Veroordeling voor niet doen van belastingaangiften: verdachte geeft fiscale verplichtingen volstrekt onvoldoende prioriteit

Rechtbank Amsterdam 5 maart 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:2274

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een ondernemer voor het feitelijk leidinggeven aan het niet doen van aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2018, 2020 en 2021, en voor het niet tijdig doen van aangifte inkomstenbelasting over 2019. De verdachte is enig aandeelhouder van een vennootschap die een fiscale eenheid vormt met elf dochterondernemingen. De rechtbank oordeelt dat de uitnodigingen tot het doen van aangifte naar het juiste adres zijn verzonden en dat sprake is van voorwaardelijk opzet. De verdachte heeft zijn fiscale verplichtingen volstrekt onvoldoende prioriteit gegeven en verantwoordelijkheid afgeschoven op zijn accountants en CFO. De Belastingdienst heeft aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd voor in totaal € 561.732 en een aanslag inkomstenbelasting van € 294.383. De rechtbank legt een taakstraf van 150 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op, lager dan de eis van het Openbaar Ministerie.

Inleiding en context

De rechtbank Amsterdam veroordeelt een natuurlijk persoon voor fiscale delicten in een strafzaak die in eerste aanleg door de meervoudige strafkamer wordt behandeld. De verdachte, geboren in 1967, is enig aandeelhouder en was tot 1 juni 2022 enig middellijk bestuurder van een besloten vennootschap die voor de vennootschapsbelasting een fiscale eenheid vormt met elf dochterondernemingen. De zaak draait om het structureel niet of niet tijdig indienen van belastingaangiften, zowel namens de vennootschap als op persoonlijke titel. Op de terechtzitting van 19 februari 2026 wordt de zaak inhoudelijk behandeld, waarna de rechtbank op 5 maart 2026 uitspraak doet. Naast de veroordeling van de verdachte als natuurlijk persoon wordt bij uitspraak van dezelfde datum ook de besloten vennootschap veroordeeld.

Tenlastelegging en wettelijk kader

De verdachte wordt verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de besloten vennootschap opzettelijk niet of niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2018, 2020 en 2021 (feit 1). Daarnaast wordt de verdachte verweten dat hij opzettelijk niet of niet tijdig aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019 heeft gedaan (feit 2). Beide feiten zijn ten laste gelegd op grond van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, in verbinding met artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht voor wat betreft het feitelijk leidinggeven. Centraal staan de delictsbestanddelen van het opzettelijk niet of niet tijdig doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie acht beide ten laste gelegde feiten bewezen. De officier van justitie vordert een taakstraf van 240 uren, met vervangende hechtenis van 120 dagen voor het geval de verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht. Daarnaast vordert het Openbaar Ministerie een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De verdediging voert ten aanzien van feit 1 aan dat de uitnodigingen tot het doen van aangifte vennootschapsbelasting naar een onjuist adres zijn verzonden, waardoor geen verplichting tot het doen van aangifte heeft bestaan. Voorts betoogt de verdediging dat bij de vennootschap geen sprake is van opzet op het niet of niet tijdig doen van de aangiften en dat de verdachte hieraan geen feitelijke leiding heeft gegeven. Ten aanzien van feit 2 stelt de verdediging dat bij de verdachte het opzet op het niet tijdig indienen van de aangifte inkomstenbelasting ontbreekt. Bij een eventuele bewezenverklaring verzoekt de verdediging rekening te houden met de hoogte van het fiscale nadeel, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de inspanningen die de verdachte en de vennootschap hebben verricht om de aangiften alsnog in te dienen, hetgeen inmiddels is geschied.

Oordeel gerecht

De rechtbank verwerpt de verweren van de verdediging en acht beide feiten bewezen.

Ten aanzien van de adressering van de uitnodigingen voor de vennootschapsbelasting stelt de rechtbank vast dat de uitnodigingen steeds zijn verzonden naar het adres dat bij de Belastingdienst als postadres voor de vennootschapsbelasting geregistreerd staat in de periode van 22 oktober 2014 tot en met 22 maart 2022. De verdachte verklaart op de zitting dat hij degene is geweest die dit adres destijds namens de vennootschap heeft opgegeven bij de Belastingdienst. De rechtbank constateert dat niet is gebleken dat het postadres door of namens de vennootschap nadien is gewijzigd. Hoewel de vennootschap eerder melding heeft gemaakt van een wijziging van belastingconsulent en heeft gewezen op onjuiste gegevens bij de Belastingdienst, kan uit die melding niet worden opgemaakt om welke gegevens het gaat. In ieder geval is niet expliciet verzocht om wijziging van het eerder opgegeven postadres. De rechtbank concludeert dat de uitnodigingen naar het juiste adres zijn verzonden.

Ten aanzien van het opzet bij de vennootschap overweegt de rechtbank als volgt. Op 27 september 2021 heeft het toenmalige accountantskantoor BDO per e-mail aan de CFO van de vennootschap laten weten, met de verdachte in de cc, dat het uitstel voor de aangifte vennootschapsbelasting 2018 spoedig zou aflopen, namelijk op 1 oktober 2021. Kort daarna stapt de vennootschap over naar een nieuw accountantskantoor, PwC. De verdachte verklaart dat deze overstap is gemaakt nadat duidelijk werd dat niet aan de aangifteverplichtingen werd voldaan. De rechtbank stelt vast dat het voor de vennootschap eind 2021 duidelijk was dat snel moest worden gehandeld. Desondanks duurt het tot 28 februari 2022 voordat de vennootschap en PwC een overeenkomst sluiten. Uit de opdrachtbevestiging blijkt niet dat PwC opdracht is gegeven ook de achterstallige aangiften vennootschapsbelasting te verzorgen. De partner van PwC verklaart dat hij pas op 1 februari 2023 op de hoogte raakte van de achterstanden, toen de Belastingdienst daarover telefonisch contact met hem opnam. De vennootschap heeft voor de aangiften over de jaren 2018, 2020 en 2021 herinneringen en aanmaningen ontvangen, maar heeft PwC niet op de hoogte gesteld van deze stukken. De rechtbank concludeert dat de vennootschap onvoldoende actie heeft ondernomen en dat daardoor willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat de aangiften niet of niet tijdig zouden worden ingediend. Daarmee is sprake van voorwaardelijk opzet.

Ten aanzien van het feitelijk leidinggeven overweegt de rechtbank dat de verdachte enig aandeelhouder is en tot 1 juni 2022 enig middellijk bestuurder was. De later aangestelde CFO koppelt relevante zaken, zoals een uitstelregeling met betrekking tot de vennootschapsbelasting, terug aan de verdachte. De verdachte is betrokken bij belangrijke beslissingen op fiscaal terrein: hij heeft de samenwerking met BDO op eigen initiatief beeindigd en onderhoudt samen met de CFO het contact met PwC. De rechtbank oordeelt dat de verdachte als feitelijke leidinggever aansprakelijk is.

Ten aanzien van feit 2 stelt de rechtbank vast dat de uitnodiging, herinnering en aanmaning voor de aangifte inkomstenbelasting 2019 naar het huisadres van de verdachte zijn gestuurd. De verdachte stuurt de herinnering en aanmaning pas op 6 augustus 2021 door naar de CFO met de tekst "SVP actie richting BDO", terwijl de uiterste inleverdatum 4 augustus 2021 is. Vervolgens vergewist de verdachte zich onvoldoende of zijn aangifte daadwerkelijk is ingediend. Pas in de zomer van 2023 verstrekt hij de opdracht aan PwC om de aangifte op te stellen en in te dienen. De rechtbank oordeelt dat de verdachte door zijn nalaten bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangifte niet tijdig zou worden ingediend, zodat sprake is van voorwaardelijk opzet.

Bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:

  • feitelijke leiding heeft gegeven aan het door de vennootschap opzettelijk niet of niet tijdig doen van aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2018, 2020 en 2021, terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven (feit 1);

  • opzettelijk niet tijdig aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2019 heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven (feit 2).

Strafoplegging en maatregelen

De rechtbank overweegt dat de verdachte gedurende enkele jaren feitelijke leiding heeft gegeven aan het niet voldoen aan aangifteverplichtingen door de vennootschap en zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan het niet tijdig doen van zijn eigen aangifte inkomstenbelasting. De Belastingdienst heeft voor de jaren 2018, 2020 en 2021 aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd voor een totaalbedrag van € 561.732. Voor 2019 is een aanslag inkomstenbelasting van € 294.383 opgelegd.

De rechtbank heeft niet de indruk dat de verdachte moedwillig heeft geprobeerd belasting te ontduiken, maar stelt vast dat hij zijn eigen fiscale verplichtingen en die van de vennootschap volstrekt onvoldoende prioriteit heeft gegeven. De verdachte heeft gewezen naar anderen, zijn accountants en de CFO, maar had zich als eigenaar en bestuurder meer moeten inspannen en controleren of de aangiften daadwerkelijk werden ingediend. In het voordeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij inmiddels alsnog aan zijn aangifteverplichtingen heeft voldaan en dat bij uitspraak van dezelfde datum ook de vennootschap wordt veroordeeld.

De rechtbank wijkt af van de eis van het Openbaar Ministerie en legt een taakstraf op van 150 uren, met vervangende hechtenis van 75 dagen, in plaats van de gevorderde 240 uren. Daarnaast legt de rechtbank een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op van drie maanden met een proeftijd van twee jaren, als stok achter de deur om niet opnieuw strafbare feiten te plegen. De strafoplegging is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 51 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^