Trefwoordenfiltering bij digitale gegevensdragers: rechtbank oordeelt dat niet-gedeelde cliëntdocumenten slechts bij concrete onderbouwing onder het verschoningsrecht vallen
/Rechtbank Amsterdam 27 januari 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:1071
Deze uitspraak betreft een beklag van twee advocaten over de filtering van mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens op de in beslag genomen laptop van hun cliënt. Hun cliënt wordt verdacht van passieve niet-ambtelijke omkoping en het doen van onjuiste aangiften inkomstenbelasting, terwijl hij de advocaten bijstaan in een fiscaal dispuut met de Belastingdienst. De rechter-commissaris laat onder haar regie een trefwoordenfiltering uitvoeren door een geheimhoudersfunctionaris en verricht een steekproef en aanvullende controles. Klagers stellen dat ook door de cliënt opgestelde, nog niet gedeelde documenten onder het verschoningsrecht vallen en mogelijk buiten de zoektermen zijn gebleven. De rechtbank oordeelt dat de gevolgde werkwijze, conform recente rechtspraak van de Hoge Raad, voldoende waarborgen biedt voor het verschoningsrecht. Het beklag wordt ongegrond verklaard omdat klagers hun stellingen over niet-gefilterde vertrouwelijke stukken onvoldoende concreet onderbouwen.
Context van de zaak
Deze beschikking van de meervoudige raadkamer van de rechtbank Amsterdam betreft een beklagprocedure op grond van artikel 98 in verbinding met artikel 552a Sv over het verschoningsrecht van advocaten bij de filtering van digitaal beslag.
Klagers zijn twee advocaten die een natuurlijke persoon bijstaan in een fiscaal dispuut met de Belastingdienst. Hun cliënt is tevens verdachte in een strafrechtelijk onderzoek van de FIOD.
Tijdens een doorzoeking op 30 september 2024 worden in de woning van de cliënt digitale gegevensdragers in beslag genomen, waaronder een laptop. De cliënt meldt direct aan de rechter-commissaris dat zich geheimhoudersinformatie op de laptop bevindt. Het forensisch IT-team van de FIOD maakt vervolgens een kopie van de data. De laptop wordt aan de cliënt teruggegeven.
De kern van het geschil is of de door de rechter-commissaris geleide filtering, die primair op zoektermen is gebaseerd en is uitgevoerd met bijstand van een geheimhoudersfunctionaris, voldoende waarborgt dat verschoningsgerechtigd materiaal buiten het strafrechtelijk onderzoek blijft.
Klagers stellen dat met name door de cliënt zelf opgestelde interne stukken en concepten ten behoeve van het vertrouwelijk overleg met zijn advocaten buiten de trefwoorden kunnen vallen en dat het risico bestaat dat opsporingsinstanties daarvan kennisnemen.
Tenlastelegging
De cliënt van klagers wordt verdacht van passieve niet-ambtelijke omkoping in de periode 1 mei 2009 tot en met 28 februari 2023, strafbaar gesteld in artikel 328ter lid 1 Sr.
Daarnaast wordt hem verweten dat hij onjuiste of onvolledige aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2022 doet, strafbaar gesteld in artikel 69 lid 2 AWR.
Het beklag richt zich niet op de inhoudelijke schuldvraag, maar op de omgang met mogelijk verschoningsgerechtigde gegevens op de gekopieerde laptopdata binnen het strafrechtelijk onderzoek.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie voert primair een ontvankelijkheidsverweer.
Volgens het OM is het klaagschrift formeel niet-ontvankelijk omdat het is ingediend vóórdat de rechter-commissaris op 30 oktober 2025 een beschikking ex artikel 98 Sv geeft.
Subsidiair stelt het OM dat het klaagschrift ongegrond is, omdat de rechter-commissaris de juiste procedure volgt en klagers bovendien niet tijdig gebruikmaken van de geboden gelegenheid om hun zienswijze te geven over de voorgenomen vrijgave van niet-geraakte data aan het onderzoeksteam.
In een eerdere fase suggereert het OM uit proceseconomische overwegingen nog dat terugwijzing naar de rechter-commissaris mogelijk is om klagers inzage te bieden in de niet-geraakte gegevens ter controle op achtergebleven geheimhoudermateriaal, maar later laat het OM weten dat de rechter-commissaris bij haar beschikking persisteert en geen extra onderzoekshandelingen meer verricht.
Standpunt van de verdediging
Klagers stellen dat zij hun cliënt sinds juni 2023 bijstaan in een fiscaal conflict en dat de cliënt in dat kader diverse documenten verzamelt en opstelt, waaronder spreadsheets en andere notities waarin hij informatie ordent en die hij gebruikt voor vertrouwelijk advocaat-cliëntoverleg.
Zij voeren aan dat dergelijke stukken niet altijd expliciet de naam van de advocaten of het kantoor bevatten, terwijl zij naar hun aard wel onder het verschoningsrecht vallen.
Volgens klagers kan het verschoningsrecht niet worden gereduceerd tot een lijst zoektermen. Vertrouwelijke stukken kunnen buiten de trefwoorden blijven, met name interne notities, concepten of door de cliënt opgestelde documenten die bestemd zijn voor bespreking met zijn raadslieden.
Klagers menen uit correspondentie van het kabinet van de rechter-commissaris af te leiden dat niet alle relevante bestanden volledig zijn uitgesloten, juist omdat niet in ieder document de namen of kantoornaam voorkomt.
Ook stellen zij dat onduidelijk is welke documenten precies worden gefilterd en vrijgegeven, en dat zij aanvankelijk geen formele beschikking in de zin van artikel 98 lid 3 en lid 4 Sv ontvangen.
In raadkamer benadrukt klaagster dat er concrete stukken op de laptop staan die onder het verschoningsrecht vallen maar mogelijk niet zijn uitgefilterd. Zolang dat niet met zekerheid is uitgesloten, bestaat volgens haar een reëel risico dat het OM of de FIOD kennisneemt van vertrouwelijke communicatie of stukken.
Klagers verzoeken daarom dat de rechtbank hun beklag gegrond verklaart en beveelt dat de bedoelde documenten worden uitgesloten, dan wel dat een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris plaatsvindt.
Oordeel van het betreffende gerecht
De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid.
Zij stelt vast dat klagers hun klaagschrift indienen op een moment dat de rechter-commissaris nog geen beschikking ex artikel 98 Sv heeft gegeven. In een dergelijke situatie kan de rechtbank de behandeling aanhouden en de stukken in handen stellen van de rechter-commissaris om alsnog een beschikking te laten geven.
In dit geval is ten tijde van de behandeling in openbare raadkamer op 13 januari 2026 wél een beschikking van 30 oktober 2025 aanwezig en persisteert de rechter-commissaris daarbij.
Gelet op de gang van zaken en het feit dat het beklag materieel is gericht tegen de inbeslagneming, vastlegging, kennisneming en het gebruik van gegevens dat met toestemming van de rechter-commissaris plaatsvindt, verklaart de rechtbank klagers ontvankelijk.
Inhoudelijk stelt de rechtbank het juridisch kader uiteen.
Op grond van artikel 218 Sv kan een beroepsgeheimhouder, waaronder de advocaat, zich verschonen omtrent hetgeen hem als zodanig is toevertrouwd. De ratio is dat het belang van waarheidsvinding in rechte wijkt voor het maatschappelijk belang dat rechtzoekenden zich vrijelijk tot een verschoningsgerechtigde kunnen wenden. Het verschoningsrecht ziet op wetenschap die rechtstreeks verband houdt met de beroepsuitoefening.
Voor de toepasselijkheid is het niet relevant of de informatie zich bij de advocaat zelf bevindt.
Bij digitaal beslag is het in beginsel aan de rechter-commissaris om te beslissen over het beroep op het verschoningsrecht, waarbij de verschoningsgerechtigde de gelegenheid moet krijgen zijn standpunt kenbaar te maken. Dat standpunt wordt gerespecteerd, tenzij redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan dat het onjuist is.
Daarnaast kan in een beklagprocedure ook de wijze van selectie of filtering worden betrokken, met de centrale vraag of onder leiding van de rechter-commissaris voldoende waarborgen bestaan dat het verschoningsrecht niet wordt geschonden.
De rechtbank constateert dat de filtering onder regie van de rechter-commissaris plaatsvindt met bijstand van een geheimhoudersfunctionaris van Belastingdienst/FIOD die niet bij het onderzoek betrokken is.
Klagers leveren zoektermen aan. Op basis daarvan worden zoektermenlijsten opgesteld en in overleg aangepast voor werkbaarheid. De geheimhoudersfunctionaris past de termen toe op de gekopieerde data en ook op twee mailboxen.
Geraakte bestanden worden als mogelijk verschoningsgerechtigd gelabeld en uitgesloten van de dataset die aan het onderzoeksteam kan worden verstrekt. De oorspronkelijke datasets blijven ontoegankelijk voor het onderzoeksteam.
Vervolgens voert de rechter-commissaris met een senior gerechtsjurist een steekproef uit op de gefilterde data, met bijzondere aandacht voor de door klagers genoemde documenten die de cliënt voor de fiscale bijstand zou hebben opgesteld.
Omdat de herkomst van die bestanden niet objectief is te achterhalen, worden zij eveneens langs de zoektermen gelegd. Voor zover geraakt, krijgen zij het label verschoningsgerechtigd.
Als extra controle laat de rechter-commissaris aanvullend zoeken of deze bestanden als bijlage bij geraakte e-mails voorkomen of anderszins door de zoektermen worden geraakt. Bijlagen bij geraakte e-mails worden als verschoningsgerechtigd gelabeld.
Tot slot krijgen klagers voorafgaand aan de beslissing de gelegenheid om te reageren op de wijze waarop deze bestanden in de filtering zijn meegenomen.
De rechtbank acht deze werkwijze conform de lijn uit recente rechtspraak van de Hoge Raad en de daarop gebaseerde werkwijze voor filtering van digitaal verschoningsgerechtigd materiaal.
Zij oordeelt dat hiermee voldoende is gewaarborgd dat het verschoningsrecht niet door het strafrechtelijk onderzoek wordt geschonden en dat geen grond bestaat voor een nadere filtering onder leiding van de rechter-commissaris.
Een belangrijk onderdeel van de beoordeling betreft de stelling van klagers dat stukken die de cliënt opstelt maar nog niet met de advocaten deelt, toch onder het verschoningsrecht kunnen vallen.
De rechtbank erkent dat ook niet-gedane mededelingen in uitzonderingsgevallen onder het verschoningsrecht kunnen vallen, indien aannemelijk is dat de inhoud daadwerkelijk bestemd is om aan de advocaat te worden toevertrouwd in het kader van diens beroepsuitoefening.
Ook dan geldt dat het in beginsel aan de verschoningsgerechtigde is om te beoordelen of het stuk object van verschoning is, tenzij zonder redelijke twijfel vaststaat dat dit onjuist is.
De rechtbank acht het oordeel van de rechter-commissaris dat niet-geraakte, niet-verzonden stukken in beginsel geen verschoningsgerechtigde informatie bevatten kennelijk en niet onbegrijpelijk.
Daarbij weegt zwaar dat de laptop aan de cliënt is teruggegeven, zodat klagers feitelijk beschikken over alle bestanden en concreet kunnen maken welke specifieke bestanden volgens hen ten behoeve van hun bijstand zijn opgesteld, niet zijn toevertrouwd, en desondanks onder hun verschoningsrecht moeten vallen.
Klagers blijven echter steken in algemene bewoordingen en concretiseren niet.
De rechtbank beslist uitsluitend op het beklag ex artikel 98 jo 552a Sv en verklaart het beklag ongegrond.
Lees hier de volledige uitspraak.
