Ondergronds bankieren leidt tot langdurige gevangenisstraf: medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan criminele organisatie
/Rechtbank Overijssel 9 januari 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:75
De Rechtbank Overijssel veroordeelt een vrouw tot vier jaar cel en een boete van 100.000 euro wegens medeplegen van gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie. Zij maakte jarenlang deel uit van een ondergronds bankiersnetwerk dat wereldwijd miljoenen witwaste. De verdachte coördineerde en verrichtte zelf meerdere contante geldoverdrachten, vaak vanuit haar eigen toko. Communicatie verliep versleuteld via SkyECC en later via WeChat. De rechtbank acht haar rol substantieel en leidend in diverse transacties. Persoonlijke omstandigheden wogen niet op tegen de ernst van de feiten.
Context van de zaak
De verdachte is een natuurlijke persoon, geboren in 1983 in China en woonachtig in Nederland, bij wie een meervoudige strafzaak aan de orde is. Zij wordt verweten dat zij zich in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024 schuldig heeft gemaakt aan ernstige economische criminaliteit in de vorm van gewoontewitwassen door middel van ondergronds bankieren en daarnaast heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die ten doel had misdrijven te plegen, in het bijzonder (gewoonte)witwassen. Het onderzoek spitst zich toe op de rol van de verdachte binnen een netwerk van betrokkenen, waaronder haar partner, hun destijds minderjarige zoon en meerdere andere medeverdachten. De gezamenlijke activiteiten betroffen vooral het faciliteren van contante geldoverdrachten van aanzienlijke omvang, veelal in het buitenland of in vreemde valuta, met behulp van versleutelde communicatie (PGP via SkyECC) en later via WeChat‑berichten. Het ondergrondse bankierssysteem dat hierbij werd gebruikt, stond los van het reguliere financiële stelsel en werd gekenmerkt door het gebruik van tokens en codetaal. De winkel van de verdachte en haar partner fungeerde als een centraal knooppunt voor het in ontvangst nemen en afgeven van contant geld. Het onderzoek bestond uit meerdere zittingen en diepgaande dossieranalyse, inclusief PGP‑berichtenverkeer en WeChat‑communicatie. In de loop van het onderzoek is vastgesteld dat de verdachte een actieve rol heeft gespeeld in de uitvoering en coördinatie van de transacties en daarmee structureel betrokken was bij witwaspraktijken, hetgeen in de strafzaak centraal staat.
Tenlastelegging
De tegen de verdachte ten laste gelegde feiten zijn tweeledig: feit 1 betreft deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, in dit geval (gewoonte)witwassen als bedoeld in artikel 420ter van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Feit 2 betreft het medeplegen van gewoontewitwassen door middel van ondergronds bankieren, bestaande uit het verwerven, voorhanden hebben, overdragen en benutten van geldbedragen die rechtstreeks of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf, met de wetenschap dat deze gelden uit strafbare activiteiten stammen. Het betrof grote geldbedragen in euro’s en Colombiaanse peso’s verspreid over meerdere transacties in de genoemde periode.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen (feit 2) en aan deelneming aan een criminele organisatie (feit 1). De officier van justitie benadrukte de omvang, duur en systematiek van de contante transacties, de rol van de verdachte in de coördinatie en uitvoering van de geldtransfers, en de gebruikmaking van versleutelde communicatie om de activiteiten te verbergen voor opsporingsinstanties. Gelet op de ernst van de feiten werd door het Openbaar Ministerie een gevangenisstraf van 24 maanden en een geldboete van €100 000 gevorderd, naast de medebrenging van de verdachte ten tijde van de uitspraak.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op verschillende gronden verzet tegen zowel de bewezenverklaring als de straf. Ten aanzien van feit 2 betoogde zij dat de bewijsmiddelen onvoldoende zouden aantonen dat transacties daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat er geen adequaat bewijs zou zijn voor de betrokkenheid van de verdachte bij de vermeende witwaspraktijken. Bovendien zou het bewijs voor het bestanddeel ‘van enig misdrijf afkomstig’ tekortschieten en zou het vereiste opzet ontbreken. Met betrekking tot feit 1 pleitte de verdediging voor vrijspraak op grond van de stelling dat niet is bewezen dat de verdachte deelnam aan een crimineel samenwerkingsverband met het beoogde criminaliteitsdoel, en dat zelfs indien strafbare handelingen zijn verricht, de drempel voor deelneming aan een organisatie niet zou zijn gehaald. Ten aanzien van de strafmaat verzocht de verdediging rekening te houden met persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de zorg voor haar gezin met twee jonge kinderen, het ontbreken van eerdere soortgelijke veroordelingen en het verzoek om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, eventueel door toepassing van een voorwaardelijk strafdeel en een taakstraf.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft uitgebreid overwogen waarom op grond van de bewijsvoering – waaronder PGP‑berichten, WeChat‑communicatie, camerabeelden, getuigenverklaringen en de organisatorische structuur van de transacties – de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank stelt vast dat de verdachte, naast de uitvoering van contante geldoverdrachten in de fysieke context van de toko, ook een coördinerende en leidende rol heeft vervuld in de onderhandelingen en afspraken met derden via WeChat, waarbij zij tokens heeft ontvangen en verstrekt en waarbij zij zelf transacties heeft geregeld in afwezigheid van medeverdachte 1. De omstandigheden wekten het gerechtvaardigd vermoeden dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, waarbij de verdachte geen concrete, verifieerbare verklaring heeft gegeven voor een legale herkomst van de gelden. De rechtbank oordeelde dat het voor de hand liggend is dat de verdachte bewust betrokken was bij de illegale herkomst van de transacties, gelet op de methodiek, het omvangrijke karakter, de continuïteit over meerdere jaren en de wijze van communiceren. Hiermee was zowel het bestanddeel ‘opzet’ als dat van ‘gewoonte’ bij witwassen bewezen.
Ten aanzien van medeplegen overwoog de rechtbank dat de verdachte een substantiële bijdrage leverde aan de uitvoering van het delict, met een coördinerende en sturende rol, hetgeen de kwalificatie medeplegen rechtvaardigt. Voor wat betreft deelname aan een criminele organisatie concludeerde de rechtbank dat sprake was van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband met een gemeenschappelijk oogmerk gericht op het plegen van (gewoonte)witwassen, waaraan de verdachte actief heeft deelgenomen.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaarde bewezen dat de verdachte in de periode van 1 januari 2020 tot en met 9 april 2024 heeft deelgenomen aan een organisatie met oogmerk het plegen van misdrijven, namelijk gewoontewitwassen, en dat zij in die periode tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt door het verwerven, voorhanden hebben en/of overdragen van grote geldbedragen terwijl zij wist dat deze gehele of gedeeltelijke afkomstig waren uit enig misdrijf. De opgevoerde bedragen omvatten miljoenen in euro’s en Colombiaanse peso’s. Wat de tenlastelegging meer of anders betreffen, werd niet bewezen verklaard.
Strafoplegging
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de aard, ernst en schaal van de feiten, de organisatiegraad en internationale dimensie van de criminele activiteiten, het feit dat de verdachte structureel betrokken was geweest over een lange periode en dat zij een rol vervulde in een ondergronds bankiersnetwerk dat doorspekt was met witwaspraktijken. De rechtbank verwees hierbij naar jurisprudentie en oriëntatiepunten voor vergelijkbare ernstige fraude‑ en witwaszaken. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte werden meegewogen, doch boden onvoldoende reden om af te zien van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanwege de zware aard van de feiten en de impact hiervan op de samenleving.
De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met volledige in mindering te brengen tijd in voorarrest volgens de wettelijke regels, en tot betaling van een geldboete van €100 000. Indien de geldboete niet volledig wordt voldaan, zal vervangende hechtenis worden toegepast. De rechtbank wees een bevel tot gevangenneming bij eindvonnis af wegens het ontbreken van de vereiste extra gronden voor voorlopige hechtenis.
Lees hier de volledige uitspraak.
