of moet hij redelijkerwijs vermoeden, dat de onjuistheid van de aangiften de Belastingdienst op andere wijze bekend is of bekend zal worden. Van een vrijwillige verbetering als bedoeld in artikel 69, derde lid, AWR is daarom geen sprake.

Het alternatieve scenario acht de rechtbank niet aannemelijk. Zij betrekt daarbij dat zij de verdachte niet volgt in de gestelde aanleiding voor de correctie. De verdachte onderbouwt de oplichting op geen enkele wijze met objectieve en controleerbare gegevens. Hij verklaart CT-scans in Delden te hebben gezien, maar kan het adres niet noemen of opzoeken. Administratie ontbreekt, de gestelde oplichters zijn onbereikbaar en geen enkel digitaal stuk is aangeleverd. Van bedrijfsactiviteiten die bij het scenario passen blijkt evenmin. De verdachte dient bovendien de aangifte over het tweede kwartaal van 2022 in nadat bij hem naar eigen zeggen het vermoeden van oplichting is gerezen, opnieuw met aftrek van voorbelasting. De rechtbank concludeert dat de verdachte ten tijde van de aangiften weet dat de voorbelasting geen reële grondslag heeft en neemt in aanmerking dat de facturen afkomstig zijn van een onderneming die uit het boekenonderzoek als fakeonderneming naar voren komt. Zij acht vol opzet bewezen.

Aan het strekkingsvereiste is voldaan. Volgens de rechtbank volstaat dat de gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om teweeg te brengen dat onvoldoende belasting wordt geheven; daadwerkelijk te weinig geheven belasting is niet vereist (ECLI:NL:PHR:2015:2320). Het opvoeren van valse facturen is daartoe geschikt. Strafuitsluitingsgronden zijn niet aannemelijk geworden.

Bewezenverklaring

  • Feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon opzettelijk onjuist doen van bij de belastingwet voorziene aangiften omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2021 tot en met het tweede kwartaal van 2022, in de periode van 21 april 2021 tot en met 16 juli 2022, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

De rechtbank spreekt de verdachte vrij van hetgeen meer of anders is tenlastegelegd.

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank legt een geldboete van € 65.000 op, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 270 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf van drie maanden, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Dat is conform de eis van de officier van justitie. De rechtbank weegt mee dat de verdachte het vertrouwen heeft beschaamd waarop het stelsel van belastingheffing rust en dat de gedragingen gedurende een langere periode plaatsvinden. De verdachte is niet eerder met politie en justitie in aanraking gekomen. Hij toont geen inzicht in zijn gedragingen, die de rechtbank listig en gewetenloos noemt. Zijn opportunistische houding weegt volgens de rechtbank extra zwaar omdat hem als accountant het belang van juiste en betrouwbare fiscale en administratieve bescheiden bij uitstek bekend moet zijn. De geldboete past bij het financiële karakter van het feit; de voorwaardelijke gevangenisstraf brengt de ernst tot uitdrukking en dient om herhaling te voorkomen. Bijkomende straffen of maatregelen legt de rechtbank niet op. De strafbeschikking van 24 juni 2024 wordt vernietigd.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^