Procesafspraken voorgesteld tijdens verhoor terwijl verdachte nog in verzekering zat

Rechtbank Amsterdam 19 februari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1826

In deze zaak staat een bestuurder terecht wegens het opzettelijk niet doen van inkomsten-, vennootschaps- en omzetbelastingaangiften over meerdere jaren. Tijdens de inverzekeringstelling doet het Openbaar Ministerie al een voorstel voor procesafspraken, terwijl de verdediging nog niet over het volledige dossier beschikt. De rechtbank oordeelt dat het OM daarmee “de grens heeft opgezocht”, maar acht de afspraken toch geldig omdat verdachte vrijwillig heeft ingestemd en de gevolgen begrijpt. De rechtbank volgt de procesafspraken grotendeels, maar verlaagt de taakstraf van 300 naar 240 uur omdat niet duidelijk is waarom deze tijdens de onderhandelingen is verhoogd. Daarnaast legt de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden en een voorwaardelijk bestuursverbod van drie jaar op.

Context van de zaak

In deze strafzaak staat een natuurlijk persoon terecht wegens fiscale fraude die verband houdt met het structureel niet doen van belastingaangiften, zowel in privé als via vennootschappen waarvan hij bestuurder is. De verdachte, geboren in 1968, wordt verweten dat hij gedurende meerdere jaren zijn fiscale verplichtingen niet nakomt. De zaak vloeit voort uit een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD onder de naam “Buronga”.

Volgens het dossier laat verdachte na om tijdig aangifte inkomstenbelasting te doen over het jaar 2020. Daarnaast speelt hij een centrale rol bij twee vennootschappen, bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V., waar hij als feitelijke leidinggever verantwoordelijk is voor het uitblijven van verschillende aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting over meerdere jaren.

Het verwijt betreft zogenoemde omissiedelicten: strafbare feiten die bestaan uit het nalaten van een wettelijke verplichting, in dit geval het doen van belastingaangifte. Door het uitblijven van aangiften kan de Belastingdienst niet vaststellen hoeveel belasting verschuldigd is, waardoor de fiscus inkomsten misloopt.

Een bijzonder element in deze zaak is dat het Openbaar Ministerie en de verdediging voorafgaand aan de zitting procesafspraken maken. Deze afspraken worden op 17 en 18 december 2025 ondertekend en aan de rechtbank voorgelegd. De afspraken houden onder meer in dat de verdediging geen verweren voert en dat verdachte zijn verantwoordelijkheid voor de feiten erkent. In ruil daarvoor wordt een bepaalde strafeis afgesproken en doen partijen afstand van hoger beroep indien de rechtbank het voorstel volgt.

De totstandkoming van deze afspraken vindt echter plaats onder omstandigheden die de rechtbank kritisch beoordeelt, met name omdat het voorstel tot procesafspraken wordt gedaan tijdens een verhoor terwijl verdachte nog in verzekering zit en de verdediging nog niet over het volledige dossier beschikt.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met april 2025 opzettelijk geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020 heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Daarnaast wordt hem verweten dat hij feitelijke leiding heeft gegeven aan het door twee rechtspersonen niet doen van belastingaangiften. Het gaat daarbij om het niet doen van aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting door bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. over verschillende belastingjaren tussen 2019 en 2024.

Het verwijt betreft telkens het opzettelijk niet doen van aangiften terwijl die verplicht zijn op grond van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie sluit met de verdediging procesafspraken over de afdoening van de zaak. In deze afspraken wordt vastgelegd dat de verdediging geen verweren zal voeren en eventuele onderzoekswensen laat vallen. Verdachte erkent zijn verantwoordelijkheid voor het niet nakomen van de fiscale verplichtingen en aanvaardt strafrechtelijke aansprakelijkheid.

Het OM stelt dat een dergelijke afdoening bijdraagt aan een snelle en efficiënte afronding van het strafproces. Zonder procesafspraken zou de procedure volgens het OM aanzienlijk langer duren, mogelijk tot anderhalf jaar voordat de zaak inhoudelijk bij de rechtbank kan worden behandeld.

Volgens het OM is de voorgestelde straf passend gelet op de ernst van de feiten en het belang van een snelle en definitieve afdoening. De officier van justitie vordert overeenkomstig de afspraken een taakstraf van 300 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar en een voorwaardelijk bestuursverbod van drie jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging stemt in met de procesafspraken en voert geen inhoudelijke verweren tegen de tenlastelegging of de voorgestelde straf.

Wel blijkt uit het dossier dat de raadsvrouw aanvankelijk bezwaren uit tegen de korte termijn waarbinnen op het voorstel moet worden gereageerd. Tijdens het verhoor wordt aan verdachte een termijn van twee weken gegeven om te beslissen over het voorstel tot procesafspraken. De raadsvrouw geeft aan dat deze termijn te kort is en dat zij eerst het dossier wil inzien voordat een definitief standpunt kan worden ingenomen.

Ondanks deze kanttekeningen verklaart de verdediging open te staan voor een snelle afwikkeling van de zaak. Uiteindelijk worden de procesafspraken ondertekend nadat de verdediging en verdachte hierover overleg hebben gehad.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank beoordeelt eerst de vraag of de gemaakte procesafspraken kunnen worden gevolgd. Daarbij onderzoekt zij of de afspraken vrijwillig tot stand zijn gekomen en of verdachte voldoende inzicht had in de consequenties ervan.

De rechtbank stelt vast dat het voorstel tot procesafspraken wordt gedaan tijdens een verhoor terwijl verdachte nog in verzekering zit. Daarbij wordt hem voorgehouden dat een reguliere strafprocedure aanzienlijk langer kan duren. Ook beschikt de verdediging op dat moment nog niet over het volledige dossier.

Volgens de rechtbank heeft het Openbaar Ministerie met deze handelwijze “de grens opgezocht”. De combinatie van voorarrest, een korte beslistermijn en het ontbreken van het volledige dossier roept vragen op over de omstandigheden waaronder procesafspraken tot stand komen.

De rechtbank merkt op dat het maken van procesafspraken een relatief nieuw instrument is en dat het Openbaar Ministerie zelf erkent nog zoekende te zijn naar de juiste vorm. Hoewel de raadsvrouw vooraf is geïnformeerd dat procesafspraken tijdens het verhoor aan de orde zouden komen en zij zich niet overvallen voelde, plaatst de rechtbank kritische kanttekeningen bij deze werkwijze.

Toch concludeert de rechtbank dat de gemaakte afspraken in dit geval geldig zijn. Tijdens de zitting blijkt dat verdachte vrijwillig heeft ingestemd met het voorstel en dat hij zich bewust is van de gevolgen daarvan, waaronder het afstand doen van bepaalde verdedigingsrechten en het aanvaarden van de afgesproken straf. De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat verdachte onder ontoelaatbare druk heeft gehandeld.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk geen aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2020 heeft gedaan terwijl dit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat de vennootschappen bedrijf 1 B.V. en bedrijf 2 B.V. gedurende meerdere jaren geen aangiften vennootschapsbelasting en omzetbelasting hebben gedaan en dat verdachte als feitelijke leidinggever verantwoordelijk is voor deze gedragingen.

Daarmee staat vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan fiscale fraude in de vorm van het opzettelijk niet doen van belastingaangiften en het feitelijk leiding geven aan dergelijke feiten door rechtspersonen.

Strafoplegging

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst en duur van de feiten. Verdachte heeft gedurende meerdere jaren nagelaten zijn fiscale verplichtingen na te komen, waardoor de Belastingdienst niet kan vaststellen hoeveel belasting verschuldigd is en inkomsten misloopt.

De rechtbank kijkt tevens naar de procesafspraken en de gebruikelijke straffen in vergelijkbare zaken. In dergelijke gevallen wordt vaak een forse taakstraf gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Opvallend is dat de rechtbank afwijkt van de overeengekomen taakstraf van 300 uur. De rechtbank acht de aanvankelijk door het OM voorgestelde taakstraf van 240 uur passender. Het blijft namelijk onduidelijk waarom de taakstraf tijdens de onderhandelingen is verhoogd terwijl de verdenking niet is veranderd.

De rechtbank veroordeelt verdachte uiteindelijk tot een taakstraf van 240 uur, met vervangende hechtenis van 120 dagen indien de taakstraf niet wordt uitgevoerd. Daarnaast legt zij een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden op met een proeftijd van drie jaar en een voorwaardelijk bestuursverbod van drie jaar.

Volgens de rechtbank wijkt deze straf niet wezenlijk af van de gemaakte procesafspraken, waardoor de zaak alsnog definitief kan worden afgedaan overeenkomstig de bedoeling van partijen.

Lees hier de volledige uitspraak.

Print Friendly and PDF ^