Voormalig werfbeheerder gemeente Amsterdam veroordeeld tot 46 maanden gevangenisstraf voor jarenlange oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen van ruim 3 miljoen euro
/Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 25 februari 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:1154
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeelt een voormalig werf- en wagenparkbeheerder van de gemeente Amsterdam tot 46 maanden gevangenisstraf. De verdachte heeft in de periode 2008 tot 2015 de gemeente en een leasebedrijf jarenlang opgelicht door middel van honderden valse facturen voor nooit geleverde goederen en diensten. In totaal verwerft de verdachte ruim 3 miljoen euro, dat hij besteedt aan onder meer luxe auto's, vaartuigen, hotelverblijven en gokactiviteiten. Het hof acht medeplegen van oplichting, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen bewezen en verwerpt alle verweren van de verdediging. De verdachte maakt jarenlang misbruik van zijn positie als gemeenteambtenaar en omzeilt stelselmatig de interne controlemechanismes van de gemeente.
Inleiding en context
De verdachte is een natuurlijk persoon, geboren in 1974, die gedurende een lange periode werkzaam is geweest als werf- en wagenparkbeheerder bij de gemeente Amsterdam, stadsdeel West. In die hoedanigheid is hij verantwoordelijk voor de inkoop en het beheer van goederen en diensten ten behoeve van het gemeentelijke wagenpark en de werven. De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Overijssel van 6 april 2020, waarin de verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 maanden. Zowel de verdachte als het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld. De verdachte heeft geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en gebruikt het kantooradres van zijn raadsman als correspondentieadres. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en doet opnieuw recht, omdat het tot een deels andere bewezenverklaring komt.
Tenlastelegging en wettelijk kader
Aan de verdachte worden drie feiten ten laste gelegd. Feit 1 betreft het medeplegen van oplichting in de zin van artikel 326 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 september 2015, in zijn hoedanigheid als wagenparkbeheerder en werfbeheerder, de gemeente Amsterdam en een leasebedrijf heeft bewogen tot afgifte van geldbedragen door het aannemen van een valse hoedanigheid, listige kunstgrepen en een samenweefsel van verdichtsels. Dit heeft hij gedaan via drie kanalen: een door zijn partner opgericht bedrijf, een eenmanszaak van een medeverdachte en een derde medeverdachte die facturen doorbelastte aan de gemeente. De totale omvang van de via deze drie kanalen verkregen geldbedragen beloopt ruim 4 miljoen euro.
Feit 2 betreft het medeplegen van valsheid in geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 en lid 2 Sr. De verdachte wordt verweten dat hij honderden facturen valselijk heeft opgemaakt dan wel vervalst op naam van diverse bedrijven en deze heeft ingediend bij de gemeente en het leasebedrijf. Het gaat om in totaal 310 facturen op naam van vijf verschillende bedrijven en een medeverdachte, die allemaal betrekking hebben op goederen, diensten en werkzaamheden die in werkelijkheid nooit zijn geleverd of verricht.
Feit 3 betreft het medeplegen van gewoontewitwassen als bedoeld in artikel 420ter Sr. De verdachte wordt verweten dat hij een totaalbedrag van € 3.012.939,44 aan uit misdrijf verkregen gelden heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt. Dit bedrag is besteed aan onder meer drie Porsche Cayennes, diverse vaartuigen, hotelovernachtingen, reizen, uitgaven in een speelhal en bij online gokken, aankopen bij juweliers en diverse andere luxe-uitgaven.
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal vordert bewezenverklaring van alle drie de ten laste gelegde feiten en het opleggen van een gevangenisstraf van 36 maanden, met aftrek van het ondergane voorarrest.
Standpunt van de verdediging
De verdediging voert in hoger beroep meerdere verweren. Ten aanzien van de geldigheid van de dagvaarding bij feit 2 betoogt de raadsman dat de tenlastelegging onvoldoende feitelijk is, nu 22 van de 81 in de dagvaarding vermelde facturen van een van de betrokken bedrijven niet zijn gespecificeerd en niet zijn terug te vinden in het strafdossier. De dagvaarding dient in zoverre partieel nietig te worden verklaard, aldus de verdediging.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 bepleit de verdediging vrijspraak. De verdachte ontkent deze feiten, met uitzondering van de facturen op naam van twee bedrijven en een medeverdachte. Volgens de verdachte zijn de gefactureerde goederen en diensten wel degelijk geleverd en verleend aan de gemeente. De verdachte stelt dat hij contant goederen inkocht en de mensen die voor hem werkten contant uitbetaalde. Ten aanzien van de door de medeverdachte gefactureerde bedragen voert de verdediging geen verweer en laat zij de beslissing aan het hof. Hetzelfde geldt voor feit 3.
De verdediging voert daarnaast aan dat de gebrekkige administratie bij de gemeente Amsterdam eraan in de weg staat om vast te stellen dat de werkzaamheden, diensten en goederen niet zijn verricht dan wel geleverd. Tevens betoogt de verdediging dat door diezelfde gebrekkige administratie niet kan worden vastgesteld dat de gemeente daadwerkelijk is bewogen tot afgifte van de overgemaakte geldbedragen. In dat verband wordt aangevoerd dat van de gemeente als grootste gemeente van Nederland meer had mogen worden verwacht en dat zij bij haar interne controles niet heeft gehandeld conform de in het maatschappelijk verkeer vereiste omzichtigheid.
Subsidiair voert de verdediging bij feit 2 aan dat, ook indien het hof vaststelt dat de gefactureerde werkzaamheden en goederen niet zijn verricht en geleverd, dit nog niet betekent dat de facturen valselijk zijn opgemaakt. Alle informatie op de facturen, zoals bedrijfsnamen, KvK-nummers en bankrekeningnummers, is immers feitelijk juist.
Tot slot verzoekt de verdediging bij de strafoplegging om een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
Oordeel van het gerecht
Het hof verwerpt het verweer ten aanzien van de partiële nietigheid van de dagvaarding. Uit het dossier, in het bijzonder uit het proces-verbaal van bevindingen, volgt voldoende duidelijk op welke facturen de verdenking van valsheid in geschrift zich concreet richt. Het ontbreken van 22 facturen in het strafdossier leidt niet tot de conclusie dat onvoldoende duidelijk is waarvoor de verdachte terechtstaaat.
Het hof oordeelt dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is voor een bewezenverklaring van alle drie de feiten en twijfelt niet aan de juistheid en betrouwbaarheid van dat bewijs. Het hof sluit zich grotendeels aan bij de bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van de rechtbank, met enkele aanvullingen en aanpassingen.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 behandelt het hof de oplichting en de valsheid in geschrift gezamenlijk vanwege hun verwevenheid. Het hof schuift de alternatieve verklaring van de verdachte, dat de goederen en diensten wel degelijk zijn geleverd, terzijde. Het hof overweegt daartoe dat uit het dossier in het geheel niet blijkt dat enige prestatie is verricht door de betrokken bedrijven. Meerdere werfmedewerkers verklaren de betrokken bedrijven niet te kennen. Uitvoerig onderzoek op de vier locaties van de gemeentewerf leidt niet tot het aantreffen van gefactureerde voertuigen of onderdelen. De medeverdachte die een van de betrokken bedrijven heeft opgericht, verklaart dat dit bedrijf nooit van de grond is gekomen en geen bedrijfsactiviteiten heeft ontplooid. De bankafschrijvingen van dit bedrijf zien vooral op overschrijvingen naar de eigen rekeningen van de verdachte en zijn partner, uitgaven bij het casino en consumptiegoederen. Bij de Belastingdienst is steeds nihil aan omzet opgegeven.
Het verweer dat de gebrekkige administratie bij de gemeente in de weg staat aan een bewezenverklaring verwerpt het hof. Hoewel de administratie niet goed op orde is, mag dat niet de deur openzetten voor misbruik. Van een werknemer van een overheidsinstantie mag integer en betrouwbaar handelen worden verwacht. De verdachte kent vanuit zijn positie en jarenlange ervaring de kwetsbaarheden in het order- en inkoopproces en weet waar kansen liggen om zichzelf te verrijken op een wijze die niet opvalt.
Ook het verweer dat het causaal verband tussen de oplichtingsmiddelen en de afgifte van de geldbedragen ontbreekt, verwerpt het hof. De gemeente beschikt wel degelijk over controlemechanismes in het inkoopproces, waaronder functiescheiding. De verdachte weet deze controlemechanismes echter stelselmatig te omzeilen. Hij draagt zelf de bedrijven aan, dient zelf de facturen in, tekent voor ontvangst van fictief geleverde goederen en accordeert bij afwezigheid van collega's ook zelf facturen. Uit afgeluisterde telefoon- en chatgesprekken blijkt bovendien dat hij medeverdachten instrueert over wat zij moeten zeggen als de gemeente of het leasebedrijf belt naar aanleiding van ingediende facturen.
Het subsidiaire verweer dat de facturen niet vals zijn omdat alle bedrijfsgegevens erop feitelijk kloppen, verwerpt het hof eveneens. Het valse element betreft de omstandigheid dat met de facturen wordt voorgewend dat de daarop vermelde activiteiten daadwerkelijk zijn uitgevoerd, terwijl dat niet het geval is. Dat de facturen daarnaast ook feitelijk juiste informatie bevatten, doet hieraan niet af. Overigens voldoen de facturen qua opmaak ook niet aan de eisen van de Belastingdienst, gelet op een niet logisch doorlopende nummering, onjuist vermelde btw-tarieven en ontbrekende leverdata.
Ten aanzien van het medeplegen oordeelt het hof dat sprake is van bewuste en nauwe samenwerking met drie medeverdachten afzonderlijk. De partner van de verdachte richt een van de betrokken bedrijven op, zoekt op verzoek van de verdachte telefonisch contact met het leasebedrijf over onbetaalde facturen, en profiteert mee van de door misdrijf verkregen gelden. Een tweede medeverdachte verleent zijn eenmanszaak voor het indienen van valse facturen en krijgt van de verdachte instructies over hoe hij moet antwoorden bij navragen van de gemeente. Een derde medeverdachte belast facturen door aan de gemeente op verzoek van de verdachte, waarbij het factuurbedrag met 20% wordt verhoogd ten gunste van deze medeverdachte.
Ten aanzien van feit 3 stelt het hof vast dat de verdachte het totaalbedrag van € 3.012.939,44 heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en daarvan gebruik heeft gemaakt. Dit bedrag is onmiddellijk afkomstig uit de bewezenverklaarde oplichting. Gelet op de grote hoeveelheid aan transacties en de lange periode waarbinnen deze plaatsvinden, kwalificeert het hof dit als gewoontewitwassen.
Bewezenverklaring
Het hof verklaart bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van oplichting (feit 1), het medeplegen van valsheid in geschrift en het medeplegen van het opzettelijk gebruikmaken van valse geschriften (feit 2), en het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 3). De verdachte wordt vrijgesproken van het aannemen van een valse naam bij feit 1, nu daarvan uit het dossier niet is gebleken. Bij feit 2 wordt de verdachte vrijgesproken van 22 facturen van een van de betrokken bedrijven aan de gemeente en van 4 facturen van datzelfde bedrijf aan het leasebedrijf, omdat deze facturen niet in het oorspronkelijke strafdossier zijn aangetroffen. Het hof stelt bij de feiten 1 en 2 een voortgezette handeling vast, nu aan de gelijksoortige, in tijd opeenvolgende handelingen een ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag ligt.
Strafoplegging en maatregelen
Het hof overweegt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een jarenlange en structurele oplichting van de gemeente Amsterdam. Vanuit zijn positie als werf- en wagenparkbeheerder heeft hij zich een zodanige positie verworven dat hij diverse werkzaamheden kon uitoefenen die van essentieel belang zijn bij de interne inkoop- en orderprocessen. Deze positie heeft hij geraffineerd misbruikt. De verdachte heeft enkel uit eigen financieel gewin gehandeld en pas door ingrijpen van politie en justitie is hieraan een einde gekomen. Hij heeft het vertrouwen van zijn werkgever en het vertrouwen dat burgers in de overheid en haar ambtenaren moeten kunnen hebben, zeer ernstig geschaad. De verdachte heeft op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.
Het hof neemt bij de strafmaat de LOVS-orientatiepunten voor fraude tot uitgangspunt, die bij een benadelingsbedrag van € 1.000.000 en hoger een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden tot het wettelijk maximum hanteren. Het verzoek van de verdediging om een voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf wijst het hof af, nu de aard en ernst van de feiten dat niet toelaten. Dat de verdachte is ontslagen en door de civiele rechter is veroordeeld tot terugbetaling, komt door eigen toedoen en leidt niet tot strafvermindering. De gezondheidsklachten van de verdachte geven evenmin aanleiding tot matiging, aangezien bij de executie van de straf passende maatregelen te nemen zijn.
Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM aanzienlijk is overschreden. In eerste aanleg bedraagt de overschrijding bijna 2 jaar en 7 maanden, in hoger beroep ruim 3 jaar en 10 maanden. Deze vertragingen zijn deels het gevolg van de omvang en complexiteit van de zaak, maar ook van het tijdsverloop tot de zittingen, het horen van een groot aantal getuigen en een aanhoudingsverzoek van de verdediging.
Het hof acht een gevangenisstraf van 52 maanden in beginsel passend, maar brengt daarop 6 maanden in mindering wegens de overschrijding van de redelijke termijn. De verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 46 maanden, met aftrek van voorarrest. Dit is een hogere straf dan de 43 maanden die de rechtbank heeft opgelegd en eveneens hoger dan de eis van de advocaat-generaal van 36 maanden.
Lees hier de volledige uitspraak.
